Luchtbalblues

Dit is de neerslag van vier seizoenen uit het onopmerkelijke leven van een alledaagse man. 

Het was het jaar waarin ik zesenvijftig werd en al koffiedrinkend naliet grootse toekomstplannen te smeden.

Het was het jaar waarin ik voor het eerst sinds 1997 een sollicitatiebrief verstuurde.

En ik regelmatig langs de Nete ging fietsen.

En een vriend van mij onderweg naar Mechelen slag om slinger lek reed zodat de stad in onze verbeelding een onbereikbare fata morgana leek.

En ik merkte dat er steeds minder in mijn hoofd bleef hangen, behalve een sluimerende nevel van onrust.

Het was het jaar waarin ik het halfvolle tweede wijnglas routineus in de gootsteen leeggoot.

Maar even routineus, bij het vallen van de avond, het eerste vulde.

En ik met een Gentse cowboy in de Oost-Vlaamse zon Cara-pils dronk.

En ik mijn uitstelgedrag zo perfectioneerde dat het me ’s nachts uit mijn slaap hield.

Het was het jaar waarin ik te veel boeken ongelezen, te veel films ongezien en te veel muziek onbeluisterd liet.

En ik meer nog dan andere jaren ooit naar Odessa wou gaan.

En het winterlicht doffer scheen dan vroeger en het lentelicht platinablonder.

En er nooit nog een bloemenmeisje van 73 lentes met een rode roos in haar haren bedaard door Antwerpen zal fietsen; noch een Brusselse poëet over zijn wedervaren in de Metropool zal dichten; noch een Oostendse straatfilosoof met de bravoure van een Lonesome Zorro over de ogen van zijn moeder zal zingen.

Het was het jaar dat mijn zondagochtenden dankzij wild uitslaande gesprekken met andere cafeïnejunkies in Kiss My Coffee te Oostduinkerke de allure van zaterdagnachten kregen.

Het was het jaar dat ik met het idee speelde om fietsenmaker of obituarist of edelfigurant of directeur van het Muséé d’Art Moderne – département des Aigles van Marcel Broodthaers of Minister van Twijfel of grootvader te worden. 

En ik in putje winter na een concert van Madou langs het Albertkanaal naar huis fietste en luidop Ronquières zong en de uit tristesse opgetrokken stem van Vera Coomans me intens gelukkig stemde.

En ik onveranderlijk om vier uur wakker schrok, opstond, me liet opvrolijken door het wereldnieuws en dacht aan een kunstschilder bij ons in de straat die ook in de stilte van de nacht rusteloos tot het ochtendgloren ligt te piekeren.

En gesprekken met toevallige voorbijgangers op straat me meer konden bekoren dan uitgesponnen analyses van experten over le Nouveau Cri in mediastorm-land.

En ik hoopte dat Royale Union Saint-Gilloise voor het eerst sinds 1935 opnieuw kampioen van België zou worden zodat ik tenminste – als volbloed Homo Nostalgicus – dat hokje definitief kon afvinken. 

Ik zag hoe in Tirana de zon zich achter de regenwolken verschuilde.

Tirana: een uit anonieme woonblokken opgetrokken hoofdstad van een land waar ik alweer te weinig op godverlaten stranden danste.

En ik voelde me alweer te weinig een je-m’en-foutist.

En ik kocht op een concert van Lucky Fonz III een t-shirt met het opschrift ‘Ik ben een sukkel’ en het paste me als gegoten.

En ik at in een taverne in Bergamo – op de plek waar het was uitgevonden – een stracciatella volgens het originele recept en proefde met mijn tong van het culinaire Walhalla.

En ik stopte tijdelijk definitief met snoepen, nadat ik jarenlang had overleefd op een dieet van een halve kilo chocolade, twee pakjes borrelnoten, een stuk of wat snickers en, voor het aansterken van mijn vitaminen-spiegel, een drietal frangipannekes per dag.

En ik dacht de voorbije winter in de Oostenrijkse sneeuw soms terug aan lang vervlogen skivakantie-liefdes – uit een tijdperk dat je bij het afscheid enkel adressen op verfrommelde papiertjes uitwisselde – die door de tand des tijds vervaagden tot de herinnering aan een blik, een naam, een lach, een oogopslag en tot de vraag: wat is er toch van haar geworden?

Het was het jaar dat een aangeschoten dame van respectabele leeftijd interesse in me betoonde en ik met een gestreeld ego naast mijn slapende vrouw in bed kroop.

Het was het jaar dat mijn vrouw zestig werd maar ze er nog steeds even jong uitziet als die eerste nacht in Arizona, nu bijna dertig jaar geleden.

Het was het jaar dat ik bij een vriend in de mooiste ogen van literatuurminnend Vlaanderen staarde, ademloos naar haar verhalen over leven & liefdes luisterde en niet eens besefte dat het plots drie uur ’s nachts was.

Het was het jaar dat ik meer nog dan vroeger begreep dat Stijn Tormans uniek is.

En mijn dochter Zoé een handvol foto’s schoot die illustreerden waarom één beeld soms meer zegt dan duizend woorden.

En een uitgeverij uit het niets plots in mij geloofde – nadat ik de hoop al lang had opgegeven – en een boek van mijn hand uitgaf waardoor een jeugddroom, net voor de pensioengerechtigde leeftijd, alsnog in vervulling kon gaan en ik na enkele heerlijke weken, waarin mijn leven op een ware roes leek, opstond met de vraag: ‘En wat nu?’

En ik vaak uit lunchen ging met die andere jongen zonder eigenschappen uit mijn hotelreceptionist-periode en we het beiden betreurden dat geen van ons het tot stukadoor had geschopt.

En het me in de herfst aan energie ontbrak om het zaalvoetbalseizoen nieuw leven in te blazen zodat in het jaar waarin de oorlog weer naar Europa terugkeerde de heldendaden van onze ploeg Black Russians een stille dood stierven.

Maar ik meer dan ooit troost vond in de cartoons van Gummbah.

En in Thaise curry.

En in The Long Goodbye van Raymond Chandler.

En in de foto’s van Saul Leiter.

Ik hoorde hoe de Gentse zanger Lieven Tavernier in onze huiskamer een prachtversie van zijn enig mooi lied Emile Braunplein zong.

Er is alleen de stilte / van het Emile Braunplein / En de vragen in mijn hoofd / waarvoor geen woorden zijn.

Ik hoorde op een paradijselijke plek in het verre Lier de achterneef van Elvis Presley de sterren van de hemel brullen.

En ik geraakte er meer en meer van overtuigd dat ook Luc De Vos zal blijven bestaan.

En ik vond dat de wereld hoe langer hoe meer op een Peter van Straaten-cartoon begon te lijken, ondanks de halsstarrige weigering van diezelfde wereld om nog in grijstinten te denken.

Het was het jaar waarin het in wintermaanden donker in mijn hoofd werd. 

En ik in de Provence ademloos naar een jeugdvriendin luisterde die de kunst verstond om van persoonlijke tragedies komedies te maken.

Terwijl ik er zelf niet telkens in slaagde mijn gebreken en daaruit voortvloeiend kleinzerig ongemak weg te lachen.

En ik hoopte dat ooit de dag zal aanbreken dat ik zonder verwachtingspatronen uit bed kan stappen.

Het was het jaar dat een anarchistische en vrijheid uitstralende jong-gepensioneerde dichter, die in versleten maatpakken op muziek van het Noodzakelijk Kwaad zijn gedichten over de verborgen schoonheid van het alledaagse voordraagt, mijn nieuwe held werd.

En mijn weerzin om te verdwalen in administratieve doolhoven, waarin het ambtenarees als Lingua Franca oprukt, alleen maar toenam.

Maar ik perfect gelukkig was toen ik op de Luchtbal in Antwerpen op een natgeregende parking de weerspiegeling van wolkenkrabbers fotografeerde.

Het was het jaar dat ik voor het eerst sinds 1997 een sollicitatiegesprek voerde.

Het was het jaar dat ik chef van een kast vol usb-sticks en geheugenkaarten en micro’s en camera’s werd en zelden begreep welk materiaal mensen wilden ontlenen en dacht dat ze me in het Fins om raad vroegen.

Het was het jaar dat ik The Killing of Two Lovers zag, Remco Campert herlas en Frans Pointl ontdekte. 

Het was het jaar dat ik in een natgeregende badplaats in Noord-Albanië It Never Rains in Southern California neuriede.

Luchtbalblues
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , | 2 reacties

De triomfantelijke terugkeer van King Kong

Wanneer de avond was gevallen en hotelgasten – op zoek naar romantiek – de stad introkken, verdwaalde ik achter de balie soms in het labyrint van het wereldwijde web. Het was het jaar tweeduizend en het internet stond nog in haar kinderschoenen. Marck Zuckerberg haalde prima resultaten op de middelbare school, Billie Eilish moest nog geboren worden en in Rusland volgde een onopvallende, kalende vijftiger Boris Jeltsin als president op. Alleen Warren Buffett gaf al een halve eeuw vanuit Omaha uitstekende beurstips en was vast van plan er nog vijftig jaar bij te doen.

Vaak was het niet helemaal duidelijk waarom het internet bestond. Je kon er pizza bestellen en naar telefoonnummers op websites staren en als je héél goed zocht zag je er, volgens de geruchten, schaars geklede dames – maar het was vooral oeverloos saai. Tot ik op een dag toevallig op de website Kingkong.be stootte en er een wereld voor me openging. De site was een venster op een speelplaats vol artistieke dadendrang en avontuur. Het was inventief, brutaal, snaaks, geestig, spannend, onvoorspelbaar. Het was grensverleggende webtelevisie en omdat er toch niemand keek deden de makers vierkant hun goesting. Kingkong.be had aandacht voor lokaal verankerde – maar vaak ook internationaal breder uitwaaierende – cultuur en ik geraakte eraan verslingerd. Nadat de administratie was bijgewerkt, de keuken opgeblonken en de laatste hotelgast de bar had gesloten, zette ik me neer en keek op Kingkong.be naar prikkelende reportages vol underground-figuren die hun verhaal vertelden. De beeldverslagen hadden zo vaak de juiste toon te pakken. Het was Het Peulengaleis voor de culturele meerwaardezoeker. Anarchistische dichters op De Nachten. Nachtburgemeester Vitalski die als geen ander in Vreemdgaan met boeken de letteren liet knetteren. Gitaarvirtuoos en allround gentleman Mauro Pawlowski die muziek van obscure groepen aanprees waar zelfs de moeder van de bassist nog niet van had gehoord.

Het was niet bepaald stil aan de overkant.

Natuurlijk deed ik tijdens de werkuren meer dan enkel naar Kingkong.be surfen. Op een avond – er zijn van die verhalen waarin elke vierde zin met ‘Op een avond’ begint en dit is er zo een van. Op een avond stond een jonge Japanse aan de receptie. Beschroomd vroeg ze of ik de in Antwerpen wonende Limburgse gitaargod Mauro Pawlowksi kende en toen ik ontkennend antwoordde, keek ze discreet teleurgesteld. Ze was speciaal voor een optreden van hem naar Antwerpen gekomen en kon niet geloven dat ik, die zo dichtbij woonde, haar afgod nog nooit live had gezien. ‘Do you know where he lives and do you often sleep on his doorstep?‘. Opnieuw moest ik haar teleurstellen. Ik gaf er de voorkeur aan in mijn eigen bed te slapen. Terwijl zij er niet het nut van inzag een huis te kopen en in te richten wanneer je net zo goed in het deurportaal van Mauro Pawlowski kunt postvatten. Maar toch deed het haar iets om vlakbij een man te staan die haar grote liefde had kunnen ontmoeten.

En ineens verdween Kingkong.be in het grote niets van waaruit het ooit was opgedoken. Het was in hetzelfde jaar – 2008 – dat de Lehmann Brothers failliet gingen en de site liet nog minder sporen na dan de Amerikaanse zakenbank. Hoe ik ook zocht, het complete archief was van de aardbodem verdwenen. Op één reportage van zes minuten na, maar dat waren dan wél zes uitzonderlijk pakkende minuten. Het was de neerslag van een bezoek van zanger Luc De Vos aan zijn held de cultschrijver Jean-Marie Berckmans – wiens vaak door merg en been snijdende pen, zeker wanneer ze de duisternis in zijn hoofd beschrijft, hem niet voor zijn ondergang heeft kunnen behoeden. ‘Ik zei daarjuist dat jij de grootste schrijver bent van heel België. Nog groter dan Guido Gezelle en Guido Claus bijeen.’ De reportage De Vos in Barakstad was een integere weergave van vergankelijkheid en won nog aan intensiteit nadat zowel zanger en schrijver – beiden in de vijftig – door de dood werden ingehaald.

De jaren verstreken en het bestaan van Kingkong.be verdween naar een achterkamer van mijn geheugen. Maar wanneer de schelheid van een wereld, waarin politici blingbling een hoger goed vinden dan respect voor mensenrechten, me teveel werd keek ik soms naar De Vos in Barakstad. En putte troost uit zes minuten franjeloze oprechtheid.

Enkele jaren geleden schreef ik me in op de academie van Antwerpen om in avondschool de cursus fotokunst te volgen. En zoals dat gaat wanneer je je herbront werden er nieuwe vriendschappen gesloten. Na de les gingen we met wisselende groepjes studenten in een café om de hoek – Papa Jos – nog wat bijpraten en met de energie van een tweede jeugd werd het soms ontiegelijk laat. Een van die studenten was een man met een jongensachtige uitstraling en ogen die met die van Paul Newman konden wedijveren. Meestal droeg hij een lange blauwe regenmantel en een sjaal – ook tijdens de zomermaanden – en uitnodigingen om te gaan ijsberen legde hij beleefd naast zich neer. In de klas stelde hij zich bescheiden op maar als hij iets zei, was het onderbouwd en geestig. Opmerkingen over fotografie waren er steeds boenk op. Achter zijn discrete kuch schuilde inzicht in hoe beeldcultuur werkt. Zijn naam was Mario De Munck en hij was een zelfstandige filmmaker die voor culturele instellingen zoals de opera en verschillende musea documentaires maakt. Een andere nieuwe fotografie-vriend, Han, was radicaler in zijn opvattingen en al van voor de geboorte van Karl Marx een overtuigd communist. In politieke discussies tussen ons laaiden de emoties hevig op en na een alle kanten uitschietend gesprek vroeg ik na afloop aan Mario of het mij gelukt was om van Han een liberaal te maken. Mario: ‘Zonder meer. Hij is zelfs nen donkerblauwe geworden.’

Het waren onvergetelijke avonden waarin meligheid en uit de vergetelheid geplukte namen van culthelden uit de tijd van toen de boventoon voerden. Steeds verbaasde ik me over de kennis van Mario – zeker wat hedendaagse kunst betrof. En voorstoppers van Beerschot. Je kon als Antwerpse kunstenaar geen spijker in een verroeste stalen plaat slaan, of Mario wist ervan. Waar haalde hij toch al die kennis vandaan? Was zijn hoofd het archief van de Encyclopedia Brittanica?

En opnieuw ontvluchtte ik de werkelijkheid en bezocht in het gezelschap van Luc De Vos de laatste woonplaats van Jean-Marie Berckmans in Barakstad. Op het eind van een reportage die ik al tientallen keren had gezien, zag ik voor het eerst: productie: Chris Van Camp; camera en montage: Mario De Munck.

Mario was samen met de onnavolgbare Chris Van Camp en filmjournalist Kurt Vandemaele de oprichter en bezieler van Kingkong.be geweest. Hij had het venster geopend waardoor een hotelreceptionist tijdens verloren uren kon binnenkijken in de culturele speeltuin van Antwerpen. Two degrees of separation.

Het archief van Kingkong.be lag bovenop een kast in een huis in Berchem stof te vergaren.

Maar op een donderdag in maart van het jaar 2022 werd de schatkamer voor één keer voor het publiek ontsloten. In De Studio – een mooi cultureel centrum waar ooit studio Herman Teirlinck was gevestigd – werd Kingkong tv nite georganiseerd. Een nostalgische trip naar de begindagen van webtelevisie, lang voor You Tube, lang voor Tik Tok, lang voor Tinder. To boldly go where no internaut has gone before. De goedgevulde zaal werd verwelkomd door de energieke gastheer Marcel Vanthilt die ondanks zijn grijze haren de schijn van eeuwige jeugd weet op te houden en wanneer de camera’s draaien knettert als een haardvuur. Hij leidde de avond met vaste hand, kaderde het belang van Kingkong.be, stelde gerichte vragen en liet ruimte aan de gasten om te schitteren. Chris Van Camp – een dame die gemaakt is om langoureus op een zetel plaats te nemen – haalde via scherpe one-liners herinneringen op aan een tijd toen er spelenderwijs grenzen werden verlegd. Ze was taalvast, zelfverzekerd, flamboyant. En dat contrasteerde mooi met de ingetogen stijl van Mario die als een kapitein op Starship Enterprise er hoofdzakelijk op toekeek dat de juiste koers werd aangehouden. Hij was het kompas en Chris de windrichting.

Er werden anekdotes opgehaald en mensen die van dichtbij of van veraf hadden meegewerkt werden uitgenodigd om hun herinneringen met het publiek te delen – zoals Mauro Pawlowski die als zijn alter ego Somnabula een streep withete rock speelde. Terwijl hij opstond hoorde je hoe in Japan de dames hun adem inhielden. Zo werd het verhaal van Kingkong.be op velerlei manieren ingekleurd. Van de vijfduizend tapes werd een kleine compilatie getoond en het was een verademing om te zien hoe fris cultuur-televisie kan zijn: snedig maar respectvol; speels zonder de ernst overboord te gooien; experimenteel en toch toegankelijk. Artiesten kregen de ruimte om hun verhaal te vertellen en werden niet onderbroken door journalisten in hun niet aflatende jacht naar kijkcijfers.

De avond was een achtbaan die ons in een zucht naar het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw bracht. En natuurlijk had Kingkong.be het geluk dat ze regelmatig met twee van de grootste cameratalenten van de Vlaamse televisie kon samenwerken: Marcel Vanthilt en Vitalski. Mannen die geboren zijn om in het licht van de schijnwerpers open te bloeien en zelfs een gesprek met een vaatwasser boeiend kunnen houden. Wat was het een genoegen om al die woelwaters – waarvan enkelen uiteindelijk tot het pantheon der lichtjes pedante kunstenaars zouden toetreden – in hun jeugdige vitaliteit te zien schitteren.

Zap. Onvergetelijk was het interview dat filmjournalist Kurt Vandemaele van de grote Finse regisseur Aki Kaurismäki afnam. Kaurismäki had net het filmfestival van Gent gewonnen en verkeerde in zo’n verheven staat van dronkenschap dat alle andere journalisten bedankten voor de eer. Maar Kurt ging het gesprek aan en gaf ons een inkijk in de ziel van een getormenteerde man. ‘I never mix cinema and humour. If I would mix them, I’d make a mixture. And I am not a bartender.‘ Omdat Kaurismäki had verteld dat hij beresterk was, werd het gesprek met een armworstelpartij afgesloten. En bijna verloor een filmjournalist zijn rechterarm. Zap. Even later zagen we Tom Lanoye op de boekenbeurs koning Albert II te woord staan. Nadat de koning – omringd door hofhouding en lijfwachten en Luc De Vos – zijn exemplaar van Het derde huwelijk had ontvangen en om een handtekening vroeg, zei Tom Lanoye, die de hoogdagen van de punk nog had meegemaakt: ‘Hoe was uw naam?’. Koning Albert II antwoordde droog: ‘Monsieur Legrand.’ Zap. In beeld de Belgische filmregisseur en anarchist Jan Bucquoy die vanuit café Het Warm Water het paleis opbelde om te zeggen dat hij een eenmansstaatsgreep ging plegen. Wapperend met een zwarte vlag met een rode B en een gele banaan probeerde hij de paleiswacht te verschalken, maar die overmeesterden met vereende krachten de gezette revolutionair. Zap. De immer waardige Wannes Van de Velde sprak ingetogen maar verontwaardigd over de steeds voortjakkerende stadsverminking. En bedankte achteraf in een handgeschreven brief de makers. Zap. In beeld verscheen de dichter Guido Lauwaert die tijdens De Nachten zijn poëzie naakt voordroeg en aan de wereld liet zien dat hij inderdaad een echte rosse was en de tijd ontbeerde om naar de gym te gaan. Zap. Roxanne, de drieëntwintigjarige dochter van Mario en Chris, haalde herinneringen op aan de tijd toen ze als kind van festival naar festival trok en in een vijfdehands camper overzomerde.

Jan Bucquoy wil nog voor de lunch een staatsgreep plegen

Maar op Kingkong tv nite mocht De Vos in Barakstad niet ontbreken. En opnieuw beklijfden de beelden van de uitgemergelde prozadichter Jean-Marie Berckmans die aan een keukentafel voor zich uitstaart, terwijl Luc De Vos een stoverij klaarmaakt en Mia zingt en belooft dat als Jean-Marie naar Gent verhuist hij voor ‘hete wijven’ zal zorgen.

Sterren komen, sterren gaan / Alleen Elvis blijft bestaan.

Zap. En het was voorbij.

In de foyer van De Studio troffen groepjes vrienden elkaar en overal hoorde je het geroezemoes dat opstijgt wanneer herinneringen worden uitgewisseld. Ik zag een bevriende zanger en schrijver – het evenbeeld van Herman Brood in zijn gloriedagen – en na wat amicale schouderkloppen hadden we het over de afgelopen avond.

‘Ik ben echt met verstomming geslagen over wat er op cultureel gebied in Antwerpen in die periode allemaal aan boeiende dingen gebeurde. Ik was al vanuit Nederland naar hier geëmigreerd, maar was nog teveel op mezelf en mijn eigen carrière als songwriter gericht om me af te vragen waar anderen mee bezig waren. Deze hele kunstscène is volledig aan me voorbijgegaan.’

Even later hadden we het over de door ons bewonderde Jean-Marie Berckmans en dat sommige van zijn zinnen hetzelfde effect sorteren als muziek. Je voelt ze onderhuids woelen, zoals een rockmelodie. Ze treffen je in hart en onderbuik. ‘Weet je wat ik niet kan vatten, Ernst: dat wij ouder zijn dan Jean-Marie Berckmans ooit is geworden. Die uitgeleefde man was een stuk jonger dan wij nu. Ik denk dat wij ons geen voorstelling kunnen maken van zijn innerlijke pijn. De zwaarte die hij meedroeg is van een heel andere orde dan de lichte melancholie die wij soms voelen.’

Overal ving je flarden van gesprekken op en de terugblik had velen gemotiveerd om zélf weer te gaan filmen en fotograferen. In een poging om het voorthollende heden te bewaren.

Mario stond te stralen. Er was een last van zijn schouders gevallen en ook hij had genoten van de trip down memory lane. Enkel tijdens De Vos in Barakstad had hij zijn ogen afgewend. ‘Ik kan dat niet meer zien. Het is te pijnlijk. Maar het blijft een symbool van het feit dat je als filmer en monteur een ethische reflex hebt. Is het oké of is het niet oké? In het geval van JMH Berckmans vond ik het moeilijk. Daar zit ik op een dunne lijn. De hele ploeg was aangedaan en de volgende ochtend zijn Chris en Andy Fierens zijn appartement gaan opruimen en heb ik eten voor hem gekocht en zijn ijskast aangevuld.’

Discussiërende groepjes vielen uit elkaar en sloten nieuwe bondgenootschappen en op het eind van de avond werd ik door enkele verstokte nicotinejunkies meegetroond naar een rokershol. In het centrum van de aandacht stond een flamboyante zestiger – een divo met een gulle lach die eenmaal hij het woord had bemachtigd, weigerde het nog af te staan – en die zijn soms aandachtig, soms wegdromend publiek probeerde te overtuigen van het grote belang van voortdurende vernieuwing in de kunst. Achter de rookpluimen doemde ineens een bekend silhouet op. Het was Mauro Pawlowski die de ideeën spuiende woordenstroom excuserend onderbrak en vroeg wanneer hij het best zijn spullen kon ophalen. Nadien verdween hij in de nacht. De voorkomende Limburgse gitaarheld en Big in Japan.

De monoloog van de dandy trok zich weer op gang en half luisterend vond ik het heerlijk om me tegen zijn dure woorden aan te schurken en tegelijkertijd besefte ik, zeker na Kingkong tv nite, hoe belangrijk het is dat elke generatie blijvend nieuwe kansen krijgt. En een podium. Ook wanneer ze oud en wankel zijn. En hoe waardevol het is dat iemand zo goed als alles van zijn generatie hemelbestormers registreert en archiveert en bewaart.

Ook al is het voorlopig nog op een kast in kartonnen dozen in een huis in Berchem.

Wijsheid in een rokershol: ‘In porn we trust.’

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , | Een reactie plaatsen

Het regent nooit in Noord-Albanië

‘Wie wil er deze winter met mij naar Albanië gaan?’

Hoe ik ook probeerde vrienden en familieleden te overtuigen een van de laatste onontdekte landen van Europa te bezoeken, niemand reageerde enthousiast. Maar ik liet me niet ontmoedigen en boekte een vliegticket. Op een zondag in februari landde een eenzame vijftiger op de luchthaven van Tirana met in zijn rugzak een fotocamera, de ‘Memoirs‘ van Tennessee Williams, een landkaart van Albanië met een nauwgezet schema van de dienstregeling van het openbaar vervoer, een ratjetoe aan kleren die nooit de goedkeuring van Beau Brummell hadden wegdragen en een FFP2 mondmasker. Albanië, het land dat jarenlang de meest geïsoleerde plek van het oude continent was geweest en onder de communistische dictator Enver Hoxha – die een Koude Oorlog binnen de Koude Oorlog voerde – een in zichzelf gekeerde openluchtgevangenis werd, intrigeerde me al sinds de tijd dat de Rode Duivels er een patent op roemloze nederlagen hadden. De oppervlakte van het derde armste land van Europa is iets kleiner dan België en het telt bijna drie miljoen inwoners. De kustlijn is 362 kilometer lang en in het noorden wachten besneeuwde bergtoppen – waarvan Korabi met 2751 meter de hoogste piek heeft – op de doorbraak van skiën als nationale sport. Ondertussen wonen er meer Albanezen in het buitenland dan in hun land van herkomst.

‘Je moet de hoofdstad Tirana links laten en onmiddellijk de bergen intrekken! Er is wel een opgesmukt centraal plein en enkele aftandse musea die terugblikken op de Albanese geschiedenis, maar het is vooral een hectische en lawaaierige stad. Het is één groot bouwwerf.”

Aan het woord was een pezige fotograaf die ik enkele weken eerder een lift had gegeven en omdat hij al eenentwintig keer door Albanië was getrokken, sprak hij met een zekere autoriteit. Maar hij was niet het type om anderen met goede raad te overstelpen en zijn mening op te dringen. De blik in zijn ogen straalde vooral een verlangen uit om de boel de boel te laten. Hij was een aanganger van het laissez faire, laissez passer-isme.

Het eerste wat opviel in Tirana was het diepe respect voor anarchie. Aan de mondmaskerplicht die er op de luchthaven gold werd unaniem verzaakt. Eenmaal buiten in de Mediterraanse hitte, die als een warm deken over me heen viel, gonsde het van de bedrijvigheid en de chaotische sfeer deed nog het meest aan die van Aziatische grootsteden denken. Met de taxi ging het naar het stadscentrum en terwijl de bejaarde chauffeur en ik wat Italiaans klinkende klanken uitwisselden, keek ik naar de bouwwoede om me heen. Het was alsof de bouwmeester van de Belgische winkelcentra was uitgenodigd met de geruststelling dat hij deze keer alle voorschriften aan zijn laars mocht lappen. ‘Je krijgt van ons carte blanche.’ Na bijna een halve eeuw onder een communistische stolp te hebben geleefd, was er een kapitalistische bom ontploft. Wolkenkrabbers rezen ten hemel en neonlicht reclames streden om de aandacht van kooplustigen. De bars en restaurants zaten vol en gutsten van het nachtleven. De eerste kortgerokte benen van de ontluikende lente namen plaats op passagiersstoelen van geblindeerde sportwagens.

Het hotel waar ik een kamer voor twee nachten had geboekt was prima. Voor nauwelijks veertig euro kreeg ik alle mogelijke comfort en een uitstekend ontbijt in een mooi kader met wat pronkerige toetsen. De televisie in de hotelbar zond onafgebroken voetbalwedstrijden van de Serie A uit. Het koppel dat bij de check-in achter mij stond kende Albanees – voor zo ver ik daarover kan oordelen – maar toonde aan de receptionist identiteitskaarten die identiek waren aan de Belgische. Het bleken Kosovaarse Albanezen te zijn die in Antwerpen woonden en de jonge vrouw sprak – nadat we beiden hadden opgemerkt hoe klein de wereld was – accentloos Nederlands. Ze was in Antwerpen geboren. Ondanks deze wonderlijke samenloop van omstandigheden bleef de receptionist stoïcijns. Hij vroeg enkel, naar aloude Albanese traditie, om alles vooraf in cash te betalen. De achterdocht voor de overheid is er zo groot dat Chocolat Suisse – de geuzennaam voor baar geld van twijfelachtige oorsprong – het meest populaire betaalmiddel blijft.

Met ‘Memoirs’ van Tennessee Williams onder de arm wandelde ik de stad in. De nacht was gevallen en tegenover het hotel bewaakten ongure types de ingang van een stripteasetent. Je moest al een vurig doodsverlangen hebben om je tussen die kleerkasten naar binnen te murwen en het leek me veiliger om in de vegetarische koffiebar Noor een risotto te bestellen. Ook in de koffiebar werkten stoere venten. Gedrongen spierbundels – die zo de maat van K-1-kampioenen hadden genomen – blonken achter de toog bestek op en schotelden me een voortreffelijke Italiaanse maaltijd voor. Aan tal van details merk je hoezeer de Albanese cultuur met die van de Adriatische overbuur verweven is. Tirana – of beter gezegd havenstad Dürres – ligt lijnrecht tegenover Bari. Slechts 235 km Adriatische zee en een lichtjes anders gelopen geschiedenis scheidden de twee werelden van elkaar.

Al bij al duurde mijn eerste kennismaking met Albanië nauwelijks vijf dagen en uit tijdsgebrek liet ik de meeste hoogtepunten links liggen. Na Tirana bezocht ik de kustplaats Dürres en aansluitend ging het naar Shkodër, een historische stad in het noorden die geliefd is bij fietsers en bergwandelaars; het ligt aan de oevers van het Komanmeer en aan de voet van de prachtige Albanese Alpen waar Belgische fotografen maar niet over uitgesproken raken.

Bij het ontwaken in Tirana tekende de motregen present. Een grijs wolkendek hing over de uitdijende stad waar ongeveer 1 miljoen Albanezen wonen en ik dwaalde over het natgeregende Skanderbegplein – genoemd naar de vijftiende-eeuwse nationale held die tegen de Ottomanen streed – waar in 1991, vijf jaar na de dood van Hoxha, een volksopstand het einde inluidde van het communistische tijdperk. In het hart van wat tot dertig jaar geleden een in zichzelf gekeerd land was, had ik het met een bewakingsagent van het Ministerie van Binnenlandse Zaken uitvoerig over… Londerzeel. Welke Albanees ik ook sprak, hun kennis van België was uitmuntend. Niet alleen waren ze beter vertrouwd met de topografie van ons koninkrijk dan menig hoogleraar geografie, ze hadden er ook vaak gewerkt. De bewakingsagent vertelde dat het gemiddelde maandloon van 36.000 lek – ongeveer driehonderd euro – ontoereikend was voor de stijgende levensduurte en dat de prijzen in de supermarkten nauwelijks voor die van West-Europa moesten onderdoen. Waar in verre buitenlanden de naam België hooguit een afwezige blik oproept, denken Albanezen spontaan aan de sfeer van gouden dagen. ‘Ik heb in Londerzeel nog drie maanden witlof geteeld in een fabriek. Het was de mooiste en meest lucratieve baan die ik ooit heb gehad…’

Even verder op het plein vertelde een chique heer in een maatpak dat de volksopstand voor hem een verwarrende periode was omdat hij als soldaat de revolutie moest neerslaan. Hij stond aan de verkeerde kant van de geschiedenis, schatte in hoe het muntstukje zou vallen en keek lijdzaam toe. Zijn afwachtend diplomatiek talent kwam hem later goed van pas, want hij kreeg een baan als veiligheidsadviseur van de E.U. en werd een medewerker van Javier Solana. Minstens honderd keer was hij in België geweest en hij kende de ins & outs van Brussel beter dan de palm van zijn hand.

Tirana is geen stad die onmiddellijk je hart steelt, maar het is ook geen onaantrekkelijke plek. Een soort Hasselt in de Balkan. Het historische centrum is gerestaureerd in de beste Disneyland-traditie en brede boulevards monden uit in een groene oase: Parku i Mahd, wat letterlijk het Grote Park betekent. Onderweg wandelde ik door de Blloku-wijk waar koffiehuizen en hippe restaurants hopen opgemerkt te worden door the beautiful and damned. In de communistische tijd woonden hier in statige herenhuizen de uitverkoren van het volk. De buurt was toen voorbehouden voor de intimi van Enver Hoxha en check-points zorgden ervoor dat het verboden terrein bleef voor gewone communisten zoals u en ik en Pablo Picasso.

Op een verloren maandag in februari waren de meeste musea tot mijn opluchting gesloten zodat ik me niet verplicht voelde te doen alsof ik interesse had in negentiende-eeuwse Albanese landschapsschilderkunst. Enkel Bunk’Art 2, een voormalige ondergrondse atoombunker van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, wilde ik kost wat kost bezoeken. Een permanente tentoonstelling zoomt er in op de woelige onafhankelijkheidsoorlog van 1912, de wreedheden die werden begaan tijdens de fascistische periode (1939 tot 1944) en onder het schrikbewind van de Sigurimi – de veiligheidsdienst van de communisten. Het stemde droef te zien hoe ideologische blindheid telkens weer tot misdaden inspireert. Het stemde woest te zien hoe de waanzin van een tunnelvisie voor talrijke slachtoffers eindigde in een doodlopende straat. Terwijl ik in de jaren tachtig in mijn jongenskamer de zonnige akoestische liedjes van Jonathan Richman ontdekte, stierven tweeduizend kilometer verder mensen in hun strijd voor een heel klein beetje vrijheid. Meer nog dan olie drijft in een totalitaire maatschappij sadisme boven.

Eenmaal buiten besloot de motregen me verder te vergezellen.

‘I’m from Poland and since I don’t have any children I basically do nothing but travel.’

Getweeën zaten we in een door Oostenrijkers gebouwde 4,5 kilometer lange kabelbaan die ons naar de top van de berg Dajt bracht – gelegen in een natuurpark net buiten de stad. Aan het woord was een Poolse vrouw die van peroxide-blond-in-het-leven-staan een kunstvorm had gemaakt. Ze was een veertigster met nicotine-gele tanden en een grote waardering voor de huidige PiS-regering van haar land. Maar ze was vooral opgelucht dat ze eindelijk weer kon reizen. Onderweg zijn was haar raison d’être. Enkel tijdens de wintermaanden verbleef ze bij haar moeder in het zuiden van Polen. Met wandelschoenen en een rugzak en een flinke dosis bluf trok ze de wijde wereld rond en ze gunde zichzelf de tijd om de lucht van vreemde culturen in te ademen. Zo verbleef ze sinds enkele weken in een hostel in het centrum van Tirana waar ze had kennis gemaakt met twee Amerikanen die een jaar geleden naar Maleisië wilden vertrekken maar hun plannen door covid doorkruist zagen. Al twaalf maanden zaten de heren elke dag in dezelfde hotelbar en hadden nog geen voet buiten de stadsmuren van Tirana gezet. ‘One American is always talking and the other is constantly reading. But they are great fun. Still, I could not convince them to come and join me on my hike.’

Wat is het toch met herinneringen? Waarom blijven sommige ontmoetingen hangen en verdwijnen anderen in de mistbanken van het geheugen? We hielden niet meer dan een beleefd kabbelend gesprek en toch zal ik regelmatig, zeker als ik in een kabelbaan zit, aan haar en aan haar stoere wandelschoenen moeten denken.

Omgeven door mist naderden we de top van de berg en ik at in een panoramisch restaurant zonder uitzicht mijn zoveelste risotto van de reis. Albanië: het land waar ik risotto leerde eten.

Terug in de buitenwijken van Tirana aangekomen zag ik de ene na de andere opslagplaats voor tweedehandswagens. Zelfs op de Place m’as-tu-vu in Knokke is het aanbod old timers bescheidener. De ene zaak specialiseerde zich in autobanden, de andere in bumpers en een derde in ruitenwissers. Maar één groothandel sloeg alles. Bergkammen aan autodeuren lagen er in openluchtdepots opgestapeld. Elke gewenste kleur was verkrijgbaar en omdat de ondergaande zon mooi weerkaatste op het immense wagenpark vroeg ik aan de vier heren, die gehurkt op de stoep de dag aan zich voorbij lieten trekken, of ik een foto mocht maken. Niet van hen, voegde ik er voor alle duidelijkheid aan toe – want Albanezen zijn er niet zo happig op dat je hen fotografeert – maar van die eindeloze collectie voordeuren. Hun Engels was matig, maar het woord photo herkenden ze uit de duizend. ‘No, no photo!” Even viel er een onheilspellende stilte, alsof we gezamenlijk op het openingslied van een Ennio Morricone-soundtrack aan het wachten waren. ‘Otherwise big problem!’

De lust om voorbijgangers te fotograferen verdween. Meestal zoek ik in het straatbeeld naar mensen die enigszins uit de band springen. Niet zozeer couleur locale maar couleur excentrique, maar in Albanië botste elke vraag of ik hen mocht fotograferen op een muur van achterdocht.

Terwijl ik via straten vol kleinhandelaars naar het hotel wandelde, dacht ik aan de woorden van de fotograaf die me had aangeraden meteen de bergen in trekken. Omringd door uitlaatgassen en betonrot kon ik begrip opbrengen voor zijn standpunt. Maar hoe imposant natuurschoon ook is, toch kan een glimp van alledaagse lelijkheid of de poëzie van het absurdisme die je op straat treft me meer vervullen dan panoramische vergezichten. Net op het moment dat ik alweer een interessante Albanees voorbij liet wandelen, zag ik een beeld waar elke procrastineerder zich in herkent en die de urenlange tocht door achterbuurten in één klap goedmaakte. Ik trok, alvorens me met iso-waarden en scherpte/diepte bezig te houden, snel een eerste proeffoto. Pas nadien viel mijn toestel uit. Ik was vergeten de batterij op te laden. Het was alsof ik een soldaat was die met één losse flodder naar het front was vertrokken…

Een ‘compromis à la Belge’ in het hart van Tirana, Albanië

In februari lijkt het alsof je de enige toerist in Albanië bent. En opnieuw sloeg ik de wijze woorden van de fotograaf in de wind, liet de bergen links liggen en nam de publieke bus naar Dürres – het Napels van Albanië. Het is een oude badplaats met tal van Romeinse sites, waaronder een goed bewaard amfitheater, en het is nog steeds de belangrijkste havenstad van het land. Het is een broeierige, chaotische plek en ook hier kijken de stadsplanners zedig weg wanneer lokale Trumpisten hun wilde toekomstplannen ontvouwen. Dürres is een bevreemdende combinatie van containerschepen en palmbomen; van zwerfvuil en natuurschoon. Zowel ten noorden als ten zuid van de haven strekken ellenlange stranden zich uit en schouder aan schouder wachten hotels, die net dat tikkeltje grandeur van de Promenade des Anglais missen, op het aanbreken van het nieuwe seizoen. In afwachting hield het niet op met regenen. En er is weinig dat me meer opvrolijkt dan een natgeregende badplaats tijdens de wintermaanden. In mijn hoofd speelde zachtjes de melodie van ‘It Never Rains in Southern California‘ op constant repeat.

De lege hotels hadden hun prijzen zodanig laten zakken dat ik voor een habbekrats in Two Guitars – een plek waar kitsch en comfort een onafscheidelijk duo vormen – een kamer kon boeken. In de uitgestorven hotelgangen croonde Julio Iglesias zijn meligste hits. Het was enkel nog wachten op de komst van David Lynch om de desolate sfeer op pellicule vast te leggen. Two Guitars was het geschikte decor om me ’s avonds in bed te verlustigen in de sensuele uitspattingen van Tennessee Williams die in zijn autobiografie prachtig zijn onstelpbaar verlangen naar lillend vlees beschreef.

Samen met de regen was ook de wind komen opzetten. Maar dat deerde niet, want de tristesse van verlaten stranden stemde me gelukkig. De natgeregende terrassen hadden Harry Gruyaert ongetwijfeld tot het maken van iconische foto’s geïnspireerd, maar ik ging naar binnen in een – jawel! – Italiaans restaurant. Vermits ik de enige klant was, vroeg ik aan de bejaarde eigenaar of zijn zaak open was en hij knikte bevestigend.

Hoewel de jongere generatie zeer degelijk Engels spreekt is de toeristische voertaal van de oudere Albanezen het Italiaans. Nadat ik enkele minuten naar het tafellinnen had gestaard stond de patron met een notaboekje in de aanslag naast mij om de bestelling op te nemen. Hij sprak Engels noch Duits. Een uitstekende gelegenheid om mijn basiskennis Italiaans op te frissen.

We keken beiden door de aangedampte ramen naar de overkant van de Adriatische zee waar Bari in het verleden veel Albanese vluchtelingen had opgevangen. Zijn kinderen en kleinkinderen, vertelde hij, woonden nu in Genua en hadden allicht – zonder dat ze er erg in hadden – in de middeleeuwse stegen de grote Leidse dichter Ilja Leonard Pfeijffer gekruist.

Maar ter zake. Uit de diepste krochten van mijn geheugen toverde ik Italiaanse volzinnen tevoorschijn en bestelde een risotto met asperges en Taleggiokaas en een glas rode wijn. De eigenaar was verheugd dat we een gemeenschappelijke taal deelden en trok zich terug in de keuken.

Niet veel later bracht hij me scampi in een jasje van gerookt spek met cocktailsaus en een glas witte wijn.

Pas halverwege de voorlaatste dag hield het op met regenen en brak de zon door. Opgetild door het licht zag Albanië er tropischer uit en merkte je, zeker op het strand van Dürres waar oude vrouwen het afval van de vorige zomer aan het opruimen waren, de toeristische mogelijkheden – maar de meeste mensen die ik sprak bleven in zichzelf gekeerd. Gereserveerd. Als anarchistische Japanners. En meer en meer verzonk ik in eenzaamheid en donkere gedachten. Wat had ik in mijn leven nu eigenlijk al gepresteerd? Terwijl ik me vertwijfeld afvroeg of lanterfanten een vluchtweg of een uitweg was, stapelden aan de buitengrenzen van de oude Sovjet-Unie de dreigende wolken zich op. De frustraties omwille van mijn tekortkomingen ruimden baan voor zorgen uit het verleden die de toekomst van de volgende generaties zouden kunnen kleuren.

Meer en meer liet ik op de hotelkamer ‘Memoirs’ onaangeroerd en scrolde gehypnotiseerd naar allerhande nieuwssites. Aan de grens met Oekraïne geraakte Vladimir Poetin verstrikt in zijn web van leugens en in Albanië – een land dat door de ideologische waanzin van één man naar de afgrond was gedreven – voelde de wind waarmee hij Koude Oorlog nieuw leven inblies des te killer aan. De kilte van de hoogdagen van Koude Oorlog waren terug. De kilte van de dagen dat we dachten dat de bom elk moment kon vallen en we daarom in afwachting in jeugdhonken dansten op de muziek van Joy Division.

De meeste mensen mogen dan deugen, wat heb je aan die wijsheid als zij die deugen postbode of tennisleraar of gordijnrailspecialist of dichtertje zijn.

Jolanda had in mijn reisgids een foto van zichzelf verstopt uit de tijd toen onze liefde nog pril en bandeloos was. Ze straalde in de lens met de zorgeloosheid van een vergulde jeugd, ook al liep die jeugd op haar laatste benen. Maar ook met de zorgeloosheid van een tijdperk – de jaren negentig van de Twintigste Eeuw – waarin het Einde van de Geschiedenis was aangekondigd en (You Gotta) Fight For Your Right (To Party) van de Beastie Boys de Internationale als volkslied verdrong. Het liberalisme had gezegevierd. Nooit zou er een oorlog tussen twee landen met een McDonald’s uitbreken. Hier en daar ontkiemden voorzichtig zelfs nieuwe democratieën en in Rusland stond een man van vlees en bloed aan het hoofd die, zolang de aanvoer van wodka niet stokte, er niet aan dacht de recent verworven vrijheden de kop in te drukken.

Leefden we dan toch in de best mogelijke van alle mogelijke werelden? Of in een kortstondig fata morgana?

Langzaam begonnen totalitaire regimes aan een Reconquista en vertrappelden de ontluikende democratieën. Maar geleerde pennen stelden ons sussend gerust en vertrouwden ons toe dat het aan de tijdsgeest lag en dat we ons vooral geen zorgen moesten maken.

Tot tijdens een nacht in februari Rusland buurland Oekraïne – het armste land van Europa – binnenviel en het avondland ruw ontwaakte. Het vuur van de eerste bominslagen was nog niet gesmeuld of beroepspacifisten stoften hun favoriete mantra af en prevelden ‘Door onze schuld, door onze schuld, door onze grote schuld’ en zagen opnieuw heil in het aanbieden van de andere wang. Een enkeling had zelfs de onbeschaamdheid om het opnieuw over ‘Finlandisering’ te hebben en ik zag mijn vader weer in woede ontsteken telkens een nitwit met een doctoraat met deze lafhartige witte vlag zwaaide.

Ver van huis, ver van vrouw en dochter, ver van de inslaande bommen werd ik door weemoed overmand. Zouden de schaarse democratische vlekken op de wereldkaart weerbaar genoeg blijken om in deze weerbarstige tijden niet ten onder te gaan?

Op mijn laatste ochtend in Albanië bezocht ik in Shkodër de Site of Witness and Memory – een museum dat de misdaden van een losgeslagen regime herdenkt. En in de koude cellen hoorde ik hoe Luc De Vos van Gorki, met zijn in Weltschmerz gedrenkte stem, troostend in mijn hoofd de machtige slotregels uit zijn onverwoestbare klassieker Ooit Was Ik een Soldaat zong.

dan zal ik niet ten onder gaan

dan zal ik niet ten onder gaan

dan zal ik niet ten onder gaan

Kan de toekomst van Tirana zich aan haar verleden ontwortelen?
Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

De ballade van de vallende sneeuw

Niemand liep statiger rechtop dan Herr Biener. Al van ver zag je hem in de ochtendnevel van Zermatt schrijden, gehuld in een rode winterjas van de Zwitserse skischool. Immer punctueel; immer voorkomend. De ski’s keurig over de rechterschouder gedrapeerd. Hij leek met zijn grijze haren en getaande huid op de laatste telg van een eeuwenoud adelijk geslacht en had, in de periode dat punkers in Londen furore maakten, de uitstraling om met een handkus weg te komen.

Ook in de jaren zeventig van de twintigste eeuw was Zermatt gestold in de tijd. Auto’s – met uitzondering van elektrische – waren verbannen naar de buitenwijken. Dames in bontjassen lieten zich vervoeren door koetsiers met paard en kar en in de winkeletalages lagen verse streekproducten naast luxegoederen waar niemand de noodzaak van begreep. Rolex. Bulgari. Pierre Cardin. Ze streden om de aandacht van flaneurs voor wie de après ski al na het ontbijt begon. Maar de lucht was er zuiver en het uitzicht, dankzij de iconische Matterhorn, majesteitelijk. Zermatt was al een Groen Utopia lang voordat de ecologisten havermelk hadden ontdekt.

Tijdens mijn kinderjaren gingen we er met de familie skiën. Meestal sliepen we in hotel Alex en soms in een chalet waar vader, in afwachting van het avondeten, hard moest lachen met de cartoons van Wolinski. Maar steeds stonden we rijkelijk vroeg in vriestemperaturen op de komst van Herr Biener te wachten. Vader gaf, ondanks zijn Zwitsers afstamming, niet de indruk zich bijzonder te verheugen op een zoveelste dag in de bergen. Het voelde meer aan als een vrijetijdsverplichting waar niet onderuit te komen viel. Liever was hij in de bar blijven hangen met een stukgelezen pocket en een flinke dosis cynische oneliners om aan de andere brompotten te laten zien dat zijn kijk op de mensheid nog zwartgalliger was.

Denk vooral niet te lichtvaardig over de goede oude tijd want het wàs behoorlijk hard werken. De ski’s waren – in tegenstelling tot nu – loodzwaar, de botten deden overal pijn en aan de wandelexpedities naar de skistations kwam maar geen einde. Eenmaal aangekomen bij aftandse skiliften schuifelde een lange rij wachtenden voetje voor voetje moedig voorwaarts. En nog was de ellende niet voorbij! De zeildoeken van de stoeltjesliften zaten vol gaten waarin de wind vrij spel kreeg en stoffige dekens hielpen enkel symbolisch tegen de winterkou. Want wat kon het in het hart van Rolex-land guur weer zijn. Half bevroren kwamen we boven op bergtoppen met wondermooie namen als Gornergrad, Stockhorn of Rote Nase. Eenmaal aangekomen werden we meestal door sneeuwstormen opgewacht.

Maar telkens opnieuw voltrok zich een wonder. Herr Biener vroeg om aandacht en sneed een paar bochten aan die zo elegant, zo perfect waren dat alle leed meteen geleden was. Al slalommend metamorfoseerde hij van een grijze vijftiger in een poeët op skilatten. Tussen zijn ski’s kon je nog geen velletje rijstpapier steken. Het oogde zo mooi, zo gracieus. Als kind keek ik gebiologeerd naar de sporen die hij in de sneeuw achterliet en probeerde, net als hij, de perfectie te benaderen. Enige ademruimte tussen de ski’s laten was een doodzonde. Ook al daalden we van zwarte pistes af – zoals het sinister klinkende Untere National – ik trachtte, net als mijn grote voorbeeld, de latten klemvast tegen elkaar te houden. En dat lukte wonderwel want ik was begiftigd met skitalent. Op ski’s bleek ik een balletdanser die op goede dagen de sierlijkheid van Nureyev benaderde.

De eerste keer dat mijn ouders me meenamen was ik vier jaar oud en mocht ik de hele dag onbewaakt aan de voet van een skilift in de sneeuw spelen. Het was in het Italiaanse Cervina aan de minder fotogenieke kant van de Matterhorn. Af en toe hielden ze halt en zwaaiden me vanuit de verte geruststellend toe vooraleer opnieuw, opgetild door een skilift, in het Grote Niets te verdwijnen. Het daaropvolgende jaar werd ik samen met enkele tientallen andere huilende kinderen in een skiklas gestoken waar we de godganse dag dezelfde heuvel opklauterden en tijdens de afdaling elke anderhalve bocht omvielen. En dan brak de Herr Biener-periode aan. In een oogwenk had hij mij en mijn zus de basisbeginselen van de skikunst aangeleerd zodat we onze ouders tot in de verste uithoeken van voordien in mysterie gehulde bergkammen konden volgen.

Ach, mijn kindertijd in Zermatt. Dat was tijdens de lunch drie Schwarzwälder taarten eten; zeuren om een skihelm die ik nooit kreeg – ook niet nadat ik op een zwarte piste een bocht miste en als tienjarige tegen een rotvaart naar beneden scheurde, rakelings langs puntige rotsen scherend, terwijl moeder versteend toekeek en zichzelf haar opvoedkundig-correcte-voet-bij-stuk-houding beklaagde; zeuren om een Zwitsers zakmes met veertig opties dat ik wél kreeg zodat ik mezelf kon wijsmaken zelfredzaam te zijn; in de bar luisteren naar in drank gedrenkte verhalen vol witzen die vader en oom Theo op elkaar afvuurden; in diezelfde bar mijn eerste Olympische Winterspelen zien. Innsbruck 1976. Spelen waar de Tsjecho-Slowaakse IJshockeyploeg de ongenaakbare Sovjet-Unie – bijgenaamd de Rode Machine – zo vinnig weerwerk bood dat le tout Zermatt een vreugdeorgasme kreeg. Die avond vertelden vader en oom Theo over de misdaden van communistische regimes en als de Grote Communistische leiders hun oor aan de toog van hotel Alex te luisteren hadden gelegd, hadden ze beschaamd hun politieke functies neergelegd. Voor het eerst hoorde ik ook het geheimzinnige woord Schnaps. Voor het eerst droomde ik weg bij de schoonheid van de namen van skifabrikanten: Blizzard, Le Coq Sportif, Rossignol en het onoverwinnelijk klinkende Fischer Sports.

Zermatt was ook: overtuigd zijn dat er een ware Olympiër in mij verscholen ging. Telkens hoopte ik dat we volledig zouden worden ingesneeuwd zodat ik, afgesloten van de buitenwereld, de rest van het schooljaar niets anders hoefde te doen dan in schuss als een raket naar beneden te vliegen.

Nadat vader op de top van een berg een angstaanval had gekregen en zijn ski’s aan de haak had gehangen, ontdekten we dat er buiten Zermatt nog andere wintersportplekken waren. Maar waar we ook verbleven: élke skileraar werd met Herr Biener vergeleken. De lat lag hoog – en niemand zou ooit zijn sierlijkheid evenaren, laat staan overtreffen – maar als de kinderen van de familie Komkommer vonden dat een leraar ‘bijna zo goed als Herr Biener was’ dan had hij het allerhoogste bereikt.

In Madonna di Campiglio hadden we het geluk zulk een leraar te treffen. Hij was een gedistingeerde Italiaan die eveneens finesse boven panache verkoos. Maar in Madonna di Campiglio – een heerlijke naam die het dorp nog meer cachet schonk dan het al had – ontdekte ik nog iets anders: het plezier om vrij te skiën. Zonder een leraar die toekeek of ik niet buiten de lijntjes kleurde. Zonder een kennersoog dat elke hapering meteen doorzag. Met twee andere Belgische tienerjongens die ik in het hotel had leren kennen trokken we heelder dagen de bergen in. Geen van mijn twee kompanen had finesse, maar de lichtste én brutaalste van de twee had panache voor tien. Als een adelaar die een prooi ontwaart dook hij naar beneden en hij had in zijn race tegen de tijd lak aan alles en iedereen. En zeker aan etiquette. Grootmoeders werd de pas afgesneden, kinderen omver geskied en proteststemmen met een opgestoken middelvinger de mond gesnoerd. Op een dag ontdekten we de piste waar jaarlijks de wereldbeker afdaling van Madonna di Campiglio plaatsvond en er hing een bord met de einduitslag van de laatste wedstrijd. Gewonnen door Franz Klammer, de legendarische Oostenrijkse afdaler. Vanaf dan hadden we nog maar één doel voor ogen: de tijd van de grote kampioen benaderen. Eerst kwamen onze chrono’s niet eens in de buurt. Maar niet getreurd. Telkens opnieuw ging het met een helse vaart naar beneden en met de skilift weer naar boven. Snel werd sneller. Sneller werd pijlsnel. En het verschil met de afgeklokte tijden van de grootheden slonk zienderogen. Wat we tekort kwamen aan techniek en lichaamsgewicht overcompenseerden drie vijftienjarige jongens door roekeloosheid. Doodsverachting moest gebrek aan scholing goedmaken. De zo goed als verlaten piste werd onze Heimat. Na één week kenden we elke bocht, elke ijsplek, elke uitstekende rots.

Het was de laatste afdaling van de laatste middag van onze vakantie en we waanden ons klaar voor eeuwige roem. Nog een laatste keer keken we naar de te kloppen tijd van Franz Klammer, drukten de chrono’s in en gaven ons over aan de wetten van de zwaartekracht. Schuss. Als betere skiër nam ik een kleine voorsprong, maar toen de snelheid me té hoog werd, remde ik lichtjes af en werd voorbijgevlogen door een alle kanten opstuiterende kanonbal. Het was de lichtgewicht van ons triumviraat die onbevreesd duelleerde met de schaduw van Franz Klammer. Hij danste een tango met de dood, maar elke keer liep het nét goed af. Elke keer hield hij zich wonderlijk genoeg net staande. Hoewel ik nooit sneller skiede verdween hij onherroepelijk als een stip achter de horizon en ik zag hoe de Oostenrijkse kampioen het Belgische opdondertje maar niet van zich kon afschudden.

Uitgelaten stond hij aan de meet te zwaaien. ‘Jo!Jo! Wat is mijn tijd? Mijn chronometer is onderweg stilgevallen. Maar dit was pure waanzin. Wat een afdaling!’

Nooit zullen we weten of een jongen uit België de snelste afdaling ooit in Madonna di Campiglio neerzette.

Aan stoere verhalen op het schoolplein geen gebrek en zo kwam mijn leraar wiskunde, zelf een uitstekende skiër, op het idee om met een selecte ploeg van de Steinerschool deel te nemen aan een tornooi op de borstelskipiste van Casablanca in ‘s-Gravenwezel – het dorp waar de grootste Belgische skiërs vandaan komen. Zo eindigde uitbater en dorpsgenoot Ricky Mollin ooit veertigste op de Olympische Winterspelen van Lake Placid. Tijdens de heenweg in de auto klonk ik zegezeker en probeerde indruk te maken op de zusjes Moïra en Aileen die ook niet inzagen hoe de overwinning me kon ontglippen. Zwitserse oma, opgegroeid in ‘s-Gravenwezel, leerling van Herr Biener: alle voortekenen waren er. Wat kon er mislopen? Goed, de tegenstanders waren niet bepaald kneuzen. Zelden zoveel technisch begaafde Belgische skiërs bij elkaar gezien. Maar toch. Bovenaan de skipiste keek ik uit over de landerijen van mijn dorp, bestudeerde de ideale lijn en hoorde het startschot weerklinken. Als een duivel dook ik naar beneden. Het enige waar ik geen rekening mee had gehouden was de ondergrond van de piste. Nooit eerder had ik op borstels geskied en het remmende effect verraste me compleet. Na vier poorten verliet ik de ideale lijn én het tornooi.

Skikampioenen uit ‘s-Gravenwezel laten zich niet afschrikken door het zwartste Spaanse zwart

Halverwege de jaren tachtig geraakte de wereld in een stroomversnelling. Skivakanties kwamen en gingen en de stoet die in de wintermaanden op sneeuwpret vertrok werd steeds langer. De muziek op de pistes werd luider, de kleren bonter, de ski’s korter, de liften sneller. Gedaan ook met urenlange ochtendwandelingen in slechtzittende botten naar verafgelegen skiliften, want hotels en appartementen werden in het yuppie-tijdvak op of naast de piste gebouwd, zodat je enkel nog je bed moest uitrollen en je zonnebril opzetten. De zetelverwarming in stoeltjesliften begon aan een onstuitbare opmars en zelfs in Zermatt werden de laatste ongewassen dekens definitief opgeborgen. Waar de voertaal in de bergen eerst Schwyzerdütsch was, klonk er nu – zeker na de val van de muur – in de steeds vlotter opschuivende wachtrijen een bonte mengeling van talen. Russisch. Hebreeuws. Nederlands. Zelfs het Kempisch van de kant van Olen-fabriek liet van zich horen. Babylonië in de Alpen.

Mijn puberjaren vielen samen met de Club Med-periode en hun skileraren waren nog actiever naast dan op de piste en sneden, terwijl ze oma’s tutoyeerden alsof het femmes fatales waren, onderwerpen aan waar Herr Biener – die enkel Sie-soyeerde – nog nooit van had gehoord. Het mocht allemaal scheller. Het mocht losser. ‘Allez les nanas, nous allons bronzer!’ En ze bekritiseerden, tijdens de schaarse momenten dat ze niet aan het flirten waren met het mooiste meisje van de klas, mijn skistijl die in hun ogen té klassiek, té Zwitsers, oogde. ‘Hou je ski’s niet zo krampachtig tegen elkaar! Vier de teugels. Vier je vrijheid!’

Zelden sloeg ik een winter over. Vanaf mijn twintiger jaren ging ik met vrienden skiën en sliepen we in bezemkasten waar je je koffer nog niet kon keren. Of in 1-sterren hotels zoals het ter ziele gegane hotel de France in het dorpje Isola aan de voet van Isola 2000. In het dorp was het wachten tot de laatste levende ziel was vertrokken, maar in het hotel regeerde een oude matrone. Ze mopperde achter de balie over het reilen en zeilen van de wereld en keek erop toe dat geen onverlaat het in zijn hoofd haalde met een kredietkaart te betalen. Haar werk werd verlicht door twee uitstekende krachten: een aantrekkelijke vrouw met zwarte netkousen die zich het nachtleven van Isola anders had voorgesteld en een Parijse homo die het wilde nachtleven juist was ontvlucht. Hij was een grote zwarte man die elke dag een ander fluoriscerend strikje in zijn haar droeg en ons toevertrouwde dat hij Fifi heette. De prestigieuze dagen van hotel Alex waren voorbij maar de lachsalvo’s aan tafel klonken luider dan ooit.

Het voorgoed gesloten Hotel de France waar ooit keizer Fifi de plak zwaaide

De jaren kropen gestaag voorbij en de tijd brak aan om de skifakkel aan de volgende generatie door te geven. Een goed decennium – zeg maar van de dood van paus Johannes Paulus II tot aan het aftreden van paus Benedictus XVI – trokken we met bevriende koppels en hun opgroeiende kinderen naar de bergen. Dankzij de opwarming van de aarde duurde het elke nieuwe winter wat langer vooraleer we de eerste sneeuw zagen en steeds hoopte Jolanda – die hield van bergen, maar minder van bergsporten – stiekem dat er deze keer geen vlokje was gevallen, zodat het hele skiën niet doorging en er meteen Bombardino’s konden gedronken worden.

Ook nu werden er aan de ingang van skiklassen zilte kindertranen gestort. En kostte het geduldig diplomatiek overleg om opstanden in de kiem te smoren. Maar met de dag zag je de toekomstige hemelbestormers vooruitgang boeken. En waar de kinderen eerst nog om de anderhalve bocht vielen, daalden ze al na enkele lessen als wervelwinden naar beneden. Nadat dochter Zoé brons had gewonnen in een onbeduidende wedstrijd tegen onbeduidende tegenstanders was de tijd aangebroken om haar vleugels uit te slaan en zonder haar ouders op wintersport te gaan. Je smeert een paar bussen zonnecrème factor 50 leeg en een nieuwe generatie is opgestaan en voorgoed vertrokken.

Dankzij een halve eeuw skiën op het Europese continent stapelden de herinneringen zich op. Mijn hoofd is een verzamelplaats vol chaotische flarden. Een ongeordend archief vol anekdotes die op onbewaakte momenten uit lades vallen. Een willekeurige greep.

Moeder die vertelde dat ze op haar eerste skivakantie – ze was achttien en smoorverliefd – aan haar vriend niet wou toegeven dat ze nog nooit had geskied. Na drie bochten viel ze, brak haar been en werd de rest van het verlof naar de après-ski gedragen. In Tignes was ik als vijftienjarige weg van een geestig Engels meisje met wilde krullen en terwijl ik achter haar skiede, neuriede ik You’re Gonna Lose That Girl van The Beatles. De verbazing van mijn Mexicaanse vriend Horacio – die de Amerikaanse poedersneeuw gewoon was – nadat hij op de met ijs bezaaide pistes van de Franse Alpen enkele bochten had genomen: ‘You call this crap snow? No wonder you Europeans win all the olympic medals.’ De wonderlijke finesse van een Nederlands meisje met een klare kijk en een scherpe tong – zonder meer de beste skiester waar ik ooit mee op vakantie ben gegaan – die op de allermoeilijkste afdalingen kon vertragen en een toonbeeld was van beheerste elegantie. De sfeer tijdens sneeuwstormen wanneer Italiaans en andere Mediterrane talen plots uitgestorven leken en je op de piste enkel nog Duits en Nederlands hoorde; ook herinner ik me hoe mijn droom een kampioen te worden aan diggelen viel toen ik de Franse Olympische ploeg voorbij zag skiën en besefte dat we een compleet andere sport beoefenden; of die ontelbare keren dat ik met vrienden naar beneden vloog en we in onze zucht naar tinnen glorie net geen ongelukken veroorzaakten. Of de steeds weerkerende vreugde van een Amerikaanse vriendin die op een bergtop in de zon alle zorgen van zich laat afglijden en het niet kan nalaten The hills are alive with the sound of music te zingen. De schoonheid ook van de namen van sommige skistations en dat ik alleen daarom, om een lichte teleurstelling te vermijden, nooit naar Cortina d’Ampezzo wil gaan. Het tot mijn grote schrik uit het niets opduiken van de allereerste – en als snel ook de allerlaatste – monoskiër. En de onstuitbare opkomst van de snowboarders. Wat had Herr Biener van al die nieuwlichterij gedacht? Maar ook: hoe het niveau – van de skiërs en van het materiaal – steeds maar bleef verbeteren. De zondagskiërs van vandaag zijn de olympiërs van eergisteren.

Maar vooral herinner ik me die ene winter in Verbier toen ik vader – die al jaren was gestopt met skiën en uit pure balorigheid zich een week weigerde te wassen en te scheren – de kroeg waarin ik zat zag binnenkomen en het gevoel van eenzaamheid dat hij uitstraalde.

Telkens wanneer de eerste sneeuw valt maak ik me klaar voor een zoveelste skitrip. En wat blijft het een machtig gevoel: boven op de top van een besneeuwde berg staan, de zon voelen opkomen en me naar beneden laten glijden. Zeker van mijn stuk. Dansend op skilatten. Al slalommend de wetten van de zwaartekracht tartend. Bij elke perfecte bocht skiet in gedachten Herr Biener met me mee en na elke technische aarzeling schudt hij meewarig het hoofd. En elke skivakantie komt onherroepelijk dat ene gelukzalige moment. In een rotvaart gaat het naar beneden. De wind suist rond mijn oren, andere skiërs worden gereduceerd tot figuranten en opgejaagd door een onbereikbaar doel raas ik de piste af. De oude spieren verjongen, rimpels verdwijnen, de botten weigeren te kraken. Kortstondig vervel ik tot een jongere versie van mezelf die de tijd inhaalt, voorbijsteekt en stolt.

Een fractie van een seconde ben ik weer een jongen van vijftien die in Madonna Di Campiglio op zoek gaat naar eeuwige roem.

Een winterochtend in het Avondland
Geplaatst in Uncategorized | Tags: | 2 reacties

De dag dat de regenwolken kwamen

‘Mannen, ik geef het jullie op een briefke: da komt ier ni goe.’

Zelden had de lobby van hotel Ibis in Dinant een geslagenere aanblik geboden. Dinant was de startplaats van onze jaarlijkse fietsreis, maar anders dan vooraf gepland schitterde het zonlicht door afwezigheid. Het mocht dan volgens de kalender die 13de juli 2021 volop zomer zijn, buiten miezerde het met de panache van een herfstdag in de Schotse Highlands. Als geslagen honden keken de fietsvrienden gebiologeerd naar het Waalse weerbericht en zagen hoe, althans volgens simulaties, morgen de regen naar beneden ging gutsen. Onderaan in beeld verscheen de waarschuwing dat we ons aan ‘code orange‘ mochten verwachten. Ingenieur Carl schudde meewarig het hoofd en knoopte zijn sjaal steviger dicht.

De opeenvolgende coronagolven hadden ons overtuigd een fietstocht in onze achtertuin te plannen en zo viel de keuze op Parijs als eindbestemming. Omdat de Chileense fabulant Marcelo andere verplichtingen had, bestond het peloton uit zes renners: dandy Tom, CEO van WAS Carl, Gentenaar Geoff, poolshark Bart, bourgondiër Filip en ik. Veertien juli zou in het Waals stadje waar Adolphe Sax de saxofoon had uitgevonden het startschot weerklinken van de kleine ronde van Frankrijk, maar sportdirecteuren Geoffroy en ik hadden als aanloop een lange proloog gepland: Antwerpen – Dinant. Tot Leuven ging het met de trein gaan en vanaf dan kropen we op onze koersfietsen om pas aan de voet van de Notre Dame terug af te stappen. Tenminste, dat was het plan. Omdat Filip en Carl de dag van de proloog nog moesten werken, vervoegden ze ons de avond van de dertiende. Zo misten ze een heerlijke, meanderende tocht door een heuvelachtig Brabant en langs de oevers van de Maas. Onderweg werden we opgejaagd door dreigende wolken, maar pas in Namen draaiden de hemelsluizen volledig open. Verkleumd bestelden we op een terras tegenover het treinstation cappuccino’s en pintjes. Sportdirecteur Geoffroy, een warme voorstander van t-shirt weer die vaak vergeet dat hij van een geslacht van Flandriens afstamt, kapte nog een pression naar binnen, stond op en zei: ‘Als ik aan iets een hekel heb dan is het aan fietsen in de regen. Gasten: ik neem de trein en zie jullie wel in Dinant!’ En weg was onze Gentenaar.

Een goed uur later stonden we natgeregend in de hotellobby. De toon van de weermannen op het kleine scherm klonk hoe langer hoe zorgwekkender. En ook de computersimulaties vol donder en bliksem beloofde weinig goeds voor de dag van morgen. Het peloton liet de cocktails aanrukken en de schouders hangen. Mijn poging om de onheilstijding te relativeren bracht weinig zoden aan de dijk.

‘Jullie weten toch ook dat de media altijd overdrijven. Ze gedijen bij het oppoken van angst en het uitvergroten van conflicten. Herinneren jullie je nog de krantenkoppen van enkele maanden geleden? Om ter luidst werd er geroeptoeterd dat er vanwege de uitblijvende regen een groot watertekort dreigde en vanaf de zomer de volledige Belgische industrie moest stilgelegd worden. Van de Maas ging er niet veel meer overblijven dan een sompig modderstroompje. Geloof me nu maar: het gaat reuze meevallen. Ik zal niet beweren dat we onderweg geen druppel gaan zien, maar veel spectaculairder dan een occasionele bui gaat het toch niet worden. Ik ga de 120 km tot Clermont-les-Fermes sowieso fietsend afleggen. Bovendien zijn er weinig andere mogelijkheden. In zulk een onooglijke plek kan je moeilijk met de TGV geraken. Of met de Blue Origin van Jeff Bezos. Laat jullie niet afschrikken, heren. Wie sluit er mee aan?’

Er viel een stilte. Enkel Bart had vertrouwen in mijn klimatologische kennis en knikte bevestigend. De anderen weifelden. Wegenkaarten en spoorboekjes werden bovengehaald en met rillende schouders zochten zes heren, die hadden gehoopt op een Bourgondische vierdaagse, naar alternatieven.

‘Zeg, Jo en Geoff: jullie hebben de reis gepland en gebaseerd op de route van Paul Benjaminse die vaak parallel loopt met de Ravel 3. Kunnen we niet ergens een flink stuk van het parcours afsnijden?’

‘Denk je dat we onze vrouwen zo gek krijgen ons naar het hotel te brengen? Vast wel. Zeker als ze weten dat ze samen met ons naar de Tour de France mogen kijken! Wie belt zijn geliefde met het verheugende nieuws?’

‘En als we nu, net zoals toen in Cuba, een bus van Van Hool huren en die volstouwen met onze fietsen en bagage?’

‘Anders charteren we toch gewoon een limousine, zoals tijdens die stormachtige dag aan de Côte d’Azur.’

Vanaf het avondmaal – bij een Griek op wandelafstand van hotel Ibis – tot aan het ontbijt was er maar één gespreksonderwerp: hoe de zondvloed te omzeilen? Geoffroy, die tot dan toe verdacht stil was gebleven, zag hoe buiten de wolken zich opstapelden en gooide een splinterbom in de groep.

‘Geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt in die gure omstandigheden te fietsen. Maar ik heb fantastisch nieuws. Links en rechts heb ik wat informatie ingewonnen en een dame wil ons voor tachtig euro de man in haar taxibusje tot Chimay brengen. Er is plek voor vier mensen. Wie komt er mee?’

Zijn oproep had beduidend meer succes dan de mijne en nog voor de eerste druppel was gevallen, hadden Carl, Filip en Tom zich ingeschreven. Ineens klaarde de stemming aan de ontbijttafel op en grootmoedig viel er zelfs een compromis uit de bus: na de lunch in Chimay zouden de heren allemaal op de fiets stappen, zodat we de laatste zestig kilometer au grande complet konden afhaspelen. Als een mantra herhaalden de wielerhelden, terwijl ze de charcuterie doorgaven, hun nieuwe slagzin: ‘Na een goede maaltijd nat worden, daar kunnen we à la limite nog mee leven. Maar de hele dag klammig en verkleumd rondrijden: forget it.’

De vier musketiers zwaaiden de laatste twee Mohikanen uit. Langs de oevers van de Maas trokken Bart en ik zuidwaarts in een van de allermooiste stukjes België. De ons omringende natuur was prachtig, zeker waneer de nevel en mist en laaghangende wolken er een magische toets aan schonken; de oprijzende heuvelflanken waren volgebouwd met kastelen en villa’s, stille getuigen van een glorierijk verleden. Het leek of we in een ouderwetse reisgids van een Alpenland rondfietsten, zonder dat kneuterige Fachwerkhausen het magistrale uitzicht ontsierden. In een strak tempo reden we voorbij de ene na de andere toeristische trekpleister. Minigolfclubs. Jachthavens. Fluisterboten. Gîtes. En meer sprookjeskastelen dan Ludwig II van Beieren zich bij elkaar had durven dromen. Ondanks onze doortocht lagen de straten er verlaten bij. De immer gastvrije Walen gaven niet thuis en bleven binnen schuilen voor wat de toekomst brengen zou. Hoewel de grijze lucht geen glimp zonlicht doorliet, bleef het droog. Bart en ik waanden ons triomfators en prezen onze juiste inschatting van de zo opgeklopte mediastorm.

‘Had ik het niet voorspeld, hè? Geen spatje regen gaat er vandaag vallen. De Carl ook altijd: die blijft maar geloof hechten aan de meest pessimistische scenario’s. Haha. Nu zitten zij straks in een of andere stomme minibus te puffen, terwijl wij door een wonderbaarlijk landschap fietsen.’

In de hotellobby liet Carl zich niet onbetuigd en bestookte ons met een stortvloed aan apocalyptische twitterberichten.

Mijn sussende woorden waren nog niet koud of de hemelsluizen draaiden open. Eerst behoedzaam, als de teen van de voorzitter van een IJsbeer-zwemclub vooraleer hij het water induikt, maar al snel viel de regen met ware doodsverachting naar beneden. Twee bochten verder waren we doorweekt. Nog drie bochten en een helse beklimming later hadden we de oevers van de Maas verlaten en fietsten we op een kilometerslang bospad. Dwars door een Ardens woud in de achterlanden van Marienbourg. De overhangende bladeren boden beschutting en onze wieleruitrusting hervatte moed en begon op te drogen. De kilometers maalden weg en vreemd genoeg schoot het goed op. Twee eenzame fietsers die de natuurelementen trotseren: dat gaat een stuk sneller dan een peloton van zes; want er moest niet om de haverklap gestopt worden voor een koffiepauze of een lekke band of een plaspauze of een hongerklop. En opnieuw dreven Bart en ik de spot met de vier achterblijvers die verveeld uit het raam van een taxibus staarden. En dat allemaal vanwege, ocharme, drie regendruppels!

Toch zag het wegdek er gehavend uit. De natuurelementen hadden lelijk huisgehouden. Bomen waren uitgerukt, takken afgebroken en regelmatig kolkte het regenwater zodanig onze kant op dat we moesten afremmen en langsheen hindernissen laveren. Al fietsend wezen we obstakels aan en riepen op voorzichtig te zijn. De afmetingen van de afgeknakte bomen waren soms indrukwekkend. Maar het exemplaar dat aan de horizon over het wegdek geveld lag overtrof alle verwachtingen. Het was reusachtig. Een verdwaalde baobab die het had gehad met de Afrikaanse oerwouden en zijn geluk in de Ardennen wou beproeven. Aan de zijkant liet de gigant nog net voldoende ruimte voor één fietser. Waarschuwen leek me overbodig en ik zette me voor Bart, manoeuvreerde langsheen de uitstekende wortels, keek recht vooruit en pikte de draad van het gesprek weer op.

‘Denk jij dat Filip al een goed restaurant voor de lunch heeft uitgekozen?’

Achter mijn rug hoorde ik een verschrikkelijk gekraak, gevolgd door een onheilspellende stilte die een een seconde lang aanhield en eindigde met een harde klap op het Ardeens wegdek. Een man van middelbare leeftijd kermde van de pijn. Verschrikt draaide ik me om en zag de ravage: de fiets was tot in de gracht gekatapulteerd en Bart was onder het bloed besmeurd en bleef maar herhalen: ‘Ik heb iets gebroken! Ik heb iets gebroken!’ Hier stonden we dan. Machteloos. Een combinatie van angst en schuldgevoel maakte zich van me meester, maar ook van verwarring: hoe bestond het toch dat hij die boom niet had gezien? Maar wat te doen? We waren mijlenver van de beschaafde wereld verwijderd, geen van ons kon een band herstellen, laat staan een breuk spalken en onze telefoons hadden geen bereik. Er zat niets anders op dan het onafwendbare noodlot af te wachten en maar het beste te maken van onze laatste uren op aard. Tot bleek dat Bart ‘Ik heb niets gebroken!’ had gezegd. Ook zijn fiets had de aanrijding ongeschonden overleefd en de weg naar Chimay werd hervat. Maar af en toe voelde hij een stekende pijn in zijn linkerpols.

‘Denk jij dat onze vrienden al aan het aperitieven zijn? En waarom knalde je in godsnaam tegen die boom op?’

‘Ik was naar mijn nieuwe schoenen aan het kijken en mijn elegante fietsstijl aan het bewonderen en had geen aandacht voor pietluttigheden zoals hindernissen op het wegdek.’

Dit twijgje had een aandachtige Bart wél opgemerkt

Na enkele kilometers waren we van de schrik bekomen en toen de telefoon rinkelde wisten we zeker dat het Filip was om te zeggen dat ze een uitstekende lunchplek hadden gevonden en onze stoelen aan het voorverwarmen waren. Maar aan de andere kant klonk een bezwaarde stilte. Het peloton had een opstand beraamd en een vrijwilliger aangeduid om het eerste schot lossen.

‘Zeg, Jo: ik moet iets bekennen. We hebben de weersvoorspellingen nauwkeurig bekeken en het gaat de hele dag blijven regenen. Niemand van ons had veel zin om in dit triestige weer op de fiets te stappen en daarom hebben we aan de dame van de taxibus gevraagd ons tot aan het hotel Chateau de Clermont te brengen. Wat een prachtige plek trouwens. Nog eens bedankt voor de reservatie. We zitten met een calvados bij de open haard en de eigenaar is een pasta carbonara aan het maken. Ik moest jullie van de andere jongens nog veel succes wensen.’

Wielerhelden sterken aan na een bewogen taxirit

Sneller dan het meest optimistische tijdsschema kwamen we in Chimay toe. Een kleine stad waar achter trieste gevels en neergelaten rolluiken veel vrolijkheid schuilgaat. In Bar du Casino gonsde het van de bedrijvigheid en diensters met overvolle plateaus baanden zich handig een weg langsheen uitgelaten families. Ook aan onze tafel werd de bestelling opgenomen en er is weinig dat me meer troost schenkt dan hét ultieme wintergerecht: een pasta carbonara. Alleen leek deze van Bar du Casino verdacht sterk op die immens treurige excuus-maaltijd waar tavernes wereldwijd graag mee uitpakken: een matige pasta bolognaise. Ik vroeg om tekst en uitleg.

Ah oui monsieur, maar de carbonara was op en de chef zal gedacht hebben: die meneer heeft vast trek in een pasta bolognaise.’

Eenmaal buiten begonnen onze opgewarmde lichamen onmiddellijk te rillen van de koude en ook de regen dàcht er niet aan een pauze in te lassen. De linkerpols van Bart bleef verdacht veel pijn doen – ondanks de diagnose van medische specialisten Komkommer en Dufoer die beweerden dat die louter gekneusd was – en een apotheekster raadde verder fietsen ten stelligste af. Maar er was geen andere mogelijkheid. Stranden in niemandsland was geen optie. We moesten doorgaan.

De rest van de middag joegen we elkaar op. Ten zuiden van Chimay werd de Franse grens overgestoken en ook hier liepen de wegen onder. Beken stroomden over, bruggen werden achter ons gesloten, auto’s spoelden weg en oude boeren toonden binnenwegen die ons verder en verder van de oorspronkelijke route voerden. Meermaals raakten we verstrikt in de modder. Meermaals liepen zijwegen dood. Uiteindelijk noopten de omstandigheden ons om het uitgestippelde parcours te verlaten – adieu, Ravel 3 – en de route départementale te volgen en het denderende vrachtverkeer voor lief te nemen. De kilometers tikten, net als de uren, weg en enkel in Versin – op een boogscheut van de aankomstplaats – hielden we halt. Net als de rest van de streek had het dorp een liefelijke maar verlaten uitstraling. Het leven was er weggetrokken. Het was in zichzelf gekeerd. De zeldzame horecazaken die nog in de heropleving van de lokale economie geloofden waren vanwege le 14 julliet gesloten – op één dappere uitzondering na. Het was een pizzatent waar niemand zich om de popularisering van glutenvrij pizzadeeg bekommerde. Maar eenmaal binnen leek het of we in een aflevering van Cheers waren beland. Aan de toog debiteerden plaatselijke kroegtijgers witzen en wijsheden. En aan de tafel naast de onze vierden de laatste hangjongeren van het dorp de nationale feestdag. Torenhoge bierglazen – Giraffe – stuwden de stemming naar uitbundige hoogtes en naast een vrouw met een figuur waar neutrale waarnemers van opkikkeren, zat een verlopen jongeman die een carrière als stand up comedian ambieerde. Zijn gebrek aan finesse maakte hij ruimschoots goed door iedereen omver te brullen.

Wijzend naar onze wieleruitrusting en ons appelgebak vroeg hij of we des pédés waren. En om ons op te geilen, poseerde hij met ontblote borsten, verleidelijk strelend over zijn tepels. Ondanks het fraaie uitzicht aten we voort en nipten stoïcijns van onze thee. Maar hij nam geen genoegen met de desinteresse voor zijn kathedraal van een lichaam en vermoedde in ons twee cultuurnichten. Waren we al in Amsterdam geweest, want dan had hij nog een gouden tip voor ons. Was er een expositie in het Stedelijk die we over het hoofd hadden gezien?

‘Amsterdam? Daar moet je naartoe. Pour les puttes!’

Maar eerst moesten we nog in Chateau de Clermont zien te geraken. De zon brak door en scheen op onze gekromde ruggen en de GPS van Bart bracht onze via overstroomde landwegen tot aan de poort van het majestueuze kasteel. Geradbraakt. Opgebrand. Honderdtwintig kilometer in helse omstandigheden het beste van onszelf gegeven en dat allemaal omdat we met een kritisch oor naar het weerbericht hadden geluisterd. Onze vrienden vertoefden ondertussen in hogere sferen. De godganse dag hadden ze zich opgewarmd aan de open haard en de nationale Franse feestdag passend gevierd met walsende wijnglazen. Mede dankzij de bewogen rit in de Tour de France, waarin Tadej Pogacar de macht had gegrepen, scheen er opnieuw licht in hun jongensogen. De kookkunsten van de eigenaar werden geprezen, evenals de stuurmanskunsten van de taxichauffeuse die tegen honderd per uur al toeterend door dorpskernen raasde. Omdat het kon. Omdat het le 14 julliet was.

‘De pasta carbonara was succulent. Wat kan die man koken, sèg. En dat met aangepaste wijnen voor zo goed als geen geld. Het is echt een aangenaam koppel dat het hotel hier open houdt en ze hebben een zevenjarige dochter en tal van huisdieren. We hebben de godganse dag een beetje rondgehangen. Wat gelezen en gekletst, naar de Tour gekeken, een paar baantjes in het zwembad getrokken. En Carl heeft het weerbericht van morgen grondig bestudeerd. Maar nu moeten jullie je haasten want we worden zo aan tafel verwacht.’

Ook de slaapkamer illustreerde de stelling van mijn vrouw Jolanda: ‘Met je fietsvrienden slaap je altijd in veel romantischere hotelkamers dan met mij.’

Maar langzaam sijpelden de berichten over het drama dat zich in Wallonië had voltrokken onze cocon binnen. De dag dat de regenwolken kwamen, had een ware ravage aangericht en diepe littekens gekerfd. Een dam brak. Een vallei liep onder. Huizen spoelden weg. Levens eindigden abrupt.

Carl nam bezorgd aan tafel plaats, opende een app met het weerbericht van morgen en toonde zich een ware aanhanger van de filosofie van Theo Maassen – ‘Pessimisme is een win-win situatie: of je hebt gelijk, of het valt mee’ – zuchtte diep en zei: ”Mannen, ik geef het jullie op een briefke: da komt ier ni goe.’

Opnieuw zwom ik tegen de stroom in en deze keer kreeg ik de jongens wél mee.

Nauwelijks twee dagen later, aan de voet van de Notre Dame, hield het al op met regenen. Om mijn gelijk te onderstrepen stak ik mijn fiets – een van een vriend geleende Eddy Merckx – hoog in de Parijse lucht.

Alleen de linkerpols van Bart bleek gebroken.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: | 4 reacties

Facebookschetsen 2021

Albanië

Ook als de actieve zin geen of een niet-gespecificeerd onderwerp heeft, kun je die zin passief maken. Je krijgt dan een onpersoonlijk passief met er.’

Ondanks het meeslepend proza van de cursus grammatica ging ik een eind met de hond wandelen. Het plan was om één van de laatste vierkante meters groen van onze stad op te zoeken, maar plots stonden Zaz en ik in een van de fraaiste tweedehandsboekenwinkels van Antwerpen. Koortsig liet ik mijn blik over de titels van vergeten Godenzonen uit de Nederlandstalige literatuuur glijden en slaakte een vreugdekreet. Tussen de bestofte parels zag ik Waar is Remco Campert? van Remco Campert blinken. Een bundeling van zijn columns uit de jaren zeventig.

En nog kon mijn geluk niet op. In de vitrinekast met bibliofiele boeken stond een fraai uitgegeven gedicht over rivieren op een klant in kerststemming te wachten. Achter de kassa waakte een jongeman met zwart haar over de goede gang van zaken. Ook hij bleek een dichter te zijn die onlangs een debuut had uitgegeven dat niet onopgemerkt is gebleven. Hij berekende de prijs van het kunstwerk en net toen hij het bedrag wereldkundig maakte, stapte een tweede dichter de boekhandel binnen met een energie die verried dat hij als podiumbeest bijkluste. 

‘Wacht Jo, ik heb iets voor jou. En omdat ik je graag zie, is het helemaal gratis!’ De bebaarde wervelwind stormde opnieuw naar buiten, rommelde wat in zijn fietszak en stopte me een krant toe waarin jeugdige en niet meer zo jeugdige hemelbestormers zich van hun wildste poëtische kant lieten zien.

In het antiquariaat filosofeerden twee dichters en een voormalige hotelreceptionist over hun toekomst. Ieder van ons zou nog graag twee boeken uitgeven. En we dachten bepaald lelijke zaken over Georges Simenon die in de tijd die het ons kostte om een sabayon te kloppen een roman schreef. ‘Dat is talent’, merkte een schrander lid van het triumviraat op. ‘Maar hij had ongetwijfeld een onaangenaam karakter.’

Een kunstwerk en een kleinood rijker, wandelden Zaz en ik huiswaarts – alwaar de meeslepende cursus grammatica nog steeds lag te wachten.

‘In een samengestelde zin met nevenschikking gebruik je maar om een tegenstelling uit te drukken.’

Om de theorie aan de praktijk te toetsen, opende ik Waar is Remco Campert? en las, in een stuk over de verlegenheid die hem overvalt telkens hij in een winkel de aandacht van de verkopers probeert te trekken:

‘De klant is koning, maar wel van Albanië.’

Nieuwjaarsbrief

Als kind was mijn nichtje niet van het bed van haar opa – mijn vader – weg te slaan. Ze moest altijd verschrikkelijk om hem lachen en hield vooral van zijn tegendraadsheid. Zo was hij geen warme voorstander van tradities, noch van schoolopstellen.

‘Hannah, als je je nieuwjaarsbrief voorleest, krijg je van mij tien euro. Maar als je hem niet voorleest… dan geef ik je vijftig euro.’

Jacques Komkommer

Nachtburgemeester

Als ik mijn ogen toedoe

ben ik in Honoloeloe

J.A. Deelder

Tandpasta

Een van de leukste bestemming die we de laatste tijd aandoen is onze wekelijkse supermarkt-reis. Op een boogscheut van ons huis ligt er een indrukwekkend exemplaar met hoge raampartijen en vrolijk personeel. Vaak zingt Serge Gainsbourg op de achtergrond. Terwijl ik de aardappelen weeg, geniet ik van de decadente Sea, Sex & Sun-sfeer die er tussen de rekken hangt.

We trekken er telkens met z’n tweeën naartoe, maar omdat het volgens de orakels – die niet van de televisieschermen weg te branden zijn – te onveilig is om als koppel een winkelkar voort te duwen, splitsen we ons op. 

Ik werd belast met het kopen van tandpasta. Maar het moest van een specifiek merk zijn. En een bepaalde kleur hebben. Eenmaal aangekomen bij de tientallen dozen tandpasta, waaruit de moderne vakantieganger tegenwoordig kan kiezen, was de naam van het merk me ontschoten. De tijd had een gat in mijn geheugen geslagen. Gelukkig herinnerde ik me nog vaagweg de kleurcombinatie – blauw en groen – en griste voor de ogen van een aansloffende bejaarde de laatste tube weg. 

De rest van de dag wandelden we op Linkeroever, aten rijsttaart, verwarden de chemische industrie in de haven met wuivende palmbomen en hielden geanimeerde discussies met de jongere generatie. Tot het bedtijd was voor vader.

Enkele uren later kroop ook Jolanda onder de lakens. Nog voor ze het licht uitknipte zei ze: ‘Die tandpasta die je daarstraks hebt gekocht, die heb ik maar meteen weggegooid. Het was geen tandpasta. Het was een product om je gebit aan je tandvlees vast te lijmen.’

Dan ben ik eens vooruitziend, is het weer niet goed.

1914

‘In the summer of 1914 an Austrian archduke was killed and this led to the killing of ten million men who were not archdukes.’

A.A. Milne

De Muur

Vast van plan om naar Ninove te fietsen, sloeg ik onderweg een paar keer – zonder dat ik er erg in had – verkeerd af en ineens doemde Geraardsbergen op. Een buitenkans om de legendarische muur nog eens te beklimmen. Onderweg werd ik langs alle kanten voorbijgevlogen door amateurs op professioneel materiaal. 

Aan de voet van de muur hoorde ik een dame, wijzend naar mij, tegen haar vriendin zeggen: “Amai, gaat diej op da fietske en met die broek de muur beklimmen?’

Ineens werd een muur De Muur. En ik moest en zou hem trotseren. De twee keer dat ik aan afstappen dacht, motiveerden de woorden van ongeloof van de dame me zodanig dat ik het verdomde op te geven. Het zweet gutste van mijn aangezicht. Maar de vreugdekreet aan de top konden ze tot in Ninove horen.

De kip die over de soep vloog

Wandelend door de stad kreeg ik plots een ingeving, stormde een antiquariaat binnen en kocht voor een bescheiden bedrag De kip die over de soep vloog van Frans Pointl. 

Vandaag las ik het ademloos op enkele uren uit. Wat ben ik blij dat ik het nu pas – nu ik even oud ben als Pointl was toen hij in 1989 met deze verhalenbundel debuteerde – heb gelezen en niet dertig jaar geleden. Het zijn autobiografische schetsen uit zijn bewogen, tragische leven. Joodse Amsterdammer. Geboren in 1933. Enig kind. Bittere armoede. Gescheiden ouders. Een door de oorlog verwoeste familie – op een aan alcohol verslaafde oom die arts was en een excentrieke moeder na. Liefhebber van boeken, klassieke muziek en poezen. Complexe relaties met het andere geslacht. En een carrière die schuchter voorbij trok in de onderste regionen van administratieve niemandslanden. 

Met in een trefzekere en vaak licht humoristische stijl – als een joodse Willem Elsschot – vertelt Frans Pointl over de tragedie die zijn leven vaak was. 

Een bescheiden meesterwerk.

‘Ik vond het leven maar een moeilijke bedoening, veel opwekkends scheen het niet voor mij in petto te hebben.’

Frans Pointl – De kip die over de soep vloog

Coronawaakhond

‘De Delhaize sluit pas binnen een kwartier. Dat haal je nog en je kan er zeker sushi kopen.’

Aan het woord was een hoteleigenares die het oprecht jammer vond dat op mijn eerste avond in Tienen de twee Thaise afhaalrestaurants gesloten waren. Ze zocht, vond en suggereerde onmiddellijk een waardig alternatief. Japan to the rescue. Geïnspireerd door haar avondjurk met jauguarprint, zette ik mijn al sinds tijden ongewassen mondmasker weer op en begon als een gek door de verlaten straten te hollen. Mijn tred geleek dan niet op die van een jachtluipaard, maar het schoot aardig op. En hoewel het mondmasker de adem afsneed  – en ik betwijfelde of het allemaal bevorderlijk was voor de volksgezondheid – wou ik de wijsheid van het Tiense schepencollege niet in vraag stellen.

Net voor sluitingsuur dook ik gemaskerd de supermarkt binnen, rende naar de stand met Aziatische producten, graaide de allerlaatste – en verlepte – sushischotel mee, toonde mijn aankoop aan de kassierster en haalde een bankkaart boven.

Achter mij kuchte een dame verontwaardigd en vroeg, op niet mis te verstane toon, aan de kassierster: ‘Sèg, moet niet iedereen die hier winkelt een karretje meenemen? Ook al koop je maar één product? Of is die regel afgeschaft?’

De kassierster erkende dat de dame gelijk had en geslaagd was voor haar virologie-examen.

En ik rekende af en wandelde, zonder winkelkar, verweesd door Tienen. Denkend aan haar verwijtende toon leek het alsof ik mijn vinger uit de allerlaatste stuwdam had getrokken en het land weldra overspoeld zou worden door een allesvernietigende corona-vloedgolf.

Rubicon

De Rubicon is overgestoken. Vandaag heb ik voor het eerst, ondanks talrijke ontradingsadviezen van fashionistas, witte sportkousen gekocht

Familienamen

Samen met mijn dochter zat ik, verkleumd van de kou, te genieten van de terrascultuur die een regenachtig Antwerpen een Latijnse flair schonk. Zoé was net in een boek van Maartje Wortel begonnen en er was haar iets opgevallen.

‘In elke recensie die over je boek is verschenen, staat dat Komkommer je echte naam is. Terwijl bij Maartje Wortel: pas de problème. Maar als je erover nadenkt is Wortel een veel vreemdere naam dan Komkommer.’

Haar opmerking deed me denken aan de tijd dat ik nog tenniste en dubbel speelde met een technisch behendige speler die Perenboom heette. Komkommer-Perenboom. Het is bijna alleen al om die poëtische reden jammer dat we nooit in de finale van het Heren Dubbel op Wimbledon stonden.

Kaartenhuis

Zittend op een zonnig terras met vrouw en dochter ging het al snel over get-rich-quick-schemes. 

Nu is het zo dat Jolanda in haar jonge jaren met haar vriendin Annelie eindeloos kon dagdromen over zakenimperiums die ze uit de grond zouden stampen. Wàt ze gingen verkopen, was van minder belang – zolang het maar een weergaloos succes werd en hen vrijheid zou schenken. In hun verbeelding werden ze voortdurend opgebeld door klanten uit alle uithoeken van de wereld en namen onverschillige secretaresses de telefoon op. ‘U wenst Jolanda of Annelie te spreken? Dat is nou jammer. Die zijn er even niet. Ze zijn net weer op reis vertrokken. Probeert u het binnen zes maanden nog maar eens.’

Of het door de voortreffelijke koffie van Copper kwam weet ik niet, maar gisteren kreeg Jolanda een lumineus idee. De jackpot van 130 miljoen euro, die je via EuroMillions kon winnen, had haar aan het denken gezet. ‘Als we nu 260 miljoen mensen overtuigen om een biljet van 1 euro te kopen dan houden we, zelfs nadat we de winnaar hebben uitbetaald, nog altijd 130 miljoen over.’

We lieten de miljoenendans bezinken en bestelden de dagschotel. 

En toen kwam Zoé, die niet voor haar moeder wilde onderdoen, met een al even briljant voorstel.

‘Ik heb in een of ander programma een oproep gehoord van een jonge vrouw; zij opperde het idee dat elke Belg haar 1 euro zou schenken. Zo zou ze al snel aan een bedrag van 11 miljoen euro komen zodat ze haar droomhuis kon kopen. Maar eigenlijk is dat redelijk slim. En ik dacht bij mezelf: als elke Belg nu aan iedere andere Belg 1 euro geeft, zijn we allemaal in één klap multimiljonair.’

Het duurde enige tijd voor de familie Komkommer de rekenfout ontdekte waarop haar kaartenhuis was gebaseerd. Maar voor de duur van een dagschotel waanden we ons listiger dan Charles Ponzi.

Je me souviens

Je me souviens de Youri Gagarine.

Je me souviens que c’est dans un court-métrage de la Nouvelle Vague intitulé ‘Histoire d’eau’ que Jean-Claude Brialy prononce cette phrase grandiose: “Plus je pédale lentement, moins je vais vite.”

Je me souviens de ‘Elle n´a dansé qu’un seul été.’

Georges Perec – Je me Souviens

My name is Trouvé, Freddy Trouvé

‘Och, het museum is al jaar en dag gesloten.’

Het Frans echtpaar in een aftands busje mocht dan op dezelfde heuvel wonen als het Crestet Centre d’Art, het leek me sterk dat ze het bij het rechte eind hadden. Een vriendin van mij was er recent nog geweest en had zich lovend over de brutalitische architectuur uitgelaten.

Enkele honderden meters dieper zag ik het museum liggen en omdat de kortste route recht naar beneden liep, baanden Jolanda en ik ons een weg door een woud van distels, doornen en brandnetels. Tot we aan de overwoekerde ingang stonden. Overal doemden borden op met ‘verboden toegang voor onbevoegden’ – maar dan in het Frans. Normaal gezien ben ik iemand die zich schikt naar de wetgevende macht, maar deze keer niet. De aantrekkingskracht van de architectonische parel bleek té sterk. Een deur naar een binnenkoer stond op een kier en voorzichtig, alsof ik de indruk wou wekken enkel uit verstrooidheid verder te slenteren, sloop ik voorbij het laatste bord met ‘Verboden toegang!’

Het gebouw zag er schitterend uit. Enorme glaspartijen, strakke betonnen ruimtes, wilde Provençaalse natuur. En in de ruimtes stonden kleurrijke werken geëxposeerd die me op de een of andere manier aan Niki de Saint Phalle deden denken. 

Net op het moment dat ik blij was de verbodsborden te hebben genegeerd, dook vanachter een glazen wand een slanke man op. Een zestiger die de nadagen van the Summer of Love nog had meegemaakt en ten bewijze een kleurrijk t-shirt en sandalen had aangetrokken. Hij was de conciërge die sinds de dag dat het Crestet Centre d’Art moest sluiten, nu alweer negentien jaar geleden, een oogje in het zeil hield. Maar anders dan de meeste handhavers der wet, had hij een lankmoedige uitstraling. Een zachte anarchist op zondag. Ik was betrapt, maar het voelde niet zo aan. Een beleefd gesprek trok zich op gang en al na enkele zinnen schakelde de conciërge moeiteloos van het Frans op het Nederlands over. Hij bleek, zoals de meeste grote conciërges, uit Antwerpen te komen.

Net toen vriendschapsbanden werden gesmeed, naderde Jolanda en ik legde in grote lijnen de situatie uit.

‘Hoe ken je mijn naam?’, vroeg de slanke man verbaasd.

‘Dat moet een misverstand zijn, want ik heb werkelijk geen idee. Hoe heet u dan?’

‘Freddy’

Nu was het mijn beurt om verbaasd te zijn.

‘Toch niet Freddy Trouvé?’

De verbazing nam slag om slinger toe en hij knikte bevestigend.

‘Echt. Hoe onwaarschijnlijk. Jaren geleden heb ik nog een kunstwerk van u gekocht.’

De verbazing in onze kleine kring scheerde nu de allerhoogste toppen en Freddy bleek helemaal geen conciërge te zijn. Hij was, zoals de meeste Antwerpenaren, een kunstenaar die nu al negentien jaar lang een atelier had in het mooiste gebouw van de Provence. Hoe machtig moet het zijn om op die plek schoonheid te creëren.

‘Maar wat’, vroeg de eeuwige optimist in mij ‘als iemand het gebouw ooit koopt?’

‘Dan zullen ze mij erbij moeten bijkopen.’

De wijsgeer uit Charleroi

Een zaterdagavond in juli. Toen nog niet alle hoop was vervlogen. In een door toeristen vergeten dorp in de Provence keken we in een bar naar Italië-Belgie. Er waren een handvol verlopen Fransen die van kroegzitten hun raison d’être hadden gemaakt; er was een dronken dorpsidioot die pretendeerde Italiaan te zijn, maar wel voortdurend moest vragen in welke kleur de Azzurra speelden; en er was een man uit Charleroi. Een Belg. Een landgenoot. Een compatriot.

Jolanda kwam tijdens de pauze toe en stelde een verrassend goede vraag die het vervolg van de match in gunstige zin zou kunnen beïnvloeden: welke nationaliteit heeft de scheidsrechter? Is het een Wit-Rus? Een Luxemburger? Een Zwitser? De vaste tooghangers keken haar verbluft aan, maar niemand kende het antwoord. Die vrouwen ook altijd met hun moeilijke vragen. Er werd weer overgegaan tot de orde van de dag: vloeken naar het televisiescherm.

Enkel de man uit Charleroi keek op van het scherm een zei kurkdroog: ‘Ik hoop alleen dat het geen Vlaming is, want anders zijn we gepoept.’

Madame la Marquise 

Onderweg naar het Hoge Noorden sliepen we in een achterbuurt van Macon in een doordeweeks hotel dat speciaal voor handelsreizigers was gebouwd. Het was al laat en de honger rukte op en tot onze vreugde zagen we om de hoek een Aziatisch restaurant dat er zo onderkomen uitzag dat het eten niet anders dan voortreffelijk kon zijn.

We stapten binnen en werden verwelkomd door een oudere, gezette dame. In alles straalde ze uit dat ze al sinds de gloriedagen van Valéry Giscard d’Estaing de eigenares van de zaak was. In de manier waarop ze plechtig aan tafel  zat, haar avondmaal consumeerde en de conversatie in de kleine ruimte monopoliseerde. Met zachte hand stuurde ze een grijs ogende Aziatische kelner van links naar rechts en het echtpaar aan de enige andere bezette tafel werd overstelpt met goede raad. Culinaire en uit het leven gegrepen.

Of honden toegelaten waren, wilden we weten.

‘Mais bien sûr. Wat een vraag!’, kwam ze schaterlachend tussen – nog voor de Aziatische man kon antwoorden. 

Het eten was nog voortreffelijker dan de armoedig aanblik van de keuken had doen verhopen. Proevend van de pad thai probeerden we haar openingszetten om ons in een gesprek te betrekken te neutraliseren. Ze was een vriendelijke manager, maar ze moest nu ook niet overdrijven. Het koppel naast ons stapte, hoffelijk knikkend, op. Ze bedankte hen voor hun komst en drukte hen op het hart toch vooral terug te komen naar de beste Aziaat van Bourgondië. 

Even later stond ze zelf op, betaalde en begon omstandig de keuken en de bediening van de Aziatische man – die verstoord van zijn scherm, waar op dat moment Spanje tegen Italië voetbalde, opkeek – te prijzen. Het leek alsof we net een driesterrenmaal hadden genuttigd. De chef had zichzelf volgens haar alweer overtroffen en nergens ter wereld – en ze had al heel wat afgereisd – kon je van een verfijnder Aziatisch maal genieten dan in dit culinaire paradijs. Ook ons bedankte ze voor onze gentillesse en zelfs onze hond kreeg een laudatio. De voordeur sloot en de rust keerde weer. Maar niet voor lang. Opnieuw stapte ze met de flair van een grote dame binnen en met een klok van een stem bedankte ze nogmaals de keuken, de bediening, de andere gasten in het restaurant, de mooiste hond ter wereld, de posters van Chinese vergezichten aan de muur én het tafelservies. Haar avond was geslaagd en dat mocht geweten worden. Na dit open doekje keerde ze nog een allerlaatste keer terug en pas toen was er weer ruimte voor stilte.

De oudere Aziatische man – die uit Laos kwam en Frans met een Zwitserse tongval sprak – stond verbluft naast onze tafel. Zelden scheen er in ogen die al veel hadden gezien een ontsteldere blik. 

‘Is mevrouw de manager van de zaak? Of een vaste klant?’, wilde ik weten.

‘Ik heb haar nog nooit van mijn leven gezien.’ Roerloos bleef hij rechtop staan. Bijna veertig jaar omgaan met klanten van alle rangen en standen hadden hem niet op haar doorluchtige komst voorbereid. 

‘Of toch. Toen ze maar bleef tetteren, begon het te dagen: twee jaar geleden was ze hier al eens komen eten. En ze verwachtte dat ik haar onmiddellijk zou herkennen. Maar ik zie zoveel mensen. Na vanavond zal ik haar echter nooit meer vergeten. En ze vertelde aan het koppel naast haar, die hier al jaren wekelijks komen, niet alleen wat ze moesten bestellen, maar ook hoe geslaagd ze de minimalistische inrichting vond. Beleefd is goed, maar zij overdreef. Het leek wel alsof we een diner voor de koningin van Engeland moesten opdienen – terwijl ik gewoon probeer tegen een schappelijke prijs een degelijke maaltijd klaar te maken.’

De pad thai was meer dan degelijk. We bedankten zo sober mogelijk en de man uit Laos probeerde, kijkend naar Italië-Spanje, weer in het reine met zichzelf te komen.

Wandelstok

‘Een ticket voor de film Judas and the Black Messiah alstublieft.’

‘Is er een korting waar u voor in aanmerking komt, meneer?’, vroeg het meisje van de ticketbalie me.

‘Helaas niet.’

Zo snel gaf ze zich echter niet gewonnen en ze zocht naar alternatieven tot ze een oplossing dacht gezien te hebben.

‘Een zestigplus-korting misschien?’

In mijn ijdelheid gestoken, tastte ik naar mijn mondmasker van kledingwinkel LEF ( ‘In LEF we trust’) als om aan te geven dat ik me voor een gepensioneerde nog jeugdig kleed.

‘Die dag komt dichterbij, maar voorlopig mag ik nog niet van de voordelen van de derde leeftijd genieten.’

‘Ik probeer maar te helpen, meneer. In ieder geval: de zaal bevindt zich op de tweede verdieping. U kan met de trap gaan…’, klonk het weifelend ‘of’, hernam ze hoopvol ‘… met de lift!’

Behoedzaam schuifelend naar de tweesprong tussen trap of lift viel het me nog mee dat ze me niet nariep: ‘meneer, meneer: vergeet uw wandelstok niet!’

Olympisch goud

‘Laat ik meteen beginnen met een misverstand uit de wereld te helpen, want er heerst enige verwarring over: Tommy Wieringa komt vandaag niet. Jullie zullen het met mij moeten stellen.’

Aan het woord was Wieringa’s plaatsvervanger op Theater Aan Zee. Zelfde brede rugbyschouders, zelfde voorkeur voor overhemden met Great Gatsby-allures en zelfde verzorgde dictie: voormalig Agalev-voorzitter Jos Geysels. 

Het was mij al opgevallen dat de ruimte – hoewel gezellig – voor een lezing van een van dé sterren van de Nederlandse letteren eerder klein was uitgevallen. Het literatuurhuis in Oostende bood plaats aan een vijfentwintigtal geïnteresseerden en zat niet eens afgeladen vol, ondanks het feit dat thee en koffie inbegrepen waren. Het publiek bestond hoofdzakelijk uit dames van middelbare leeftijd, aangevuld met een viertal heren waarvan er één verdacht sterk op een woeste beeldhouwer uit de jaren zeventig leek.

Tevergeefs wachtend op de komst van Tommy werd er een tweede misverstand uit de wereld geholpen. Geflankeerd door een welbespraakte Joseph Roth-vertaalster, die samen met hem de debatten moest leiden, hoopte Jos Geysels dat we Gedachten over onze tijd – de laatste bundel columns van Wieringa – allemaal hadden gelezen zodat er vanuit de zaal een boeiend debat kon ontstaan. Af en toe, lichtte hij toe, zouden de moderatoren dan goedkeurend knikken. Dat was nu juist de rol die ik mezelf had toegedicht. Hoewel ik al enkele boeken van Wieringa had gelezen, gold dat niet voor Gedachten over onze tijd. Ik voelde me betrapt als een schooljongen die zijn huiswerk niet had gemaakt en tuurde, telkens er diepzinnige vragen werden gesteld, aandachtig naar het plafond. 

De beide moderatoren en het publiek maakten er een interessante ochtend van. Opeens mijmerde Jos Geysels – nadat hij de stijl en het fileertalent van Wieringa had geprezen – een eind weg over columnisten en vroeg zich af of er onder de talrijke erfgenamen van Simon Carmiggelt ook enkele waren die we graag lazen en waarom. Hier wist ik wél een antwoord op en mijn vinger schoot de lucht in.

‘Er zijn een aantal jonge pennen die ik aandachtig volg en met plezier lees zoals Kees van Kooten, Renate Rubinstein en Karel van het Reve. Maar wat me in columns aantrekt is dat deze nu juist niet over de actualiteit gaan, maar over kleine voorvallen uit het gewone leven. Een lekkende kraan; een plotse verliefdheid; een gesprek in een wassalon. Het is telkens een verademing als er eens geen meningen worden uitgespuwd. Zo blader ik de laatste maanden regelmatig in twee bundels uit de jaren tachtig van Remco Campert: Tot zoens en Eetlezen. Die zijn nog geen spat verouderd. Campert schrijft over versleten pakken, lekker roddelen tijdens lange autoritten, zijn hekel om op skivakantie te vertrekken naar oorden als het Oostenrijkse Kitchgrüwel of ’s middags met een kater wakker worden en in je broekzak een briefje vinden met het kattebelletje‘Tinus!’ En hij schrijft op zo’n manier over de ongerijmdheden in zijn leven dat die voor iedereen herkenbaar zijn.’

Het debat trok zich weer opgang en na enkele boeiende terzijdes vroegen de moderatoren afrondend of er nog vragen waren.

‘Ja, nog eentje: weet iemand waar je hier in de buurt in een café naar de olympische hockeyfinale kunt kijken?’

Verwachtingsvol holde ik door de straten van de koningin der badsteden en hoopte dat Tommy Wieringa morgen een door goudkoorts gebeten stad zou aantreffen.

Credo

‘If you want to make everyone happy, don’t be a leader, sell ice cream!’

Steve Jobs

Best seller

Op de enige zonnige dag van de maand augustus lagen Jolanda en ik in de duinen van Oostduinkerke. Het picknickdeken werd uitgerold, de fles cider ontkurkt en de boeken ongelezen gelaten, want het was tijd om toekomstplannen te smeden. Binnen enkele weken zou mijn debuut bij een heuse uitgeverij verschijnen en de verwachtingen waren hooggespannen. De ‘Wat Als-vraag’ hing in de lucht. 

Wat als Opkomst & ondergang van de Citroën Berlingo een weergaloos succes werd? We zagen het, zeker na de tweede fles, groots. Dat drukkerijen overuren moesten draaien om de vraag in de Benelux bij te houden, stond buiten kijf. Maar wat met de vertaalrechten? Kon het Amazonewoud de internationale vraag volgen?

Uren hebben we ons geamuseerd met het opzoeken hoe Opkomst & ondergang van de Citroën Berlingo in het Japans klinkt. 

Shitoroenberurango no kobo, blijkbaar.

Verder ook in het Swahili. En zelfs, want je weet het nooit, in het Tsjechisch. 

Het geld stroomde binnen en met Las Vegiaanse bravoure smeten we het meteen door ramen en deuren naar buiten. In onze achtertuin zagen we een jachthaven verijzen en op het dak een door Luc Deleu ontworpen helikopterplatform, zodat Panamarenko, mocht hij uit het dodenrijk opstaan, wist dat hij welkom was. 

De eerste week bleef het doodstil in boekverkoopland. De torenhoge stapels die we in onze verbeelding hadden zien oprijzen, bleken bescheiden molshopen. Tot ik plots uit betrouwbare bron verheugend nieuws vernam. Iemand in Westmalle had zowaar mijn boek gekocht! En het gezegde luidt: Als je het daar kunt maken, maak je het overal.

Binnenkort komt dan eindelijk het verlossende telefoontje uit Tokio en nog voor ik konnichiwa zal kunnen zeggen, ken ik de vraag al aan de andere kant van de lijn: “Spreek ik met de schrijver van Shitoroenberurango no kobo?”

Arno

Er zijn van die dagen dat je zou willen blijven luisteren naar verhalenvertellers. Zo stond ik vandaag naast een boezemvriend van Arno die in een Brussels patois herinneringen ophaalde aan le plus beau.

‘Arno leeft nog altijd hetzelfde als vijftig jaar geleden. Als nen arme student in feite. En hij heeft veel poen, hè – maar dat interesseert hem niet. Hij heeft geen meubels, geen dure kleren, geen auto, niks eigenlijk. En hij loopt nog steeds over straat met een zakje waarin wat platen en tijdschriften zitten. Alleen: vroeger was het er eentje van plastiek en nu is het een papieren zak. “Kzen Ecolo geworden, moat…”‘

Tweede Wereldoorlog

In het huis van mijn grootouders werd zelden over de Holocaust gesproken. Ze droegen het verdriet van de Tweede Wereldoorlog in stilte. In hun huis stonden zwart-wit foto’s van familieleden die hun afkomst met de dood hadden bekocht. Zo herinner ik me nog de blik in de ogen van een meisje met een enig mooie glimlach – een nichtje van opa – die de belofte in zich droeg later een grote violiste te worden. Ze is nooit ouder geworden dan dertien jaar.

Toch keken mijn grootouders in het leven vooruit en probeerden hun kleinkinderen niet met onbevattelijk verdriet op te zadelen. Zelf hadden ze geluk gehad. Ze hadden de oorlogsjaren overleefd omdat ze in een Jappenkamp opgesloten zaten.

Hoewel ik graag terugdenk aan het verleden, is het zelden of nooit aan de Shoa. Maar het recent in Amsterdam geopend en door Daniël Libeskind ontworpen Holocaust Namenmonument moest ik zien. Het is een monument voor de 102.000 Nederlandse Holocaustslachtoffers die nooit in een graf te ruste zijn gelegd. 

Het regende die dag. Overal legden nazaten witte steentjes weg. Hier en daar lagen bloemen te verwelken. En op de stenen muren stonden eindeloze rijen namen van mensen die nooit het einde van de oorlog hebben gekend.

Toen ik de hoek omsloeg en de naam Komkommer zag, voelde ik plots hoe ik door de geschiedenis werd aangeraakt. En een onbevattelijke droefheid welde in me op.

Helloune

Mijn opa had een secretaresse met de geweldige naam Nicole Zeldenrust. Het was een dame die zich in talrijke wereldtalen thuis voelde en gezegend was met een zenuwachtige energie die maakte dat ze sneller kon typen dan haar schaduw. Het woord flamboyant leek speciaal voor haar te zijn uitgevonden. Ze was de chaotische tweelingzus van Liza Minelli. Maar achter haar hoog diva-gehalte ging een vrouw schuil met een groot verlangen naar vroeger. Naar een tijd die wellicht nooit bestaan heeft.

Dankzij tussenkomst van een gemeenschappelijke vriend las haar nicht het stuk dat ik over mijn opa had geschreven en herkende er onmiddellijk haar tante Nicole in. We begonnen een correspondentie en toen bleek dat zij – Helena Schoeters – sopraanzangeres was. Het corona-tijdperk was nog maar net aangebroken en op live muziek rustte een banvloek. Maar ik beloofde, wanneer de mondmaskers afvielen, naar haar eerste concert te komen.

Zondagochtend was het zo ver. In een gezellig gevulde Handelsbeurs trad Helloune op. Het is de naam van de groep die Helena samen met haar man Osama Abdulrasol – ‘de Irakees uit Sint-Amandsberg’ – oprichtte en geflankeerd door talentrijke muzikanten duikt Helloune in het liedrepertoire van grootmeesters als Fauré, Purcell, Vivaldi, Mozart en Osama Abdulrasol. Ze ontkleedden de klassieke songs vakkundig en voegen hier en daar Arabische en jazzy toetsen toe. Osama bespeelt het u allen bekende instrument kanun. Verder bestaat de groep uit Hendrik Braeckman op gitaar en Kristof Roseeuw op contrabas.

Het was mijn eerste concert in lange tijd. En de opkomst van Helena in groene avondjurk zal ik nooit vergeten. Door de manier waarop ze bewoog en het podium besteeg leek Nicole Zeldenrust te herleven. Zelden werd ik krachtiger terug in de tijd geworpen en toen ze ons verwelkomde en de klank van haar stem de ruimte vulde leek het helemaal of de schaterlach van opa’s secretaresse door de Handelsbeurs rolde. Helena was gezegend met dezelfde uitstraling als haar tante en pakte het publiek met subtiel gedoseerde charme onmiddellijk in. En even vlot als Nicole vroeger zette ze, al zingend, talrijke wereldtalen naar haar hand. 

Het was een magische ochtend daar in Gent. Omwille van de prachtige muziek. Maar ook omdat voor de duur van enkele gebaren verleden en heden elkaar aanraakten.

Signeersessie

Mijn allereerste signeersessie. De indrukwekkende rij is voor buurman Ish Ait Hamou. Ik had toch beter moeten opletten tijdens de danslessen.

Moeder Gusta

Afgelopen zaterdag was de dag dat ik bijna Eddy Planckaert ontmoette – een van mijn grote wielerhelden. Samen met de familie Planckaert was ik uitgenodigd om in de Standaard Boekhandel in Mechelen te gaan signeren. Terwijl ik toekwam had er zich al een lange rij gevormd maar die was niet voor mij bestemd. De familie Planckaert was onderweg opgehouden en kwam iets later toe. Helaas had Eddy zelf andere verplichtingen en kon niet aanwezig zijn. Maar achteraf gezien was ik daar blij om, want zo kon ik me ongestoord laten overrompelen door de charmes van de overige familieleden; zoals dochter Stéphanie – die als tienermeisje moeder werd – en zoon Francesco. 

Met bewonderenswaardige naturel stroomde de clan binnen en stal onmiddellijk het hart van de fans, de boekensnuisteraars en het winkelpersoneel. Aan alles kon je merken dat ze nu al generaties lang door warmte worden omringd en in liefdevolle gezinnen opgroeien. Lang leve moeder Gusta!

Meteen heerste er een prettige chaos in een winkel waar tot dan vooral discreet werd gekucht en door het verzameld werk van Konstantin Paustovski gebladerd. 

Stéphanie Planckaert nodigde de eerste wachtende in de rij uit. Ze was net als zij een jonge dertigster met kinderen. De fan overwon haar ontzag en vertelde dat ze al jaren naar deze ontmoeting had uitgekeken. Ze kon niet bevatten dat haar wens werkelijkheid was geworden. Ook zij was een tienermoeder geweest en in moeilijke momenten had ze troost geput uit Stéphanies boek Tiener en moeder. ‘Op dagen van vertwijfeling tilden je woorden me op en sleurden me erdoor heen. Dankzij jou voelde ik me minder eenzaam. Het was zo goed om te merken dat ik niet als enige persoon ter wereld in deze situatie was verzeild geraakt.’

Ik werd er stil van. Zelden een betekenisvoller gesprek gehoord tussen lezer en schrijfster.  

Nadat de rij wachtenden was uitgedund kwamen zoon Francesco en schoonzoon Christopher bij me aan tafel staan en bladerden nieuwsgierig door Opkomst & ondergang van de Citroën Berlingo. Het moment om mijn promotiecampagne te verzorgen was aangebroken en ik vroeg of ik hen mijn boek cadeau mocht doen. En of ze het zeker ook aan vader Eddy wilden geven.

‘Ik stond net op het punt om het te kopen. Als je nu nog dertig seconden had gewacht dan had je er iets aan verdiend. Je moet nog echt veel leren, maar je geschenk neem ik graag aan.’

Twee grappen later besloot ik om Francesco Planckaert als mijn financieel directeur aan te stellen. 

Een groepsfoto officialiseerde de deal en terwijl ik, dankzij de schrandere raad van mijn nieuwe manager, mocht beginnen dromen van een château Komkommer, kneep ik inwendig in mijn arm. Slechts één armlengte en één generatie verwijderd van een heuse Parijs-Roubaix-winnaar. Mooier kan het in Letterenland niet worden.

Duizend regels

Op een ochtend sta je op en vertrek je met twee fotografie-vriendinnen naar Paris Photo. Twee vijftigers en een jonge dertigster lieten romans ongelezen in hun handbagage zitten en kletsten aan één stuk door over de vele zegeningen van het pas aangebroken Rijk der Vrijheid. 

Na een voorspoedige treinrit stapten we uit in de Gare du Nord, bestelden op een rokerig terras cappuccino’s en lieten ons de va-et-vient van Parijs welgevallen. Twee stijlvolle dames aan een aanpalende tafel trokken de aandacht van mijn twee vriendinnen en hun kleding werd omstandig geprezen.

‘Je voelt je onmiskenbaar meteen in Parijs. Dat oog voor onopvallende details zie je bij ons nooit. Françaises hebben toch een gave waar het ons Belgen aan ontbreekt. Ah, Paris…’

Hun verschijning alleen al maakte de reis naar de lichtstad de moeite waard.

Tot bleek dat ook zij gewoon uit Antwerpen kwamen en in Berchem Station waren opgestapt.

Tijdens de lunch schoven we aan bij drie andere mensen die zo gedistingeerd gekleed gingen dat ze enkel uit België afkomstig konden zijn en ons oog voor mode had ons deze keer niet bedrogen. Er werden handen geschud en namen uitgewisseld en vriendschappen voor de duur van een maaltijd gesloten. Tegen de Parijse traditie in smaakte het eten uitstekend. En tijdens de koffie zei een tafelgenote, waaraan we net waren voorgesteld, dat je heel goed kon zien dat we familie waren. 

‘Je dochter lijkt sprekend op jou!’ 

Voorwaar een mooi compliment voor de vader, maar ook wel verwarrend omdat ik me aan de illusie koester een oude dertiger te zijn.

Ondanks deze gevoelige klap trokken we onvervaard naar Paris Photo waar in eindeloze hallen oneindig veel kunstgalerijen en fotokunstenaars zich van hun beste kant lieten zien. Die ochtend leek het alsof de hele wereld obsessief met fotografie bezig was – zo druk was het op de beurs. Glastonbury 2.0. 

Een van dé sterren, waar liefhebbers urenlang voor in de rij stonden, was de grote fotograaf Harry Gruyaert, van wie je nooit zou aangeven dat hij al tachtig lentes telt. Onder zijn grijze krullen fonkelen Harpo Marx-achtige ogen – zij het een tikkeltje minder onschuldig.

Mijn recente dochter zei tegen haar ouders: ‘Hij is een van dé fotografen van jullie generatie.’

Toen we opmerkten dat Harry Gruyaert toch enkele decennia ouder was, antwoordde de jongste telg brutaal: ‘Iedereen boven de vijftig behoort voor mij tot dezelfde generatie.’ 

Waar is het respect van de jeugd van tegenwoordig voor de ouden van dagen gebleven?

Twee gevoelige klappen op één dag. Met een geblutst ego schuifelde ik achter de tienduizenden andere geïnteresseerden aan. Na het zien van honderden standen en duizend fotografen wandelde ik naar buiten. De nacht was gevallen. En de vermoeidheid in mijn hoofd toegenomen. Maar in de verte zag ik een beeld dat ik absoluut wou vastleggen en haalde – mijn geniale generatiegenoot Harry Gruyaert indachtig – een camera te voorschijn, trok in een flits een foto en dacht pas nadien aan alle regels die ik in die honderdste van een seconde had overtreden. Le moment décisif. Maar dan in handen van de verkeerde fotograaf.

Flirten in een treincoupé

Op de trein naar Gent kon ik niet anders dan een gesprek tussen twee jonge veertigers afluisteren. Zij had iets fris en vrolijks. Gulle lach, volle lippen (dit verzin ik ter plekke, want ze zaten achter een mondmasker verscholen), Nouvelle Vague-pet op haar bruin golvend haar. Hij was lang en betrouwbaar. Al vanaf zijn kindertijd een geboren leraar natuurkunde en hij droeg een aktentas die paste bij zijn ingetogen uitstraling. 

‘Laat me raden hoe je vriendin eruit ziet…’

De leraar natuurkunde had wel zin in een wetenschappelijk experiment en stemde toe.

‘Ze is lang, sportief gebouwd en heeft donkere ogen.’

Haar mensenkennis was tot nu toe onfeilbaar.

‘En ze heeft bruin, golvend haar.’

Hier moest de steunpilaar van de maatschappij haar ongelijk geven.

‘Nee, ik moet je teleurstellen: ze is blond. Maar ik heb altijd al van een brunette gedroomd…’

Terwijl buiten de sprookjesachtige buitenwijken van Sint-Niklaas opdoemden, hing in de treincoupé plots een geladen sfeer vol hooggestemde verwachtingen.

Om de sensuele magie te onderbreken vroeg ik of ze ook kon raden hoe mijn vriendin eruit zag.

Ze bekeek me drie seconden en zei: ‘Jij hebt er geen!’

En samen met haar schaterlach verliet ze in Sint-Niklaas de trein en voelde zich opgeladen voor alweer een nieuwe werkdag.

Vier zinnen

Er zijn van die ontmoetingen die ik nooit zal vergeten. Het moet ergens halverwege de jaren tachtig geweest zijn. Ik wandelde binnen in het toenmalige stamcafé van vader en zag mijn ouders aan hun vaste tafel zitten in het gezelschap van een bebaarde man met een zeemanspet. Pezig lichaam, gegroefd gelaat, hoffelijk taalgebruik. Hij leek op een knappe, oudere broer van J.M.H. Berckmans. Maar het was de Amerikaanse conceptuele kunstenaar Lawrence Weiner die gezegend was met een zeldzaam mooie basstem. Wanneer Weiner sprak begonnen open haarden spontaan te branden en walste de cognac in denkbeeldige glazen. Al even heerlijk was het om je te verwarmen aan zijn verhalen en theorieën. Zo vertelde hij dat een plek waar het leven té aangenaam is, geen grote kunstenaars kan voortbrengen. Je geboorteplaats moet wringen, pijn doen, littekens achterlaten. ’San Francisco is een fantastische stad maar dan om te surfen, te flaneren en tot het ochtendgloren te dansen. Het is een paradijs en dan verdwijnt de innerlijke noodzaak om grote kunst te creëeren.’

Hij was ook een man van zijn woord. Toen bleek dat ik een grote fan van de muziek van New Order was, beloofde hij een affiche – die hij voor de Mancunians had ontworpen – op te sturen. Twee maanden later kwam er een pakket uit New York City aan met daarin de beloofde en van een handtekening voorziene poster. 

Maar meer nog zal ik me Lawrence Weiner, die vorige week op 79-jarige leeftijd overleed, herinneren omwille van het portret dat hij van vader schetste. Een geschreven portret, zo passend voor een talige kunstenaar. Vader en hij waren enkele nachten samen in New York opgetrokken zodat de kunstenaar de opdrachtgever beter kon doorgronden. Enkele maanden later was het werk klaar en zelden heb ik hem gelukkiger gezien dan toen hij het onthulde. Verbluft bleef hij naar de vier zinnen staren. Gele letters op een zwarte ondergrond. Vier zinnen die hem hadden doorgrond en recht naar de essentie gingen.

Als kind oefende het werk een mysterieuze aantrekkingskracht op me uit omdat ik er eerlijk gezegd niet al te veel van begreep. Maar met het klimmen der jaren herken ik – meer nog dan in foto’s uit de tijd van toen – mijn vader in de woorden van Lawrence Weiner.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Lieven Tavernier: de grootmeester van het stil verdriet

Waar ik was toen Elvis Presley stierf ben ik vergeten. Maar hoe ik me voelde toen ik voor het eerst De fanfare van honger en dorst hoorde zal me altijd bijblijven. Alleen al het begin…

We liepen in Gent rond, we waren met zessen
We kwamen van nergens, gingen nergens naartoe

Het nummer stond op Hé he, een plaat van Jan De Wilde die het lied van de toen nog onopgemerkte Lieven Tavernier zeer knap naar zijn hand had gezet. Enkele mineurakkoorden later baadde mijn jongenskamer in een zachte herfstsfeer.

Onmiddellijk intrigeerde de figuur van Lieven Tavernier me – een man die naast De fanfare van honger en dorst o.m. ook Eerste sneeuw had geschreven – maar hij was iemand die zelden of nooit in het middelpunt van de mediaschijnwerpers stond. Slechts sporadisch kwam je iets over hem te weten. Leraar. Muzikant. Schrijver. Vader. Deukhoed. Sigarenroker. Gentenaar. Maar ondanks die summiere aandacht kocht ik zo goed als alles wat er van hem verscheen en vaak, op eenzame avonden als mijn dochter en vrouw de deur uit zijn, verlicht zijn zachte Gentse Americana mijn gemoed. Ten huize Komkommer staat Lieven Tavernier op dezelfde eenzame hoogte als John Prine. Hij verstaat de kunst om het particuliere een universele gloed te schenken (‘En Annie bewaarde voor ons wel een fles‘) en het verglijden van de tijd in drie minuten en drie akkoorden en enkele rake zinnen te vatten.

Tijdloos. Dat is het eerste woord dat in me opkomt als ik aan Lieven Tavernier denk. Met zijn eeuwige snor, geblokt figuur en kalende kruin lijkt hij op een délégué van een middenmoter uit het Waasland die het vertrouwen van de bankzitters geniet. Hij zag er op zijn twintigste al zestig jaar jong uit en op zijn vierenzeventigste is hij nog steeds geen haar veranderd. Maar in zijn geweerd gelaat fonkelen jongensogen en zijn glimlach verraadt dat ironie helpt als wapen tegen de oprukkende droefheid. Zijn leven in de schaduw schonk hem inspiratie voor enkele van de mooiste songs die ik ken. Eerste sneeuw. Laura Gemser. De Verloren Karavaan. Emiel Braunplein. Geen Kwaje Vriend, Patti Smith,…

Maar wie is de man achter de muzikant en schrijver? Zou Lieven Tavernier het toestaan dat ik voorzichtig een tip van de sluier probeerde op te lichten in de hoop de contouren van de mens achter de artiest te ontwaren? Of bleef hij zich liever in een waas van mysterie hullen? Op de trein naar Gent herlas ik mijn vragen en besefte dat er geen groot muziekjournalist aan mij was verloren gegaan. Het was dan ook als fan en niet als kenner dat ik op een donderdag in november voor de deur van een herenhuis in de buurt van de Dampoort stond. Tot mijn grote vreugde zag ik dat de deurbel stuk was – alweer iets dat we gemeen hadden – en op de eerste verdieping ging een raam open en een rokerige stem nodigde me uit om naar boven te komen. Het pand had hetzelfde authentieke patina als de man die er overdag verhalen schreef en songs componeerde. Weerbarstig. Rafelig. En vol van verborgen schoonheid. Hoge stapels boeken, enkele gitaren, wat mooie pentekeningen aan door nicotine vergeelde muren. Verder ontwaarde ik een vrije stoel aan het hoofd van een houten keukentafel. Ik nam plaats, schonk een glas sinaasappelsap in (‘Zo vroeg al aan de drank, vriendje!’) en betrapte mezelf erop dat ik te veel aan het woord was. ‘Praat maar jongen, praat maar – dan moet ik zelf niets zeggen.’

Dat kon niet de bedoeling zijn. Lieven Tavernier stak een sigaret op, waarschuwde dat hij niets belangrijks te melden had en begon te vertellen over leven en liefdes. Een tweegesprek teruggebracht tot monoloog.

De Gentse singer-songwriter Lieven Tavernier. Niet te verwarren met de jonge Françoise Hardy (foto: Tine Delbare)

‘De eerste jaren van mijn leven bracht ik grotendeels binnen de muren van internaten door. Het was geen mooie tijd, maar verder wil ik er niet over uitweiden. Klagen op zich vind ik niet interessant. Het is niet omdat je iets ergs hebt meegemaakt dat het sowieso fascinerend is voor de rest van de wereldbevolking. Daarvoor moet het voor mij eerst in een bepaalde vorm gegoten worden, zoals ik heb geprobeerd in Brieven uit M. – waarin ik citeer uit brieven die m’n moeder naar me schreef toen ik op de kostschool zat. Het moet passeren langs de sluizen van de kunst. Dan vind ik het boeiend. Als je dat niet kunt, zwijg dan in godsnaam. Om je werk op te tillen, moet je een zekere afstand bewaren. In die zin ben ik het wel eens met de theorie van Karel van de Woestijne die schreef: “Je moet Gent ontvluchten om er iets over te kunnen schrijven.”En wat dat aanstellen betreft. Tsjechov, die behalve schrijver ook huisarts was, vertelde eens aan Tolstoj over een patiënte van hem die voortdurend zat te zeuren over haar o zo zware leven. Op een keer vroeg ze zuchtend aan hem aan welke ziekte hij dacht dat ze leed. Dat kon dokter Tsjechov haar precies vertellen. ‘Mevrouw, u lijdt aan Morbus Aanstelleritis!’

Op mijn achttiende trok ik de poort van het internaat achter me dicht en keerde terug naar Gent – waar mijn ouders woonden en een zaak hadden – om er eind jaren zestig Germaanse filologie te gaan studeren. Tijdens mijn studententijd ben ik echt open gebloeid. Mijn wereld werd groter en kleurrijker. Zo herinner ik me nog haarscherp de lessen van professor Uyttersprot die wereldliteratuur gaf. Wat een geschenk was die man, die trouwens werd vereeuwigd als professor Spothuyzen in De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon. Hij is iemand die me zeer goed is bijgebleven… En natuurlijk genoot ik vooral ook van de aanwezigheid van vrouwen, waarvan ik op het internaat verstoken was gebleven. Ik spreidde gastvrij mijn armen en prevelde in gedachten: “Kom naar mij, kom naar mij.” Wat niet altijd gebeurde. Vrouwen: een schone bron van immens verdriet.

In die periode begon ik voor het progressief Gents muziektijdschrift TLiedboek – dat op slecht papier werd gedrukt – onder het pseudoniem Tlieverdje artikels te schrijven. We hadden veel aandacht voor wat later Americana is gaan heetten. Niemand – ook Humo niet – had oor voor het genre. Maar wij wel. Zo schreven we ondermeer over Townes Van Zandt en Eric Andersen, wiens plaat Blue River je vanavond zeker eens moet beluisteren, vriendje. Zoals elk zichzelf respecterend progressief studententijdschrift verkeerden we voortdurend in financiële moeilijkheden en om de kas te spekken organiseerden we benefietconcerten. Bestaat zoiets tegenwoordig nog? Jan De Wilde was een van de vaste muzikanten die steeds bereid was om ons te steunen en zo heb ik hem leren kennen. Ik was in die tijd al bezig met het schrijven van liedjes en bij hem thuis durfde ik het aan om wat dingen in te zingen. Zo leerde hij mijn werk kennen. Hij was er lovend over, maar ik lachte het meewarig weg en dacht: ach, Jan is gewoon een vriendelijke man. Het zou nog jaren duren voor ik mijn heilige schrik om op te treden kon overwinnen. Het bleef dus bijzonder kleinschalig. Mijn interesse voor muziek weerspiegelde zich ook in mijn thesisonderwerp waarvan de titel alleen al, trouw aan de tijdsgeest, bijna een volledige pagina besloeg: “Sociale stellingname in Gentse arbeidersliederen…” Zo onderzocht ik protestliederen van negentiende eeuwse volkszangers. Het werd me door de professoren niet in dank afgenomen, want het onderwerp kwam uit het keuzevak volkskunde in plaats van uit een kernvak – wat in die tijd tot de geplogenheden behoorde.

Een van mijn grote helden is Georges Brassens. Een wonderbaarlijke man die er op zijn twintigste al zestig jaar oud uitzag en op zijn tachtigste nog steeds. Bij hem heb ik het gevoel – mochten de wetten van de natuurkunde en praktische bezwaren niet in de weg staan – dat we bevriend zouden kunnen zijn. Met Bob Dylan bijvoorbeeld heb ik dat niet – hoezeer ik hem ook bewonder.

Nadat ik in 1971 was afgestudeerd lag de wereld voor me open. En hoewel de wereld lonkte en er op lesgeven in het post-mei’68 klimaat met een zeker dedain werd neergekeken – dat was veel te burgerlijk voor rasrevolutionairen als wij! – werd ik toch leraar. En gelukkig, via een binnenweg, meteen op Sint-Lucas. Weet je, ik was ook net getrouwd en werd snel vader van drie kinderen, daarom wou ik enige zekerheid inbouwen. Eerst heb ik jarenlang aan de kunsthumaniora lesgegeven en nadien in het hoger kunstonderwijs. Ik heb het zeer graag gedaan – het is een vak dat je moet leren. Een van de voordelen was dat je omringd werd door mooie meisjes. Ah, vriendje, vrouwen zijn toch zeer vurrukkulluk. Lesgeven zag ik als één groot optreden en in het klaslokaal had ik géén last van podiumangst. Integendeel. Vaak ging ik echt uit de bol. Maar het vreemde is: je kan een les schitterend voorbereiden en desondanks wordt het niets; en je kan niets voorbereid hebben en toch wordt het een schitterende les. Die onvoorspelbaarheid vond ik aantrekkelijk. In al die jaren heb ik drie of vier perfecte lessen gegeven, vaak omdat ik de leiding uit handen gaf. Zo gingen we met de middelbare school naar de film Death in Venice van Luchino Visconti met Dirk Bogarde in de rol van Gustave Mahler. Ter voorbereiding lazen we in de klas fragmenten uit Tod in Venedig van Thomas Mann en speelde ik muziek uit de derde en vijfde symfonie van Mahler. Die dag hing er een nevel over Gent. De lucht was zeer grijs. De atmosfeer buiten was ideaal en tilde de melancholie van het boek en van de muziek naar een nog hoger niveau. Zoiets kan je niet plannen. Het is de magie van het toeval.

Of veel oud-leerlingen later schrijver of kunstenaar zijn geworden? Op de kunsthumaniora gaf ik les aan Bruggeling Bart Moeyaert. Regelmatig maakte ik als Gentenaar grappen over West-Vlamingen – ja, ik heb een kwaadaardig karakter, m’n beste – maar de slimme West-Vlamingen, zoals Bart, zagen de ironie ervan in. Haha, plaagstoten aan West-Vlamingen uitdelen vond ik heerlijk. Later, in het hoger onderwijs, heb ik nog aan Bent Van Looy en Gabriel Rios lesgegeven. Ook fotograaf Stephan Vanfleteren zat bij mij op het middelbaar maar bleef op de achtergrond. Onopvallend. Hield zich gedeisd en ging gebukt onder zijn dyslexie – toen nog een onbekende leerstoornis. Maar op een dag had Stephan een opstel over de dood geschreven dat ik zéér goed vond en ik las het voor. Dat teken van waardering bevrijdde hem en gaf hem vleugels. Door een klein gebaar kun je als leraar in het leven van een iemand van wezenlijk belang zijn. Zij zijn nu bekende gezichten. Maar interessanter, vind ik, is om te weten waar de naamlozen gebleven zijn. Wat hebben zij met al hun talenten gedaan? Dat is ook wat ik in mijn songs betracht: ruimte geven en aandacht schenken aan mensen die niet in het licht van de schijnwerpers staan. Ik vind gebroken mensen vaak het boeiendst.

Het allermooiste aan lesgeven vond ik de zaken die je tussendoor kon vertellen. Wanneer ik afweek van het leerplan en sprak over thema’s waar ik op dat moment door gepassioneerd was. De films die ik die week had gezien; de boeken die ik aan het lezen was; een schilder die ik net had ontdekt. Jonge mensen zijn zo ontvankelijk voor kleine impulsen en zelfs jaren later komen oud-leerlingen me regelmatig vertellen dat ze dankzij mijn eerste aanzet een bepaalde kunstenaar hebben ontdekt. Terwijl ik het zelf compleet vergeten ben.

Je hebt maar één individu in de klas nodig om jezelf en iedereen op sleeptouw te nemen. Er zijn echt leerlingen waar je energie van krijgt en die kun je dan ook weer teruggeven. Of zoals Cervantes het Don Quichote laat zeggen: “Tovenaars kunnen me alles afpakken, maar niet mijn energie.”

Al die tijd ben ik muziek blijven maken. In alle eenvoud en anonimiteit, bij me thuis in de huiskamer. Ik ben er al tijdens mijn internaatsjaren in Kortrijk mee begonnen. Na het ontbijt was het speeltijd en iedereen die een muziekinstrument bespeelde mocht een kwartier muziek maken. Daarom ben ik met gitaar begonnen. En vanwege Elvis natuurlijk, met wie ik ook mijn vloeiende heupbewegingen gemeen heb. We verzamelden in een lange, eindeloze gang en daar maakten we muziek. Mijn gitaar was mijn enige houvast op die school. Ik had een leraar Frans die me Georges Brassens en Leo Ferré leerde kennen. Met een cassettespeler nam hij hun muziek op en gaf het dan door aan mij. Aangestoken door zijn vuur ben ik dan met een groep begonnen en componeerde meteen Nederlandstalige nummers. Nee, nooit heb ik overwogen om in het Engels te zingen. Voor de nuance waar ik in mijn teksten naar zoek, kan ik enkel in mijn moedertaal terecht. Als ik iets te vertellen heb, moet ik het in het Nederlands zeggen. Brassens zong toch ook in het Frans. En ik troost mezelf met de gedachte dat als Townes Van Zandt in Wippelgem was geboren, hij in het plat Gents had gezongen.

Maar ik bleef dus twintig jaar lang, ver weg van de schijnwerpers, muziek schrijven. In de schaduw? Zeg maar gerust: in het inktzwart! En nu nog schaaf ik dagelijks, op ambachtelijke wijze, aan mijn nummers. Dat ene woord schrappen; dat stroef klinkende akkoord anders arrangeren. Heerlijk. En met het klimmen der jaren ben ik zelfs productiever geworden. Ik schat dat maar een achtste van alles wat ik ooit heb geschreven op een plaat is terecht gekomen.

In 1990 bracht Jan De Wilde Hè hè uit met daarop drie nummers van mijn hand: De fanfare van honger en dorst, Eerste Sneeuw en De Verdwenen Karavaan. Net voor de officiële release organiseerden enkele alternativo’s in de havenbuurt een wilde fuif waar ook Luc De Vos en veel muzikanten uit het Gentse present tekenden. Gorki was net derde geworden op de Rock Rally, maar ze moesten hun legendarische debuutplaat nog uitbrengen. Jan De Wilde had een cassette meegenomen met de mix van zijn plaat en Luc De Vos, Jan en ik zochten een rustige hoek uit om ernaar te luisteren. Toen Luc De Vos voor het eerst De Verdwenen Karavaan hoorde was hij als door de hand van God geslagen. Ik wil nu niet overdrijven, maar de tranen stonden in zijn ogen. “Dat nummer is vanaf nu van mij!”zei hij. “Niemand neemt het van mij af!”

De Verdwenen Karavaan is dé Tavernier-song. Het is het meest mijn wereld. Het valt me met de jaren, met het wegvallen van dierbaren, zwaarder om het te zingen Maar nog steeds voel ik een zekere trots als ik zie hoe juist ik bepaalde details onder woorden heb gebracht. Dankzij De Verdwenen Karavaan is mijn leven is niet totaal zinloos geweest (lacht).

Er staat ook, net als bij mijn grote held John Prine, geen enkel moeilijk woord in. Net als ik gebruikt Prine nooit meer dan 3-akkoorden, maar hij zet ze wél in de juiste volgorde. Dat je mij als de Gentse John Prine ziet beschouw ik dan ook als een groot compliment. Hij oefende onbewust, meer nog dan Guy Clark of Townes Van Zandt, een grote invloed op me uit. Hoe hij op eenvoudige wijze wezenlijke dingen kon zeggen, zoals in die geweldige zin: Sweet songs never last too long on broken radio’s. Zo schoon. Moa vent toch, verzin het maar. Iemand, ik denk dat het een vriend was, zei over Prine’s muziek: ‘All his songs came from a place called sincerity.’ Dat is het in essentie. Ik hou van artiesten die eerlijk zijn. En onvervangbaar. Er is maar één John Prine – maar er zijn talloze andere inwisselbare zangers: leg ze op een kopieermachine en ze rollen zo van de band. Prine was niet bezig met het cultiveren van een imago. Ik denk dat je gelijk hebt, hoewel je dat natuurlijk niet mag zeggen. Maar binnen honderd jaar zijn de mensen David Bowie al lang vergeten, maar zullen de songs van John Prine nog steeds worden gezongen. Het zijn evergreens. Hij had zo’n goed oog voor de schone tragiek van het leven van gebroken mensen. It’s funny how an old broken bottle / Looks just like a diamond ring.

Ondanks het feit dat Jan De Wilde me succesvol coverde en Eerste sneeuw en De fanfare van honger en dorst tot klassiekers uitgroeiden, toonde geen enkele platenfirma enige interesse. Ze vonden het allemaal mooi hoor, daar niet van – maar ja – hoe heet het ook alweer? – ik was niet commercieel genoeg. Pas vijf jaar later – in 1995 – bood er eentje me een contract aan en ze brachten dan Doe het licht uit. Maar het was geen positieve ervaring. Hoe oud ik toen was? Oud genoeg om het niet te doen. Vijfenveertig, geloof ik. Ik was ontevreden over hoe alles werd afgehandeld en uiteindelijk draaide het uit op een lang aanslepend proces waardoor ik vijf jaar niets nieuws kon uitbrengen. Opvolger Ilya was al ingeblikt en lag in de kast stof te vergaren. Na de uitspraak was ik een vrij man en besloot om vanaf dan alles in eigen beheer uit te geven. Ik wou geen gepruts meer. En indien het misliep was het tenminste mijn verantwoordelijkheid. Het Nederlands bedrijf Coast to Coast doet tegenwoordig de verdeling in België. Mijn platen of cd’s laat ik op duizend exemplaren drukken en die verkoop ik ook allemaal en met wat ik eraan verdien financier ik de kosten van de volgende plaat. Het is misschien relatief kleinschalig, maar het komt erop neer de juiste brief in de juiste brievenbus te deponeren.

Welke schrijvers ik graag lees? In de eerste plaats de grootmeester van het kortverhaal: Anton Tsjechov. Maar ook andere oude Russen zoals Toergenjev en Gogol. Ken je Rabelais? Die moet behoorlijk stoned geweest zijn toen hij Pantagruel schreef. Op dit moment ben ik bezig in A la recherche du temps perdu van Marcel Proust, weliswaar in het Nederlands – omdat ik anders niet elke nuance begrijp – maar met de Franse versie, een zeer fraaie uitgave van Editions Gallimard, ernaast. En in het Nederlands taalgebied? Nescio uiteraard. Maar ook Heere Heeresma. Ken je die nog? Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming, maar man toch: wat een gewéldige titel – tzal nog niet zijn zeker. En Remco Campert vind ik ook meesterlijk. Zet die er zeker bij. Voor de tekst van een lied had ik nog één zin nodig en ik heb Campert toen een brief geschreven met de vraag of ik een dichtregel van hem mocht gebruiken. Welke regel? De tijd duurt één leven lang. Hoe waanzinnig mooi toch. Remco Campert schreef dat hij vereerd was en strooide ook met woorden van lof over mijn werk – dat streept de minachting die radiomakers zoals Evert Venema voor mijn liedjes voelen in één klap weg. Een mooi geluk dat me in mijn leven te beurt is gevallen is dat ik Campert nog in Amsterdam ben gaan bezoeken; we hebben de hele dag sigaretten gerookt en gedronken. Niet altijd tot grote vreugde van zijn vrouw Deborah. Ik had hem graag mijn boek Tlieverdje willen opsturen – maar hij is nu verhuisd en ik weet niet meer waar hij woont. Misschien kan ik het aan Henny Vrienten vragen? Ze zijn goed bevriend.

En P.G. Wodehouse natuurlijk! Zet die maar op de eerste plaats. Wodehouse herlees ik bijna jaarlijks en ik moet er telkens luidop mee schaterlachen. Maar ken jij vrouwen die hem graag lezen? Ik heb het al zo vaak geprobeerd, maar mijn vriendinnen vinden er niets aan. Het is waarschijnlijk oude jongens-literatuur. Anton Tsjechov en P.G. Wodehouse: dat is voor mij het pantheon van de wereldliteratuur.

En wie ik ook héél goed vind is de Franse schrijver en Nobelprijswinnaar Patrick Modiano. Ik heb ooit nog tijdens de Radio 1 Sessies van Bent Van Looy met zijn dochter Marie Modiano mijn lied La Cathédrale gezongen. En via haar ben ik met haar vader in contact gekomen. Je weet dat zijn moeder de Belgische actrice Louisa Colpeyn was, die voor de Tweede Wereldoorlog nog in het NT Gent heeft gespeeld. Patrick Modiano is zeer goed bevriend met Françoise Hardy. Het klinkt vree pretentieus van mij maar op een dag heb ik al mijn moed bij elkaar geraapt en Eerste sneeuw in het Frans vertaald tot La Première Neige en hem gevraagd of hij het aan Françoise Hardy zou willen overhandigen. Helaas is ze door ziekte en ouderdom te zeer verzwakt en zingt ze voorlopig niet meer. Maar stel… Zou het niet mooi zijn mocht het er ooit van komen…

Patrick Modiano is ook een goed voorbeeld van een kunstenaar die maar één thema heeft en er eindeloze varianten op bedenkt. Bij hem zijn het zijn jonge jaren in Parijs en ook die afwezige, mysterieuze vader. Hoe waardevol is het niet om jezelf de rust te gunnen je leven lang slechts één gebied te bestrijken en het voortdurend uit te diepen. Er zijn natuurlijk schilders met een breed spectrum, maar evenzeer mensen die slechts aan één onderwerp aandacht schenken. Klein is ook voldoende. Klein is ook schoon. Zoals de Italiaanse kunstenaar Giorgio Morandi die enkel stillevens van kruiken, vazen en flessen schilderde; of de Deen Vilhelm Hammershoi die – in de stijl van Vermeer – een hele reeks introverte vrouwen, meestal vanop de rug gezien, in interieurs schilderde. Ik vind het mooi als mensen zeggen: dit is mijn wereld en meer heb ik niet te vertellen. Of mijn thema’s liefde en weemoed zijn? Haha, Jo: dat is een omschrijving waarin ik me zeker herken.

Humor, als tegengif tegen weemoed, is voor mij van wezenlijk belang. Tijdens een optreden moet ik de sfeer doorprikken. De drang om de melancholie van mijn songs onderuit te halen is sterker dan mezelf. De waardige ernst van Leonard Cohen, die het sacrale van zijn songs in zijn bindteksten kon doortrekken, is niet voor mij weggelegd. Ik moet een relativerende kanttekening kunnen plaatsen en het laten ontsporen. Over Leonard Cohen gesproken: ik ben een groot bewonderaar van hem, maar wat ik jammer vind is dat hij ooit heeft laten vallen dat die schitterende song Chelsea Hotel – met onvergetelijke dichtregels als You told me again you preferred handsome men / But for me you would make an exception en We are ugly but we still have the music (twee mannen in de herfst van hun leven schieten in een bulderlach) – over Janis Joplin ging. Daardoor is het lied voor mij aan één specifieke vrouw gelinkt en is de magie enigszins verdwenen. Daarom vertel ik ook nooit over welke vrouwen mijn songteksten gaan, zodat het de verbeelding van de luisteraar vrij staat het zelf te vullen. Wat ik in een vrouw zoek? Dat ga ik niet aan je neus ophangen: alles wat ik over vrouwen kwijt wil staat in mijn songs. Je moet het mysterie niet benoemen. Soms verlang ik naar de tijd van Anton Tsjechov, die nooit interviews gaf. De lezer moest het met zijn verhalen doen en kon niet terugvallen op dieptegesprekken of televisiespektakels waarin de kunstenaar zijn werk toelicht.

Waar ik zelf om moet lachen? P.G. Wodehouse! En die ene Britse serie over een ziekenhuis vol met heerlijke, cynische karakters. Mijn geliefde zegt dat die al heel oud is. Nee, niet Doctor on the Go, zo oud nu ook weer niet. Ja, Green Wing. Ook Kamagurka is nu al decennialang wekelijks briljant. Hoe hij met enkele simpele lijnen en een slimme tekst een situatie kan doorprikken of omkeren. Met Zak, de cartoonist van De Morgen, moet ik ook vaak hard lachen. Magistraal. En als je hem dan door Gent ziet rondsloffen… Zijn cartoons zijn nog het enige wat ik in die krant lees. Verder doet de vrolijke tristesse van Jean-Jacques Sempé me glimlachen. Duizend tinten grijs. En Peter van Straaten? Mijn beste, hij is zoo goed. Hij is de grootmeester van het stil verdriet.

Hoe een typische Tavernier-dag eruit ziet? Het is zulk een luxe om mijn eigen ruimte te hebben. Het is een luxe die ik mezelf toe-eigen. Mijn geliefde woont buitenhuis maar wel vlakbij. En in dit appartement huist mijn liefde voor mooie dingen. Hier kom ik tot rust – tussen mijn gitaren, boeken en kunstwerken. Ik heb die afstand nodig. Elke ochtend wandel ik naar mijn stulp om te schrijven en songs te componeren en aansluitend fiets ik vaak naar de Mokabon – een koffiezaak in de Donkersteeg in het oude hart van Gent. De laatste vijftig jaar is er aan het interieur ogenschijnlijk nauwelijks iets veranderd. Vroeger was het een beetje de ambassade van de Gentse kunstscene. Als iemand zes maanden naar Katmandu was vertrokken en opnieuw in de Arteveldestad aanmeerde, moest hij of zij in de Mokabon documenten laten afstempelen en aan de incrowd laten weten terug thuis te zijn. Alle beroemde Gentse kunstenaars hebben tussen de muren van de Mokabon hun grootse plannen voor een al dan niet geboeid publiek uit de doeken gedaan. Zelf ben ik helemaal geen reiziger. Integendeel, ik ben een aanhanger van de filosofie van Blaise Pascal: “Alle ellende op de wereld wordt veroorzaakt doordat mensen niet gewoon thuis kunnen blijven.” Mijn leven speelt zich grotendeels binnen een straal van een vierkante kilometer rond deze keukentafel af. Ich bin zufrieden im diesem Haus.

Wat me troost schenkt? Dàt vind ik nu eens een echt goede vraag, vriendje. Gun me even de tijd om erover na te denken en een antwoord te formuleren. Het is maar een poging tot hoor, een eerste aanzet: Elke ontmoeting is een afscheid en elk afscheid is een ontmoeting. Neen, dat zijn maar nietszeggende woorden. Het is flauwekul. Wat ik probeer te zeggen is dit: Ik ben de man van het afscheid. In afscheid zitten mooie dingen vervat. Of om het met de dichter W.H. Auden te zeggen: “Do not love long.” Schoonheid schenkt me sowieso troost. In alle vormen. Eerst natuurlijk in die éne vorm (lacht). En dan in de kunst. Er zijn op de wereld gasten – machthebbers, hovaardigen – die zoveel verknoeien. Maar daartegenover staan sommige mensen – vaak enkelingen – die als minieme daad van dankbaarheid voor het leven iets schoons teruggeven. Zoals Vermeer in zijn schilderijen of de muziek van Wannes Van de Velde. Ha, de Wannes. Twas wel mijn kereltje. Kunst moet onnuttig zijn. De schoonheid van de weerloosheid vind ik zeer ontroerend. In onze maatschappij wordt ons dat niet aangeleerd. Au contraire. Je moet je weren. Maar de omarming van de weerloosheid vind ik zeer mooi.

Kort na zijn overlijden heb ik me afgevraagd wat Leonard Cohen bezielde om tot op zijn sterfbed zo hard te werken aan zijn laatste dichtbundel, The Flame. Als je weet dat je elk moment gaat sterven, wat maakt het dan uit, in het aanschijn van de dood, of dat ene gedicht afgewerkt geraakt of niet? Maar nu herken ik het. Na dit leven bestaat er voor mij niets meer – maar ik wil het voor mezelf. Of zoals de Nederlandse dichteres Ida Gerhardt het verwoordde: “Er is nooit iets mis met bezigheid.” Mede daarom barst ik nog van de plannen. Zo heb ik twaalf nummers van Georges Brassens in het plat Gents vertaald. Lang speelde ik met het idee om zijn teksten naar het Nederlands om te zetten, maar ik liep voortdurend vast. Tot ik een lumineuze inval kreeg. Tavernier, waarom doe je het niet in het Gents? Vanaf dat moment stroomden de regels uit mijn pen en liep het als vanzelf. Il n’y a pas d’amour heureux werd De liefde is giene cadeau. Mijn bedoeling is om de plaat met Die Verdammte Spielerei op te nemen. Het is een gezelschap van vijf blazers, die op speelse wijze met klassieke fanfaremuziek aan de haal gaan. Alleen schrikt de kostprijs me voorlopig af; mijn zonen en andere jonge gasten moedigen me aan om een crowdfunding op poten te zetten; maar mijn verwarde geest is niet zo vertrouwd met al die hedendaagse technieken. Ach, misschien moet ik het toch maar doen…

Verder wil ik ook Bob Dylan – het is nogmaals zeer pijnlijk om het te zeggen en klinkt als vloeken in de kerk – naar het… Gents vertalen. En een akoestische plaat opnemen waarin mijn songs enkel begeleid worden door een gitaar, mijn stem én drie meisjes die de achtergrondstemmen inzingen: Les dames Tavernier. En dat boek over het wonderlijke leven van de Gentse schrijver Jean Ray – die in tegenstelling tot de meeste Vlaamse schrijvers niet halftijds in het onderwijs stond, maar een echte avonturier en oplichter was, een groots en meeslepend leven leidde en 78 maanden gevangenisstraf als adelbrief kon voorleggen – dat ik jaren geleden van plan was om te schrijven, moet er ooit ook nog van komen.

Hoe dan ook: de scheppingsdrang blijft.

Of mijn melancholie met het klimmen der jaren is toegenomen? Nee hoor. Ik vrees dat ik ermee geboren ben en het zal meenemen in mijn graf.

Ondanks dat ik nu toch al meer dan een halve eeuw muziek schrijf, tien platen heb uitgebracht en talloze concerten heb gegeven, kan ik me geen Spinal Tap-achtige anekdotes voor de geest halen. Ter illustratie van hoe bescheiden mijn rock’n roll-gehalte is en hoe veraf mijn wereld van die van Ozzy Osbourne staat misschien dit. Op mijn allereerste optreden in Dranouter – het grootste folkfestival van Europa – hadden de roadies alles klaargezet. En mijn gitaar stond in het midden van het podium in een gele spot te blinken. Ik had nog nooit een optreden met een lichtshow gegeven en toen ik samen met de andere muziekanten de bühne betrad, schoot ik in paniek. Nergens zag ik mijn instrument! “Waar is mijn gitaar?” riep ik verschrikt. “Maar… het is de jouwe, daar op het podium!”. Nog nooit had een spotlamp op een gitaar van mij geschenen. Het geeft iets weer van mijn totale wereldvreemdheid.’

Ons tweegesprek was bijna afgelopen. Kort overliep ik mijn vragen en zag nog een laatste die niet ongesteld mocht blijven. ‘Wie had u graag gehad dat een lied van u zou coveren?’ Hier moest de Gentse zanger van de breekbare vergankelijkheid geen seconde over nadenken.

‘Francoise Hardy.’

De jonge Françoise Hardy: van eenzelfde tijdloze klasse als de oude Lieven Tavernier

Het was een antwoord dat in schoonheid niet te overtreffen viel en terwijl Lieven Tavernier door het raam – waar de vrijheid lonkte – staarde, verzamelde ik mijn notities, nam afscheid en keek nog een laatste keer rond in een appartement waar alles in het teken van kunst als troostbrenger stond. Wandelend door Gent overdacht ik de talrijke onderwerpen die we hadden aangekaart en de culturele tips die we hadden uitgewisseld – (‘Je moet straks Stories van David Blue beluisteren en Brief aan Vader van J.M.A. Biesheuvel lezen, vriendje.’; ‘En u moet zeker Zeilmeisje van Lucky Fonz III eens opzetten.’) – en ik besefte wat een inspirerende leerkracht hij moet geweest zijn. Ook herinner ik me de stilte die viel toen we de kracht van die ene zin uit Ge Zwiegt van Wannes Cappelle lieten indalen. Ge zwiegt omdat je de dingen niet kunt benoemen na het verdriet. En de vreugde in de stem van Lieven Tavernier nadat ik hem had verteld dat een wondermooie schrijfster, met ogen waarin dichters al hun liefdesverdriet weerspiegeld zien, een fan van hem was. ‘Je meent het! En welk boek van haar moet ik lezen?’ Naam en titel werden met schooljongensachtige ijver genoteerd. Ook vertelde ik over het onvergetelijke concert tien jaar geleden van ons beider heldin Gillian Welch in de Arenberg. Na het optreden ging ik nog iets drinken op het terras van café De Duifkes en aan de aanpalende tafel zat de Gentse acteur en banjospeler Johan Heldenbergh met enkele vrienden tot laat in de nacht liedjes van Gillian Welch te zingen. Het was een magisch slotakkoord van een magische avond. ‘Maar… ik zat daar ook bij!’, zei Lieven verbluft. De eerste keer dat ik hem live hoorde zingen was als orgelpunt na Gillian Welch.

De urenlange wandeltocht door Gent bracht me naar boekenwinkel Paard van Troje waar ik opmerkte dat de boeken van Wannes Van de Velde en Lieven Tavernier broederlijk naast elkaar stonden. Verder gluurde ik binnen in de Mokabon maar herkende geen besnord silhouet. Maar in een zijstraat van de Vrijdagmarkt zag ik een man op een te grote fiets, die vaagweg leek op een délégué van Sporting Lokeren uit de tijd dat de wonderspons nog medische mirakels verrichtte. De man op de fiets hield halt en zei: ‘Vriendje…’

Het was effectief de grote Gentse zanger die, ergens in het Niemandsland tussen John Prine en Georges Brassens, een geheel eigen universum heeft geschapen waarin verlangen en weemoed hand in hand gaan. En waarin de herfst altijd doorschemert en de liefde soms een vraagteken blijft.

.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , | 16 reacties

Trippen met Jo!

‘Nu begin ik langzaam maar zeker iets gewaar te worden. Het lijkt alsof ik enkel vage echo’s van jullie gesprekken opvang en niet in staat ben de essentie te volgen. Ik voel me als een duif wiens kompas volledig tilt is geslagen. Ik denk dat het tijd is om naar bed te gaan.’

We waren op familieweekend in Den Haag – oma, haar kinderen en kleinkinderen en alle geliefden – en samen met de twintigers zaten Jolanda en ik in de lobby van het hotel toen ik dit verstandig besluit nam. Niets in mijn verleden wees erop dat ik ooit een koffieshop zou binnenwandelen. Drugs kende ik hoofdzakelijk uit films, muziek en boeken en dan nog. Verdovende middelen waren voor mij: Gene Hackman in The French Connection. En Nederwiet van Doe Maar. Van mijn drugsaankopen zou de Mocro maffia hoogstens een keertje kunnen gaan kamperen in de Ardennen. In een ver verleden – in de nadagen van de punk – stak een vriend me eens een kleinigheid toe waarvan ik vermoedde dat het drop was. Zonder er verder acht op te slaan, propte ik het in mijn mond en was verrast door de nasmaak. ‘Tis een tripke…’, zei de voormalige handelaar in Panini-stickers en na een uur voelde ik hoe mijn zelfvertrouwen groeide. In discotheken stak ik, lang voor mansplaining gemeengoed was geworden, grote verhalen tegen de mooiste meisjes af en op de dansvloer verlegde ik de grenzen van de moderne dans. Midden in de nacht ontwaakte ik enigszins uit mijn roes en ontdekte dat ik moederziel alleen door de Metropool dwaalde. Bussen reden niet meer, zelfs niet naar parels der Voorkempen, en naar huis wandelen was me een stap te ver. Wat te doen? Berooid belde ik aan bij mijn oom die aan het stadspark woonde en een beruchte nachtbraker was. Hij had net zijn tweede fles grappa aangebroken – die hem tot het ochtendgloren gezelschap moest houden – en was niet eens verbaasd op dit ontiegelijk uur zijn neef te horen. De rest van mijn high sliep ik in het bed van mijn nicht uit.

Honderden joints heb ik op feestjes aan me laten voorbijgaan. Nooit voelde ik de aandrang om op toilet een lijn coke te snuiven en grootsprakerig uit de hoek te komen. Lou Reed mocht zingen wat hij wou, Angel Dust kon me niet bekoren. Er waren zeker verlokkingen waar ik voor viel, maar drugs hoorden daar niet bij. In de afgelopen twee decennia hebben we thuis een drietal keer wiet gerookt, terwijl de muziek van Bob Marley door de luidsprekers schalde en we iets te uitbundig lachten met de kapsels van gerespecteerde weermannen.

Oh ja: en ook in Bequia staken we een joint op, maar dat is een eiland in de Caraïben en telt dus niet mee.

Dit was het. Dit was mijn drugsverleden. Tot ik mezelf, de kaap van de zestig naderend, in een koffieshop in Den Haag plots hoorde vragen: ‘Voor mij een zakje cannabis chocolate alstublieft.’ Schuilend voor de najaarsregen wandelden we door de elegante straten van de hoofdstad, zoekend naar een bar waar de avond afgesloten kon worden. Onderweg las ik de gebruiksaanwijzigingen op de verpakking -‘Voor niet-ervaren gebruikers is het aanbevolen slechts de helft op te eten’ -, brak het stuk chocolade in tweeën en propte het naar binnen. De smaak, het moet gezegd, was uitstekend. En de hazelnoot die erin verwerkt was, tilde de culinaire ervaring naar een nog hoger niveau. De drugsmaffia zou geen mal figuur slaan als uitbaters van een pralinewinkel en aan chocolade ben ik wél verslaafd. De andere helft van de lekkernij lag verleidelijk te lonken. Trouwens, er waren al ruim vijf minuten gepasseerd en ik werd nog steeds niets gewaar – die drugsbaronnen wilden zich ongetwijfeld tegen alle mogelijke juridische schadeclaims indekken en gingen even behoedzaam te werk als Russische grondwetsspecialisten. Hop, daar verdween het laatste stuk praline in mijn mond. Wat kon mij, een man van ruim tachtig kilo, in godsnaam gebeuren?

Maar waarom besloot ik net tijdens het familieweekend roekeloos te zijn? Was het de illusie dat cannabis me jonger zou maken? Of speelde het idee mee dat je in het leven zo niet alles dan toch veel minstens een keer moet uitproberen? Of waren het de aanstekelijke verhalen van mijn tafelgenoot die in gebroken Frans vertelde dat hij als twintiger in Londen Engels studeerde en zich een avond had verdiept in het aanscherpen van zijn kennis van soft drugs. Als student huurde hij een kamer bij een historicus die ’s nachts, in het gezelschap van een fles gin, boeken schreef over één bepaald stukje strand tijdens de landing in Normandië. Die bewuste nacht bracht een politiecombi mijn tafelgenoot naar huis. Ze hadden zijn poging om, hartje winter en enkel gekleed in een t-shirt, de veertig kilometer naar huis te rennen onderbroken en hem een lift aangeboden. De dronken historicus bromde nog iets van ‘We need to talk about this in the morning…’ maar was bij het ontwaken alweer alles vergeten.

De bars in Den Haag waren binnen volzet en de terrassen buiten schonken onvoldoende bescherming tegen de regen. Zo kwam het dat we in een kring in de lobby van het hotel, na enig gesleur met het meubilair, de avond afsloten. De gesprekken kaatsten op en neer en mijn nicht Hannah was maar wat trots dat ze een vriend had die het woord consensus niet alleen kende, maar het ook correct gebruikte. Vanaf dat ogenblik besloot ze om in elke zin het woord consensus te laten vallen en ik merkte hoe ik steeds later en langzamer op haar grappen reageerde – als een haperende lachband. De banketbakkersdrug begon te werken. Hoewel het relatief vroeg was, stond ik op, hoorde me ‘vergeten jullie het meubilair niet terug op zijn plaats te zetten,’ zeggen en dacht bij mezelf: ik moet zeker mijn fototoestel meenemen én mijn lenzen uitdoen.

In de lift geraakte alles in een stroomversnelling en ik schoot in een lichte paniek toen de zoektocht naar de kamer urenlang bleek te duren en ik me het kamernummer niet meer kon herinneren. Gelukkig was Jolanda de soberheid zelve en duwde me met lichte dwang de trap op. Die laatste treden leken eindeloos ver en de slaapkamerdeur onbereikbaarder dan de top van de Matterhorn. Maar we haalden het. Net. Lenzen en kleren werden uitgeschoten en opgelucht dook ik in bed in de hoop zo snel mogelijk in te slapen en nuchter wakker te worden. Jolanda zag in de deuropening van de badkamer de snelheid waarmee ik me had uitgekleed en verdacht me ervan nog grootse plannen te hebben.

De roesmiddelen, die aarzelend waren begonnen, gaven – nog voor ik mijn hoofd op het kussen had gelegd – ineens plankgas. Plots belandde ik in een roetsjbaan waarvan de remmen niet naar behoren werkten en ik voelde hoe alle controle wegglipte. Urenlang verdwaalde ik in een niemandsland dat in niets op de magische wereld van Alice in wonderland leek. Het was een labyrint zonder uitgang waarin mijn grootste angsten, schuldgevoelens en complexen vrije baan kregen. Hoe ik ook probeerde in de realiteit te ontwaken – het was tevergeefs. Ik zat gevangen in mijn eigen waanbeelden. Ondanks het vrij spacy decor vol kleurrijke motieven had ik te weinig aandacht voor de visie van de binnenhuisarchitect die mijn onderbewustzijn had ingericht. Er was enkel ruimte voor mijn grootste vrees: dat ik weldra alzheimer zou krijgen en in een poel van vergetelheid zou wegzinken. In een poging mezelf gerust te stellen probeerde ik voor de geest te halen wat we vandaag hadden gedaan (lunchen in een strandbar) en er morgen op de planning stond (bezoek aan museum Voorlinden). Voor de rest waren alle herinneringen weggevaagd, opgeslorpt door aanspoelende psychedelische golven. Hoe ik ook in het duister tastte, ik zag geen uitweg en schoot in paniek. Mijn ademhaling stokte en mijn lichaam begon te trillen van angst.

In dezelfde deuropening, waar uren geleden Jolanda stond, zag ik een verschijning in een witte badhanddoek die naast me kwam zitten en op kalmerende toon sprak. ‘Het is niets. Je moet niet zo bezorgd kijken. Je hebt enkel een bad trip.’

Aan haar stem en aanraking herkende ik haar. Het visioen met zachte Brabantse tongval was Jolanda – maar wat had ze dan de halve nacht in de badkamer uitgespookt? Ineens ontwaakte ik in de realiteit – alsof een lichtschakelaar in mijn hoofd aanschoot – en trok wit weg.

‘Hoeveel uren heeft deze trip geduurd? Heb ik veel kabaal gemaakt? Heb ik het hele hotel bij elkaar geschreeuwd?’ Ik verwachtte een schare bekende gezichten aan mijn sterfbed te zien – waaronder dat van een teleurgestelde moeder – en hoewel de hamburger in restaurant Van Kinsbergen vooraf goed had gesmaakt, had ik me mijn laatste avondmaal toch anders ingebeeld.

‘Rustig maar, rustig maar. Het heeft hoop en al vier minuten geduurd. En niemand heeft er iets van gemerkt. Je hebt gewoon een slecht trip, maar dat gaat voorbij.’

De lichtschakelaar ging weer uit en opnieuw verdween ik in een moeras van onbestemde angsten en schuldgevoelens. Bonte kleuren moesten voorkomen dat het al té neerslachtig werd en steeds stelde ik mijn geheugen op de proef om voor mezelf te bewijzen dat ik niet compleet gek was geworden. ‘Na het bezoek aan Voorlinden is er morgen nog iets belangrijk, maar wat? Ah, ja: Parijs-Roubaix! En wat staat er overmorgen op de planning? Dineren met ex-hotelreceptionisten!’ Maar de zeeën aan toekomst na maandagavond bleven een blinde vlek en weer voelde ik hoe mijn adem werd afgesneden. Tot zachte handen me begonnen te masseren. Hun ritme kalmeerden me tot de roesmiddelen het weer overnamen en de handen in tentakels van een octopus veranderden en het gezicht van mijn Roosendaalse Florence Nightingale in dat van het monster uit Alien.

‘Zaz! We moeten morgen ook onze hond Zaz nog ophalen!’ Blij dat mijn geheugen weer een zwart gat had ingekleurd gaf ik de strijd tegen de waanwereld nog niet definitief op.

Zo ging het uren aan een stuk door. Af en toe ontwaakte ik enkele minuten in de realiteit en zag Jolanda naast mij liggen. Die schaarse heldere momenten waren als reddingboeien waar ik nét naast greep – en zodra ik opnieuw dreigde kopje onder te gaan, vroeg ik met stijgende wanhoop aan mijn beschermengel: ‘Wanneer gaat deze helse rit ooit stoppen?’

‘Misschien ga je nog een paar keer trippen, maar het effect zal langzaam maar zeker afnemen. Probeer er ondertussen van te genieten…’

En opnieuw voelde ik hoe de realiteit wegglipte en de hallucinerende drugs mijn hoofd inpalmden.

‘Probeer ervan te genieten… Je gaat alle besef van tijd en plaats verliezen. Surf op de golven van je onderbewustzijn.’ Het begon met een adem die stokte, armen die wild om zich heen sloegen en de eerste gedachte die in me opkwam was, wegzinkend in het drijfzand: ‘Oh, neen: niet opnieuw. Niet opnieuw Groundhog Day…’ Een film over een man die in een tijdlus is beland en steeds in dezelfde dag ontwaakt. Maar vooral: Fear & Loathing in Den Haag.

Omdat de draaikolk zo vaak halt hield en ik soms een moment helder was, begon ik te denken dat ook de werkelijkheid een verzinsel was. De contouren van de realiteit vervaagden tot een nachtmerrie en de vrees dat ik nooit nog een normaal gesprek met iemand zou kunnen voeren, speelde weer op. Was ik mijn verstand aan het verliezen? Zou mijn dochter haar vader in een godvergeten gekkenhuis regelmatig komen bezoeken? Ik zag mezelf, wegkwijnend onder een tv-deken, tot aan mijn dood wartaal uitslaan.

Telkens een paniekaanval een hoogtepunt bereikte, voelde ik hoe Jolanda me insmeerde en masseerde en in mijn hoofd rijpte de overtuiging dat ze me uit mijn trance wilde halen via een methode waar zij alleen het geheim van kende. Hoe intenser ze me aanraakte, hoe feller de lichten van de nooduitgang schenen. Daar was de werkelijkheid, daar moest ik heen. ‘Je bent gewoon geweldig!’, zei ik toen ze me uit Tranceland had gestreeld. Maar de hoop dat het dra voorbij zou zijn, bleek ongewettigd. Weer zonk ik weg in een wereld zonder houvast.

Ondertussen had Jolanda – die zich, ondanks het feit dat ze nog op Haight-Ashbury had gewoond, enigszins ongerust begon te maken – het stervensdruk. Ze zocht op het internet naar de beste manieren om iemand die in een bad trip gevangen zit te bevrijden. Eten was niet voorradig; wandelen weinig aanlokkelijk op dit godverlaten uur in een natgeregende hoofdstad; praten technisch onmogelijk, want ik was tot weinig meer in staat dan tot het uitstoten van verdwaasde keelklanken. De enige realistische optie was een douche nemen. Ze nam me bij de hand, legde geduldig het concept douche uit en ik begon me – wankelend op beide benen – uit te kleden en in te zepen. In de badkamerspiegel zag ik hoe ogen, die alle besef van tijd en ruimte verloren hadden, me verdwaasd aanstaarden. Nadat ik volledig was ingezeept vond ik dat ik voldoende lichaamsactiviteit had ontplooid en wilde ingezeept en wel in bed kruipen. Maar hier nam Jolanda geen genoegen mee en duwde me onder de waterstraal.

Afgedroogd lag ik met glazige blik in bed, hopend dat het tijdreizen in Tripland voorgoed voorbij was. Ging de kolkende maalstroom ooit eindigen? Of was ik gedoemd tot eeuwig rondjes draaien op de geflipte paardenmolen? Tijd voor enige verstrooiing dacht Jolanda en ze zette de televisie aan. Omdat het fysiek een té grote inspanning vergde om mijn bril op te zetten, zag ik enkel wazige kleuren op het scherm heen en weer dansen. Bij een voetbalwedstrijd stopte Jolanda met zappen. In het midden van de nacht naar een samenvatting van Roda JC-Go Ahead Eagles kijken, leek haar een probaat geneesmiddel. Zelf was ze danig onder de indruk van het niveau van de aanvalslinie van Roda JC – maar de situatie kwam me zo absurd voor dat ik vermoedde in een wensdroom te zijn aanbeland en wilde deze naar mijn hand zetten.

‘Zullen we nu naar iets anders gaan kijken?’

Dat anders werd een heruitzending van Van Kooten & De Bie en terwijl Jolanda zich de pleuris lachte, staarde ik met ernstige blik naar het scherm – alsof het een debat over het Belgisch begrotingsdeficit betrof en ik geacht werd met een wonderoplossing voor de dag te komen. De taalcapriolen van de twee Haagse wonderboys konden bij me nog geen glimlach ontlokken. Die bewaarde ik voor de reclameblokken tussen de geniale sketches. Sterker nog: ik schaterlachte bijna het hele hotel wakker – tot een man, die eruitzag als een beenhouwer, vakkundig met een mes stukjes worst begon te snijden. Het mes waarmee hij consumenten warm maakte voor fijnere vleeswaren liet me doodsangsten uitstaan en ik slaakte een ijselijke gil. ‘Nee! Nee! Nee!…’. Weer werd ik meegesleurd in een nieuwe trip waarin beelden van lillend vlees en sluimerende complexen voor opperste verwarring zorgden. Opnieuw zat ik gevangen in Groundhog Day.

Zo ging het urenlang door. Af en toe kwam ik boven water, hapte naar adem, vroeg Jolanda hoe laat het was (vier na elf; middernacht; halftwee…’) en zonk weer weg in Niemandsland. Hoe ze ook probeerde, ik bleek niet tot communiceren in staat. Woorden schoten te kort, maar mijn gezicht kende, telkens ik haar aankeek, drie uitdrukkingen die een breed gamma aan emoties bestreken: verliefd, angstig en kwaad. In mijn hoofd maakte ik de meest ingewikkelde berekeningen om te bepalen wanneer ik definitief uit de nachtmerrie zou ontwaken en klampte me hoopvol vast aan het feit dat halfvier Jolanda’s laatste tijdsindicatie was. Buiten hoorde ik het geluid van een trolley. Een duif kirde onderweg naar huis en haard. Een auto trok op. Een nachtbraker zong een levenslied. Langzaam maar zeker drong de buitenwereld mijn onderbewustzijn weer binnen. Langzaam maar zeker viel ik in slaap.

Om halfzeven schrok ik wakker en voelde dat de ergste strijd gestreden was. De kans dat ik van de dakgoot zou springen om de duiven op hun vlucht te vergezellen was opnieuw nihil. De mist klaarde op, maar sober was ik nog lang niet. Eerder tipsy, als een Ier op een vrijgezellenfeest in Schotland.

Maar de opluchting dat ik uit een technicolor nachtmerrie was ontwaakt was groot.

Alles zag er weer normaal uit. De boeken naast mijn bed. De rommel in de badkamer. Het licht dat door het raam naar binnen viel. Enkel mijn fototoestel was ik in alle drukte in de lobby vergeten.

In een ontbijtent om de hoek trachtte ik beheerst over te komen, at onversaagd van mijn omelet met tofu en nam afwezig deel aan de tafelgesprekken. Meer en meer familieleden schoven aan en plannen werden gesmeed om elkaar in museum Voorlinden opnieuw te treffen. Tot dan deed iedereen zijn of haar zin. Sommigen bezochten het Fotomuseum, anderen gingen naar Escher, een enkeling bladerde in een koffieshop door tijdschriften. Ik kon dan wel voorwenden sober te zijn, maar het leek me aangewezen om niet met de auto te rijden. Zelfs na het bezoek aan Voorlinden en de afsluitende lunch was de verwarring in mijn hoofd te groot om achter het stuur plaats te nemen.

Jolanda reed en moeder – aan wie ik niets had verteld over mijn nachtelijke escapade en zich verwonderd afvroeg waarom haar zoon zo onsamenhangend klonk – zat in de passagiersstoel. Terwijl de kilometers wegtikten, luisterden we op de radio naar de epische strijd tussen wielergoden in een door onweer geteisterde Helleklassieker Parijs-Roubaix. Het regende valpartijen en opgaves. Vitale atleten leken op mijnwerkers die wekenlang steenkool hadden opgegraven. Van de tweehonderd gestarte renners reden er hooguit dertig de finale. Net toen de laatste overlevenden de zwaarste kasseistrook opdraaiden – de legendarische Carrefour de l’Arbre -, naderden wij de oprit van onze vrienden die zich over Zaz hadden ontfermd. Uiteraard keek de vader des huizes naar de koers.

Zo zagen we hoe drie zwartgeblakerde coureurs – waarvan kenners beweerden dat het Mathieu van der Poel, Sonny Colbrelli en geschiedenisstudent Florian Vermeersch waren – verder en verder van de concurrentie wegreden. Ongenaakbaar. Soeverein. Terwijl de laatste restanten spacecake in mijn hoofd oorlog maakten, spurtten de drie onherkenbare vluchters op de wielerbaan van Roubaix voor de zege. In de laatste twintig meter snelde de eenendertigjarige Italiaan Sonny Colbrelli zijn twee vluchtgenoten voorbij en behaalde zijn mooiste klassieke zege ooit.

Hij viel op de grond, tuimelde rond, huilde van geluk en uit zijn gespierde lijf steeg een oerschreeuw op waarin zoveel emotie verpakt zat dat de aantijging dat mannen geen gevoelens kennen definitief naar de prullenmand verwezen mag worden. Het was een Wilhelm-scream die alle voorgaande Wilhelm-schreeuwen overtrof en veel huiskamers ontredderd achterliet.

Op slag was ik nuchter en klaar om de rest van mijn dagen onder een tv-deken naar heruitzendingen van wielerklassiekers te kijken.

Technicolor zet de toon in Tripland
Geplaatst in Uncategorized | 4 reacties

Hollywood Hopeful

‘Het kan niet anders of ze gaan jou in Hollywood ontdekken. Cela est une certitude. Mijn oudste kleinzoon, een echte filmster. Ik heb het altijd al gedacht. Avec tes beaux cheveux longs et bouclés.

Oma Jacqueline straalde toen ik haar vertelde dat ik reisleider in Amerika ging worden en regelmatig met toeristen in Los Angeles halt zou houden. Haar al niet geringe fantasie schakelde een versnelling hoger en omringd door het voltallige oeuvre van Barbara Cartland voorspelde ze dat talentscouts, eenmaal ik in Hollywood van de bus stapte, zich zouden verdringen om me een contract aan te bieden. Haar overtuiging dat Tinsel Town zich aan mijn voeten zou werpen was gestoeld op een verlangen naar magie. Dagelijks keek ze met haar zus Madeleine naar The Bold and the Beautiful en de twee Zwitserse weduwes verlustigden zich over de romantische verwikkelingen in die cultserie. Dat ik weldra, eventueel gewapend met een tennisracket of golfclub of stethoscoop, als heartthrob in gelijkaardig hoogstaand vertier mijn opwachting zou maken, verlichtte haar gemoed. Ze voelde zich weer een jong meisje en veegde al mijn mitsen en maren van tafel.

‘Geloof je oma nu maar: jij wordt een échte ster.’

En weer haalde ze herinneringen op aan de enige drie minuten dat ze me daadwerkelijk had zien acteren. Jaarlijks speelden we op de Steinerschool een toneelstuk en in de derde klas van de lagere school kreeg ik de rol van Mozes en aan de vooravond van de generale repetitie debiteerde ik op het terras van Villa Shalom – voor een beperkt maar geboeid publiek – de monoloog waar het allemaal om draaide. Een stoel deed dienst als de berg Sinaï. God had me net in goed vertrouwen de Tien Geboden overhandigd, maar wat ik beneden aantrof beviel me allerminst. Het volk was tijdens mijn afwezigheid ontuchtig geweest. Ze waren zich zowaar aan het amuseren en leken haast gelukkig – en dat kon nooit de bedoeling zijn. Na een woedend betoog hief ik de stenen tafelen hemelwaarts met de bedoeling die voor de voeten van mijn ondankbare volgelingen in honderden stukken te verbrijzelen. In alle drukte had ik de hoek echter slecht berekend en na een onzachte aanraking met de terrastegels brak er slechts een klein stukje af. Mijn beide grootouders en hun boezemvriend Mosje Dorf – die de gezegend was met de gedrongen gestalte van een mogul uit de Golden Age of Hollywood – waren desondanks zeer onder de indruk. Hier ontkiemde bij oma de droom dat haar kleinzoon het ooit tot legende op het witte doek zou schoppen.

Hoewel ik als reisleider in de jaren negentig van de vorige eeuw vaak genoeg over Hollywood Boulevard struinde, werd ik nooit door talentscouts opgemerkt. Ik bleef een anonieme passant die in de rij stond bij Mann’s Chinese Theatre of schichtig binnenliep in boekenwinkels van bedenkelijk allooi waar onder de toonbank gespecialiseerde tijdschriften in kartonnen zakken werden verkocht. Even vaak lag ik aan de rand van een hotelzwembad de tijd te verdrijven. Maar één avond voelde ik hoe de Inner Circle van Hollywood een hand op mijn schouder legde. Een oude schoolvriendin, die aan Sint-Lukas had gestudeerd en faam aan het verwerven was in de wereld van de animatiefilms, kwam me oppikken in haar cabrio. Ze was een bedwelmende schoonheid die de avond voordien nog met Keanu Reeves was gaan dineren. Nadat ze in de lobby van het hotel binnenschreed vergaten mannelijke toeristen huis & haard en keken vol ontzag hoe ik op de passagiersstoel plaatsnam. Hun reisleider, die zich zo weinig aan de Duitse naamvallen gelegen hield, reed in het gezelschap van een femme fatale de nacht in.

Af en toe vond een Duitse toeriste dat ik even stuntelig oogde als Hugh Grant. Maar verder reikte mijn claim to fame niet.

De Hollywood-droom werd opgeborgen en in hotel ’t Sandt pikte ik de draad van het gewone leven weer op. Achter de balie zag ik meer beroemde gezichten voorbijkomen dan in al die jaren in Los Angeles en de – zeldzame – starlets met diva-allures die vonden dat de wereld hen toebehoorde, verdwenen weer snel in de poel van vergetelheid van waaruit ze waren opgedoken. Acteurs vroegen, net als ingenieurs, om hun kamersleutels en bestelden room service. Zelden dacht ik nog aan de hoop van mijn oma. Tot op een ochtend, net voor het aanbreken van het nieuwe millennium, de filmploeg van Familie neerstreek. Er was een deal bedisseld en in ruil voor een vermelding in de aftiteling kon er de hele dag in alle uithoeken van het hotel gefilmd worden. Kabeldragers waren druk bezig; flitslampen werden opgesteld; mannen holden doelgericht heen en weer en schreeuwden in walkie talkies bevelen waar niemand acht op sloeg; acteurs en actrices, die er in hun vrijetijdskleding best cool uitzagen, werden ontdaan van elke lust for life tot ze er even truttig uitzagen als Vlaamse Kennen en Barbies. Ondanks de uitgekiende voorbereiding had niemand eraan gedacht een acteur in te huren voor de rol van hotelreceptionist en onder collega’s werd besloten dat die op mijn lijf geschreven stond. De camera’s begonnen te draaien, ik rommelde wat door stapels papierwerk en voor mij verscheen een zenuwachtig koppel waarvan ik, zonder het scenario te kennen, onmiddellijk begreep dat ze zich aan overspel wilden bezondigen. Maar een hotelreceptionist doet niet aan gemoraliseer.

‘En actie!’

‘Mister de Mille, I am ready for my close-up…’, spookte het door mijn hoofd. Ik was een jonge dertiger – net zo oud als Paul Newman toen hij zo magistraal debuteerde in Somebody Up There Likes Me – en voelde het licht van de schijnwerpers branden. One shot. Eén kans om een onuitwisbare indruk te maken. Eén kans om Philip Seymour Hoffman als grootste acteur van mijn generatie van het voetlicht te stoten.

‘Welkom in ons hotel. Uw kamer bevindt zich op de derde verdieping. Ik wens u nog een aangenaam verblijf toe.’ Dat waren de woorden die briljante scenarioschrijvers in mijn mond hadden gelegd. Maar in mijn fantasie zei ik: ‘Of all the gin joints in all the towns in all the world she walks into mine.’– en overhandigde de kamersleutel met een Humphrey Bogart-waardige, door het leven geharde, twinkeling in mijn ogen. Twintig seconden lang was ik wereldberoemd in Vlaanderen.

In de daaropvolgende maanden werd ik regelmatig op straat aangesproken door mensen die me vaagweg van vroeger herkenden. ‘Ség, ongelooflijk. Ik heb u in Familie gezien. Gij zijt acteur geworden. En zo’n schone rol. Ge speelde het echt heel goed: hotelreceptionist. Alsof ge het echt waart. Wat zal uw bomma trots zijn…’

Het waren de enige twintig seconden dat ik met een zekere naturel in de camera keek. Vaak genoeg weerklonk er in de daaropvolgende jaren – waarin nieuwe productiehuizen als paddenstoelen uit de Vlaamse klei rezen – in de hotellobby ‘Lights! Camera! Action!’ – maar telkens verkrampte ik wanneer de spotlichten aanschoten. De enige andere keer dat mijn bijdrage niet door een monteur werd weggeknipt, was toen ik op het terras een gin tonic voor de Nederlandse columnist Martin Bril – en bedenker van het woord rokjesdag – inschonk. Ook toen klonk het vanop terrassen in de Antwerpse binnenstad, zij het gedempter, ‘Gij zijt acteur geworden…’

En toch, en toch: het had helemaal anders kunnen verlopen. Niet dat de Steinerschool met de Actor’s Studio in New York te vergelijken viel, maar menig groot Belgisch acteur liet er zich op de planken van het schooltheater voor het eerst opmerken. De gammele houten chalet waar het allemaal doorging was een broeihaard van talent en in elke Belgische film of televisiereeks herkende ik gezichten van vroeger op de speelplaats. Had ook ik de bijrollen aaneen kunnen rijgen? In de lagere school kreeg ik de ene na de andere hoofdrol. Sint-Joris, Mozes, Brutus, een of andere Egyptische farao waarvan de naam me even ontschiet. En telkens speelde ik die rollen met een ernst en verkramptheid die Charlton Heston met afgunst had vervuld. Wat had ik graag lichtvoetig, zoals Cary Grant, over het podium gedarteld – maar het mocht niet zijn. Voor Het Grote Gebaar slechts één adres. Onze klastitularis – de legendarische meneer De Beer – regisseerde de toneelstukken en hij deed dat met harde hand. Hij geloofde in de pedagogische tik. En in Spartaanse heldenmoed. Er vloeide tijdens de repetities dan ook meer bloed dan bij de slag van Thermopylae. Vanachter een hoornen bril nam de regisseur streng de eerste acteerstappen van zijn pupillen in ogenschouw. Bij de minste aarzeling vloog een schare Antwerpse krachttermen ons om de oren, niet veel later gevolgd door dreigende vuisten en er werden regelmatig – om de kwaliteit van het stuk te vrijwaren en in het belang van de Kunst – klappen uitgedeeld. De aanstormende acteurs bewaarden daarom behoedzaam enige afstand tussen hen en meneer De Beer; niet alleen om tijdig weg te kunnen vluchten, maar ook omdat hij de tekst zo luidruchtig souffleerde dat een regen van speeksel de toneelplanken spekglad maakten.

Op de dag van de opvoering overtroffen zowel de klas als de regisseur meestal zichzelf. Jonge kinderstemmen probeerden boven het kabaal van de souffleur uit te komen en zich niet door gebalde vuisten en verwensingen van de wijs te laten brengen. Ouders waren na afloop verrukt over het vertoonde spel, bloemen werden dankbaar in ontvangst genomen en de meesten van ons werden een gouden toekomst voorspeld die onherroepelijk zou uitmonden in een villa met zwembad op Sunset Boulevard.

Tijdens de middelbare school werden de stukken beter en de regie discreter. Hoewel ook nu bij de uiteindelijke keuze tragedies hoger werden ingeschat dan komedies. Er werd wat afgestorven en gelamenteerd tijdens onze tienerjaren op de planken. Leraren zagen onveranderlijk meer heil in Faust dan in The Importance of Being Earnest. Niemand van hen wilde van oppervlakkigheid beticht worden. Aan het einde van de regenboog ligt een Boulevard of Broken Dreams.

Ondanks het Kozakkenuniform ging ook in The Tempest van William Shakespeare alle aandacht uit naar hel & verdoemenis.

Na de middelbare school ging het met mijn Hollywood-carrière snel bergaf en zo kwam het dat ik als nobele onbekende, in het jaar dat de Berlijnse muur viel, in Dijon aanmeerde. Met een vierhonderdtal studenten van over de hele wereld verdiepten we ons in de Franse cultuur – wat er op neerkwam dat we slechte wijn dronken, uit dansen gingen in rokerige kroegen en verliefd werden op Italiaanse meisjes die zo wondermooi dai, dai in hese altstemmen fluisterden dat je het er zelfs voor over had op hun kamer naar Elton John te luisteren. Ze heette Rossella en omdat ze hoopte – net als haar zestig miljoen landgenoten – het op de planken te maken, had ze zich ingeschreven voor een theatercursus. Omdat het tussen ons, ondanks de luistersessies op haar bed, maar niet opschoot, volgde ik haar voorbeeld. Maar de twijfel bleef. Ze was naar Frankrijk gekomen om onregelmatige werkwoorden te studeren en niet om haar hart aan een noorderling met een onzekere toekomst te verpanden.

De regisseur was een innemende, kleine Italiaan – Massimo – die met onopvallende gebaren veel effect sorteerde. Hij geloofde in de opgetrokken wenkbrauw. Hij geloofde in de acteerstijl van Spencer Tracey, die weinig meer deed dan met de handen in zijn broekzakken van hot naar her flaneren. Het stuk dat hij had uitgekozen was La Cantatrice Chauve van Eugène Ionesco, een komedie zowaar, en hij legde daarmee de verordeningen van Rudolf Steiner himself naast zich neer. Massimo trok meer dan één wenkbrauw op toen hij me tijdens repetities met Grote Gebaren in de weer zag. Tot hij de perfecte rol voor me had bedacht: die van een controlefreak die langzaam maar zeker de situatie niet meer meester is en helemaal doordraait. Als dolleman was ik perfect getypecast. Wild uitslaande armen, spastische gezichtsuitdrukkingen, benen die alle kanten uitschoten. Slapstick op speed.

Het werd een daverend succes. Op de avond van de voorstelling rolden de lachsalvo’s als een tsunami podiumwaarts. Die enkele minuten in de schijnwerpers van een theater in een Franse provinciestad waren hét hoogtepunt uit mijn leven op de bühne. Vrienden, kennissen en wildvreemden staken na de voorstelling, met betraande ogen van het lachen, spontaan hun handen uit en een verstandig Hollands meisje zei: ‘Dat moet je deugd hebben gedaan: jezelf zo helemaal verliezen en al je remmingen eindelijk eens overboord te gooien.’

Voor één keer stond ik in het middelpunt van de belangstelling en liet me de lofbetuigingen welgevallen. Enkele uren lang was ik een ster, maar ging desondanks alleen naar bed.

Tot in het midden van de nacht een Florentijnse hand – die voordien zo lang had getwijfeld – gedecideerd op de deur van mijn slaapkamer klopte. Rossella glipte binnen en elkaar omhelzend vielen we in een gelukzalige slaap.

Vele jaren later werd ik tijdens een optreden van een vriend overstelpt door berichten van een oude schoolvriendin die actrice was geworden. Ze speelde mee in The Chapel – de nieuwste film van Dominique Deruddere – en voor de rol van voorzitter van de koningin Elisabethwedstrijd waren ze dringend opzoek naar een ‘edelfigurant’. Voor de juiste invulling zochten ze naar een man van middelbare leeftijd zonder bierbuik die accentloos Nederlandse sprak, grijze krullen had, niet gehinderd werd door enige acteerervaring en eruitzag alsof hij meer van pianomuziek kende dan alle producers van radio Klara bij elkaar. Na een korte stemtest en een recente foto werd ik aangenomen en twee dagen later zat ik – voorlopig nog anoniem – op de trein naar Brussel. Zou ik alsnog, op mijn oude dag, met roem overladen worden?

De opnames waren in de Bozar en er heerste een gezonde bedrijvigheid. Het was een mierennest waarin iedereen perfect wist waar hij of zij mee bezig was. Stoere vrouwen met walkie talkies brachten me naar de schminkkamer waar een meisje met amandelvormige ogen mijn gezicht opmaakte voor de close-up; in de kleedkamer reikte een vrouw met een gulle lach me een smoking aan die me op slag metamorfoseerde van een Jonathan Richman-fan in een gezaghebbende pianomuziek-autoriteit. In de coulissen dwarrelden jonge acteurs en actrices rond – die de kandidates voor de koningin Elisabethwedstrijd speelden – en in hun bonte verscheidenheid leken ze nog sterker op aanstormende pianovirtuozen dan de échte deelnemers. Dit ondanks het feit dat, zoals gesprekken onthulden, niemand van hen een noot muziek kon lezen. Ook de juryleden waren uitstekend gecast en zagen er stuk voor stuk uit als mensen die in een niet al te ver verleden met achteloze precisie de moeilijkste pianoconcerten van Rachmaninov uit hun vingers toverden. Maar de onderlinge conversaties, in afwachting van ‘Stilte voor opname! En actie!’, deden me aan een anekdote van Paul Newman denken.

Op de vraag of hij – die zo geloofwaardig de poolshark Fast Eddie in The Hustler en The Colour of Money had vormgegeven – goed kon biljarten antwoordde Ol’ Blue Eyes: ‘I love to go out in the evening with a sixpack and play some pool. One night a guy walked up te me and said: “Mister Newman: The Hustler is my all time favorite movie. I’ve seen it at least about a dozen times. And tonight I saw you play pool. Mister Newman: it was the biggest disappointment of my life.’

Het is op pellicule vereeuwigde magie.

Dominique Deruddere zag me uitgedost en wel in het cafetaria zitten en zei: ‘Ah, jij bent zeker onze juryvoorzitter. Het lijkt net echt.’

Al snel heerste er een soort kameraderie onder de figuranten. Je had de oude rotten in het vak die me, als bleu, met goede raad overstelpten; je had de elegante dames die hoopten dankzij de plooien van hun avondjurken de koningin Elisabethwedstrijd nog meer cachet te geven; je had een boezemvriend van Arno die ontroerende en grappige verhalen over de prins van Oostende vertelde; en je had Marcel, een andere geboren en getogen Oostendenaar van Afrikaanse afkomst met grijze krullen, die al vijftien jaar in het figuranten en reclamecircuit meedraaide en met zichtbaar genoegen filmpjes liet zien van al zijn heroïsche prestaties in de achterkamers van de filmindustrie.

De spanning onder de Hollywood Hopefuls steeg want weldra moesten we voor een eerste take in een tot de nok gevulde Bozar verschijnen. De regisseur vroeg voor de zekerheid, tussen neus en lippen door, of ik de tekst uit het hoofd kende en plots leek het of de grond onder mijn voeten openscheurde. De tekst! Die was ik in alle drukte thuis gladweg vergeten en omdat het zo kort dag was had ik ook geen tijd gehad om deze in te studeren. Omringd door tientallen vakmensen en honderden figuranten voelde ik me als de weergaloze pianiste Maria Joao Pires die in een volle concertzaal tot het besef komt dat ze het verkeerde muziekstuk had ingestudeerd. De vrouw van de regisseur schoot me te hulp. Ze gaf me haar exemplaar van het scenario, duidde de bewuste passages aan en zei geruststellend dat ik deze mocht voorlezen. De assistent-regisseur riep ‘en actie!’. De karavaan juryleden zette zich in beweging, en in het licht van de schijnwerpers deden drie vakmannen teken dat het nu aan mij was. Een volle zaal hield ingehouden de adem in. De spanning sneed mijn keel dicht en toch keek ik zelfbewust naar het publiek en liet pas dan mijn ogen naar het tekstblad afdwalen. En toen was er niets meer. Omdat een beetje juryvoorzitter geen bril draagt, had ik mijn lenzen ingedaan – maar tot mijn afgrijzen bleek ik de kleine letters niet te kunnen ontcijferen. In een niemandsland dansten onleesbare hiëroglyfen alle kanten uit. Wat nu gedaan? Het publiek begon te kuchen; de assistent-regisseur staarde me wanhopig aan. Razendsnel floepte ik beide lenzen uit en stak ze in mijn broekzak. Spencer Tracey 2.0.

De tekst kon ik nu moeiteloos aflezen maar er diende zich een ander probleem aan: ik zag zo goed als niets meer. Enkel wat vage vlekken waarin ik vooral teleurgestelde toehoorders meende te herkennen.

‘En… cut! We gaan het opnieuw doen.’

Keer op keer keerden de geachte juryleden op hun stappen terug en verschenen – plechtig schrijdend – vanuit de coulissen wederom op het voorplan. Mijn hoofdbetrachting bestond erin niet over de kabels te struikelen en met aarzelende stappen, een voorzitter onwaardig, zocht ik mijn weg in het halfduister.

Keer en keer opnieuw hoorde ik ‘En actie!’, voelde de verwachtingen van het publiek stijgen, stond fier rechtop, putte moed uit het tekstblad, keek onbevreesd naar de koninklijke loge en begon steevast ijzersterk met: ‘Sire…’. Het was pas nadien dat het mis liep. Ofwel legde ik de klemtoon van een Frans woord verkeerd, ofwel verhaspelde ik de naam van een kandidaat met Eddy Wallyiaanse bravoure, ofwel vergat ik de helft van mijn monoloog. Waar de regisseur van de lagere school in een woedeuitbarsting de bezetting van de muren had gebruld, bleven de regisseur en assistent-regisseur van The Chapel er verrassend sereen onder. ‘En… cut! We gaan het nog een keer doen…’

De valavond viel en de honderden figuranten begonnen zenuwachtig heen en weer te wiebelen. Zouden de laatste treinen naar verre hinterlanden nog gehaald worden? Toen ik bij een herkansing niet enkel, met de nodige aplomb, de verkeerde naam van een kandidaat zei maar deze ook nog eens verkeerd uitsprak, besefte Dominique Deruddere dat het tijd was om de draaidag te beëindigen.

Lichtjes beschaamd nam ik de trein en verwachtte elk moment een bericht te krijgen van de producer dat ik voor de volgende opnames niet meer hoefde terug te komen. Ergens in mijn achterhoofd had ik gehoopt dat mijn oma het bij het rechte eind had gehad toen ze me een grootse Hollywood-toekomst voorspelde – maar na vandaag had zelfs zij ingezien dat ik nooit in een villa met zwembad op Sunset Boulevard zou eindigen.

Bedroefd keek ik naar buiten en zag bekende plekken voorbij komen. Brussel-Noord. Schaarbeek. Vilvoorde. Mechelen Nekkerspoel. En net voor we in Berchem aankwamen hield een dame van middelbare leeftijd halt in het gangpad, staarde me verbluft aan en zei: ‘Sèg, gij bent toch een acteur! Ik zat als figurant in het publiek in den Bozar…’

Verontschuldigend knikte ik haar bevestigend toe en wou me excuseren voor het opgelopen tijdverlies en hoopte dat ze na vandaag haar geloof in de cinema niet voorgoed was kwijtgespeeld.

Maar de blik waarmee ze me aanstaarde was niet beschuldigend, maar bewonderend en riep herinneringen op aan lang vervlogen Florentijnse nachten.

Gij waart gewoon schitterend…!’

De grootste Jonathan Richman-kenner ooit die het tot voorzitter van de koningin Elisabethwedstrijd schopte.

I am a full fledged, grown-up adult
I’m tryin’ make a dent, tryin’ to get a result
I’m hold up in a Hollywood hotel suite
Tequila to drink and avocado to eat

They got all kinds of victories and lots of downfalls
They got drugs in the rugs and ghosts in the walls
Starlets in the lobby that can make a man drool
Blood on the curtains and a phone by the pool

Well I never did see so many TV stars
And I never did see so many rented cars
I never did see so many desperate eyes
And I never did hear so many bold faced lies

Loudon Wainwright III – Hollywood Hopeful

Geplaatst in Uncategorized | 4 reacties

Bruno Berlingo does Eastbourne

‘My name is Joe and I’m supposed to stay here with you for until the end of the month.’

Het was de zomer van 1982 en voor het eerst trok ik alleen op reis. Mijn ouders hadden het lumineuze idee gehad me op taalcursus te sturen en omdat in mij een anglofiel hart klopte, viel de keuze op een summer course in Eastbourne, een kustplaats in het zuiden van Engeland. Een overtocht per Hoovercraft en enkele treinritten later bereikte ik mijn bestemming. In een straat met Victoriaanse huizen belde ik aan op het adres van de familie die de school me als verblijfplaats had toegewezen. Een bruingebrande Britse dame met zuiderse flair deed open en mijn zestienjarig kennersoog zag onmiddellijk dat ze niet alleen hoogzwanger was maar ook een onmiskenbare schoonheid. Hier was ik niet op voorbereid. In mijn verbeelding leken alle Engelse vrouwen op koningin Elisabeth en straalden ze evenveel sex appeal uit als een vroegmis in een bejaardentehuis. Ze verwelkomde me hartelijk. Tenminste, dat vermoedde ik. Want ook op haar uitspraak van het Engels, dat mijlenver van het Oxbridge van mijn culthelden stond, was ik niet voorbereid. Ik begreep enkel dat ze Denise heette. Haar onverstaanbare klanken volgend, werd ik naar mijn kamer op de eerste verdieping gebracht. Het was een smal vertrek met een hoog plafond waarin twee bedden stonden die op opgewaardeerde veldbedjes leken. Ik deelde mijn kamer met een verlegen Franstalige Zwitser die ook voor het eerst alleen reisde en driemaal per dag door zijn moeder werd gebeld met de vraag of alles goed met hem ging. En of iedereen vriendelijk was.

Oui, maman. Tout le monde est très sympathique avec moi…’, erkende hij met schaamrood op zijn wangen.

In de aanpalende kamer klonk behoorlijk wat tumult. Het was de master bedroom die was uitgerust met een ruim balkon én schuifdeuren die op gehandschoende butlers stonden te wachten. De oorzaak van al het kabaal waren drie veertienjarige Italiaanse jongens uit Rome die er hun intrek hadden genomen. Het testosteron gierde door hun kwajongens-lijven en dat mocht de buurt geweten hebben. Oerwoudkreten schalden door het vensterraam, bedden werden besprongen als waren het springkastelen en sigaretten werden opgestoken met de vingervlugheid van doorwinterde nicotinejunkies. Al na één etmaal leek hun slaapvertrek op een verlopen kroeg in een havenstad.

‘Lunch is served!’

Drie Italianen, een Zwitser en een Antwerpenaar holden naar beneden en zochten tevergeefs in de woonkamer naar een gedekte eettafel. Die viel nergens te bespeuren. Wel zagen we een slungelachtige man op een sofa zitten die, al televisiekijkend, een maaltijd verorberde. Hij bleek haar echtgenoot te zijn en baatte om de hoek een ijzerwarenwinkel uit die vooral dienst deed als buurtcafé en waar al na enkele pints de Fransozen de schuld van alles wat er verkeerd liep in de wereld in de schoenen geschoven kregen. Verrassend genoeg was zijn naam John en het bleef een mysterie hoe zo’n nietszeggend sujet – met een weliswaar uitmuntende kennis van bouten en moeren – Eastbourne’s finest aan de haak had kunnen slaan. De woonkamer was verder volgestouwd met robuuste meubelen uit de nadagen van de Victoriaanse tijd en in een hoek stond een kapotte platenspeler op ondernemende mannen te wachten. Niets in de houding van John wees erop dat dit probleem ooit opgelost zou geraken.

‘Please, come over here…’

Het was blijkbaar in de keuken te doen. Vijf hongerige magen namen plaats aan een soort toog en vijf paar puberogen keken waarderend – zonder dat we de Engelse afkorting Milf al kenden – naar de negenentwintigjarige deerne die een maand lang onze surrogaat moeder zou spelen en onverschillig in potten en pannen stond te roeren. Zeker het Italiaanse triumviraat was er niet bepaald gerust in. Hun achterdocht bleek niet ongegrond. We kregen een fluorescerende blubber voorgeschoteld die bewees dat de renaissance van de Britse keuken nog enkele decennia op zich zou laten wachten. En in een moeite door maakte Denise het menu voor de rest van ons verblijf bekend. Het waren allemaal varianten op: ‘lauw opgewarmde vetstoffen overgoten met een felgekleurde gelei’ en zorgden ervoor dat elk middagmaal de nasmaak van een blauwe maandag kreeg. De drie Romeinen luisterden naar haar betoog en wisten niets anders uit te brengen dan ‘Non capisco niente…’, zodat ik algauw werd aangesteld als vertaler-tolk en de scherpste kantjes van de culinaire kritiek, die vanuit de spionkop van Lazio Roma opwelde, eraf vijlde. De Zwitser trok zich terug in stilzwijgende neutraliteit.

De vijf musketiers verbeten hun teleurstelling maar konden hun ogen niet van de kokkin afhouden die – lang voor Nigella Lawson – haar gerechten met een pikante je-ne-sais-quoi op smaak bracht. Op de radio – steevast afgesteld op BBC 2 – zong Duran Duran Hungry Like a Wolf; een voor ons al na één hap voorgoed vervlogen wens. En omdat het wereldkampioenschap voetbal was afgetrapt, was deze culturele hoogmis – wanneer de conversatie stokte – ons favoriete onderwerp. Ik loofde de Rode Duivels en de Italianen geloofden in hun Squadra Azzura.

Ik keerde terug naar mijn kamer, pakte mijn koffers uit, legde mijn spullen – enkele Sport Magazines en wat boeken van H.P. Lovecraft – op het nachttafeltje en vertrok naar de les.

Het was een aangename wandeling langs groene lanen en over de zeedijk tot aan de school die gehuisvest was in een bescheiden kasteel. Ook de tuin mocht er wezen: uitgestrekte grasvelden, eeuwenoude bomen en hier en daar zelfs meticuleus verzorgde bloemperken die door dankbare studenten als asbakken werden gebruikt. Het krioelde er van de jeugd. Het leek wel of elke zestienjarige door vooruitziende ouders naar Eastbourne was gestuurd; maar er waren toch vooral opvallend veel Italianen en Arabieren. De rest van de wereld was numeriek in de minderheid.

Na een ingangstoets werden de groepen verdeeld en ik kwam in een klas terecht met een handvol Scandinaviërs, de Spanjaard Paco – die, naar later bleek, verschrikkelijk goed kon pingpongen -, enkele Franse meisjes, een magere Duitser met een David Niven-snor die eruit zag als een New Waver met wie je urenlang over Japanse persingen van Kraftwerk-bootlegs kon discussiëren én een struise juwelierszoon uit Hamburg aan wie ik gelijk een bloedhekel had. Hij was overdreven blond, keek misprijzend door blauwe ogen naar het profanum vulgus en droeg bordeaux-broeken die bewezen dat hij lak had aan Gothic. Of had ik juist een hekel aan hem omdat ik, met uitzondering van zijn blonde lokken en vestimentaire voorkeur, veel van mezelf in hem herkende? Zo toonde hij zich tijdens klasdiscussies een felle voorstander van het vrij ondernemerschap. En terwijl ik me op de Steinerschool, in de lessen moraalfilosofie, opwierp tot woordvoerder van de liberale stroming in een hoofdzakelijk links georiënteerde klas klonk ik nu – puur om de juwelierszoon op stang te jagen – als de nieuwe hoop van de vakbond. Het scheelde niet veel of in Eastbourne was de basis gelegd voor de 12-urige werkweek en het honderd procent loonbeslag op alle inkomens boven de armoedegrens.

We kregen les van drie docenten. Een oudere leerkracht – die op de vader van John McEnroe leek – speelde met verve de rol van lichtjes excentrieke Engelsman. Bolhoed. Bretellen. Ironische terzijdes bij de vleet. Verder had je David, een vitale dertiger, die vol overgave de kennis die hem in Oxford was aangereikt over de valkuilen van de Engelse taal aan zijn leerlingen wilde onderwijzen. En dan was er Rachel. Ze was net afgestudeerd en droeg bij voorkeur luchtige zomerkleedjes. Veertig jaar nadat ze voor het eerst het klaslokaal binnen dartelde en zich in pitch perfect Engels had voorgesteld, weet ik nog steeds welk woord in me opkwam om haar te omschrijven. Bloedstollend. Mijn hart sloeg niet één, maar tientallen keren over. En vanaf het moment dat ze sprak, verhevigden de emoties nog, want haar prachtige taal klonk als een haardvuur waar ik me tot mijn oude dag aan hoopte op te warmen. Maar haar welvingen waren zo mogelijk nog mooier en ik betrapte mezelf erop dat als Rachel op het bord grammaticale instinkers schreef mijn blik, met brandend verlangen, afdaalde naar een plek waar de juiste verbuigingen minder van tel waren.

Ook tijdens de zomer van 1982 bleek opnieuw hoezeer ik een gewoontedier was. Onveranderlijk wandelde ik via dezelfde weg terug naar huis. Onderweg stopte ik zo goed als dagelijks in de platenwinkel die schuin tegenover de schoolpoort lag en kocht er muziek die in New Musical Express met sterren werd overladen; want ja: al na enkele dagen Eastbourne was ik helemaal verslingerd aan de NME en vooral aan de visuele sfeer van het blad waarvan ik pas later begreep dat Anton Corbijn er de artistieke directeur van was. Op mijn wandeltochten maakte ik kennis met vreemde culturen en proefde voor het eerst van mij tot dan toe onbekende exotische keukens. Zo wipte ik meerdere keren per week binnen in de Kentucky Fried Chicken en deed me te goed aan de superieure smaak van druipend kippenvet; en in een krantenwinkel leerde ik Maltesers kennen en kocht er op elke heen- én terugweg een pak of twee van. Mijn leven plooide zich, enkele honderden kilometers van huis, in vaste patronen.

Eenmaal op de slaapkamer probeerden de Zwitser en ik elkaars muren van stilte te doorbreken en terwijl in het aanpalend vertrek het gejoel van losgeslagen Italianen losbarstte, bleven onze gesprekken vaak in beleefdheidsformules steken. Terwijl mijn platencollectie groeide, koesterde hij een fetisj voor duffe bruine schoenen – die hij opblonk en onder zijn netjes opgevouwen jeansbroeken en witte hemden wegzette. Maar wat mij vooral verontruste was dat hij er altijd was. Nooit had ik eens een moment voor mezelf alleen. Nooit kon ik eens in alle discrete de zomerse hormonenspiegel naar een dragelijk niveau brengen. Telkens als ik het vuur van een zestienjarige wilde blussen, zag ik zijn boekhouderskapsel op het hoofdkussen liggen en dacht zo snel mogelijk aan saaie zaken om de lust te temperen. Meestal was er een glansrol voor zijn schoenen weggelegd.

De dagen volgden hun vertrouwde bedding. Overdag genoot ik van de energieke lessen – en onduidelijke opdrachten in het taallabo – en in de late namiddag zocht ik naar vrijwilligers om in een van de vele parken die Eastbourne rijk is te gaan voetballen. Wanneer de vooravond viel werd er altijd wel in een of ander studentenkot bijeengekomen en terwijl opgewaardeerde sigaretten van hand tot hand gingen en de eerste blikjes bier werden geopend, dansten de gesprekken alle kanten op. Uit de teneur van de conversaties kon een goede verstaander opmaken dat de revolutionaire omwentelingen nu echt voor de deur stonden; maar tegelijkertijd doorprikten we regelmatig onze eigen hoogdravendheid. Rondkijkend in een kamer vol zoekende jeugd hoopte ik zolang mogelijk in gelijkgestemde bubbles – waarin de naam van Rainer Werner Fassbinder meer respect afdwong dan die van koning Boudewijn – te kunnen vertoeven. Een leven dat draaide rond gelach, vriendschappen, sport en spel, meisjes met sluikhaar die een superieur intellect uitstraalden en opgewonden discussies over cultfiguren, wilde ik zo lang mogelijk rekken. Voor de rest slenterde ik door de badstad waarin de ouderen nog in de wereld van P.G. Wodehouse leefden en de jongeren een ruwe bolster cultiveerden. Het waren de hoogdagen van de postpunk en hanenkammen en leren riemen met metalen pieken beleefden een glorietijd. In de binnenstad en op de dijk met een charmante pier hing voortdurend een dreigende sfeer en regelmatig kwam het tot schermutselingen tussen de buitenlandse studenten en de voorwacht van het Britse rijk. Brighton Light.

Schermutselingen of niet, bijna elke avond gaven de studenten acte de présence in een van de discotheken in het uitgaanshart van de badstad waar de drank, tot the last call, rijkelijk vloeide. Er werd gedanst tegen de sterren op en dé song die tijdens die zomer een stormloop op de dansvloer ontketende was Tainted Love van Soft Cell. Maar ook andere evergreens van de New Romantics konden vele jonge heupen in beweging zetten. De Italianen lieten zich niet onbetuigd. Hoewel geen van hen met een hanenkam pronkte en ook het oeuvre van Echo & the Bunnymen hen onverschillig liet, veroverden ze menig meisjeshart. Terwijl zij op zegetocht trokken, brulde ik, in een poging de muziek in de discotheek te overstemmen, in het oor van een andere timide jongeman die aan de rand van de dansvloer draalde, mijn belangwekkende mening over Ein jahr (Es geht voran) van Fehlfarben. Wat hadden we beiden graag onze verlegenheid willen inruilen voor Mediterraanse uitbundigheid.

Juf Rachel was een onbereikbare muze. Maar in de bonte menigte meisjes die tijdens de pauze op de speelplaats druk in de weer waren, was er mij toch iemand opgevallen. En ik haar, blijkbaar. Ze was een Italiaanse uit Trieste, had vrolijke krullen en bewoog gracieus. Eerst vermoedde ik dat ze vaak bij mij kwam staan omdat ze mijn opinie over Fehlfarben bijzonder boeiend vond, maar na een tijdje begreep ik dat niemand in haar thuisstad om de Neue Deutsche Welle gaf – hoewel Trieste tot aan het eind van de Eerste Wereldoorlog deel uitmaakte van het Oostenrijks-Hongaarse Keizerrijk. Regelmatig hintte ze dat het in het liefdesspel aan de man is om, wanneer de voortekenen gunstig zijn, actie te ondernemen. En daar stond ik dan als onzekere tiener en vervloekte mezelf dat ik tot niets beter instaat bleek dan hoffelijk afscheid nemen op een maanverlicht strand.

Had ik maar in een alter ego kunnen wegvluchten. Vele decennia later bedacht iemand dat de combinatie van je tweede roepnaam met het merk van je eerste auto je pornoster artiestenaam is. Bruno Berlingo. Wat had mijn alter ego Bruno Berlingo, begiftigd met de nodige panache, in the Summer of Love van 1982 grote sier kunnen maken.

Terwijl het enige wat me rest van die amoureuze fluistergesprekken onder de pier een stuk of wat handgeschreven brieven uit Trieste zijn.

In de les amuseerden we ons ondertussen met het kijken naar afleveringen van de onvolprezen reeks Yes, Prime Minister én met de gebruikelijke klasdiscussies, waarin iedereen zich tegen de standpunten van de juwelierszoon keerde. Op een ochtend bladerde hij stiller dan normaal door zijn woordenboek, tot hij had gevonden wat hij zocht. Een hand schoot autoritair de lucht in en vroeg om de aandacht van juf Rachel.

Yes, Helmut, you have my full attention.’

Zijn woordenboek geniepig verstoppend zei hij: ‘I vant to know ze meaning of the word adumbrate.’

Er viel een stilte en op het gezicht van Rachel verscheen een lichte blos.

‘In all honesty I have to admit that I really don’t know. There are more than half a million words in the English language and sometimes I also have to rely on a dictionary.

‘I vant to hear it from you! Zis is unacceptable. I demand that you personally answer my question. You are ein professor in English. I vant to know what adumbrate means!

Om zijn teleurstelling over de teloorgang van de woordenschat van het onderwijzend personeel te onderstrepen, bleef hij als in trance ‘I vant to know! I vant to know! I vant to know!’ herhalen en klopte hoe langer hoe woester op tafel, zodat uiteindelijk zijn woordenboek – die het geheim onmiddellijk had kunnen ontsluieren – op de grond viel.

De blos op het gezicht van Rachel verhevigde en de liefde in de klas voor pedante Hamburgers, die toch al niet overdreven groot was, bekoelde nog. Hier werd een jonkvrouw in het nauw gedreven en alle jongemannen roken hun kans om haar ter hulp te schieten. Met enkele welgemikte sneren maakte het FreeRachelFront – onder aanvoering van de spichtige Duitser, die zich maar wat schaamde voor het gedrag van zijn landgenoot – duidelijk dat talrijke mensen zinvolle levens leidden zonder de betekenis van adumbrate te kennen.

In de pauze waanden we ons helden en terwijl we elkaar feliciteerden, kwam er een Napolitaanse jongen naar me toe en nam me in vertrouwen. Het merendeel van de Italiaanse studenten was afkomstig uit Napels en in die periode beleefde de Nederlandse voetballer Ruud Krol gouden dagen bij SSC Napoli – en als er iemand voor golden boy in de wieg was gelegd was hij het wel. Enkele Napolitanen hadden hun vrienden wijsgemaakt dat ik de jongere broer van Krol was. Het was opzienbarend om te zien hoe snel de onverschilligheid van Italiaanse ragazzi voor een bleke Antwerpenaar omsloeg in beate bewondering. De jongere broer van il grande Rudi, Madonna mia! Dat ze dat nog mochten meemaken: two degrees of separation. De volgende middag gingen we, zoals gebruikelijk, in het park voetballen en tijdens de ploegverdeling bleek dat iedereen, buiten zij die het complot hadden opgezet, bij mij in de ploeg wou staan. Ik sprak af dat ik, net als mijn oudere broer Ruud, libero zou spelen en met veel egards nam de rest van de verdediging voor mij plaats. Geen enkele aanvaller maakte een kans tegen dit schoolvoorbeeld van catenaccio.

Nu gebeurde er iets vreemd. Ik begon zélf te geloven dat ik de jongere broer van Ruud Krol was en voelde zijn talent door mijn aderen stromen. Met enkele handgebaren maakte ik duidelijk waar iedereen moest staan en met zelfzekere tackles en lange voorzetten drukte ik, zoals nooit voorheen, mijn stempel op de wedstrijd. Het was alsof de geest van Bruno Berlingo in mij was gevaren en met de bravoure van een roofdier sloop ik rond op het veld en sloeg toe waar en wanneer het gepast leek. Ach, als er die middag een talentscout langs de lijn had gestaan, had mijn toekomst er anders uitgezien en behoorde ik nu, samen met Maradona en Careca, tot de grote drie stranieri van SCC Napoli.

Het duurde helaas niet lang alvorens een achterdochtige Napolitaan het schrandere idee kreeg om de namenlijst te controleren en beschuldigend beet hij me toe: ‘Jouw familienaam is helemaal niet Krol. jij heet Komkommer! Onmiddellijk verschrompelde ik weer tot een doodgewone jongen die net iets harder dan zijn klasgenoten moest lachen met de grappen uit Yes, Prime Minister.

Ruud Krol, de oudere broer van Bruno Berlingo.

Buiten de klaslokalen en zelfs buiten de stadsgrenzen van Eastbourne ging het gewone leven verder. Bernard Hinault won zijn vierde Tour; de Belgische frank devalueerde met 8,5 %; de Falklandoorlog tussen het Verenigd Koninkrijk en Argentinië barstte los; president Mugabe van Zimbabwe begon aan een interessant proces van Nationale Verzoening en op het wereldkampioenschap voetbal in Spanje verloor België kansloos van Polen en begonnen de Italianen – die kleurloos waren gestart – aan een onwaarschijnlijke heropstanding. Hun midvoor Paulo Rossi voetbalde, na een tweejarige schorsing, op een begenadigd hoog niveau. Op 5 juli speelden ze tegen een weergaloos Braziliaans elftal, de titelfavoriet, waar dokter Socrates – indrukwekkende persoonlijkheid met baard en een fervent tegenstander van het militair regime in zijn thuisland – op het middenveld de lijnen uittekende. In de huiskamer van ons gastgezin staarden drie Italiaanse jongens gebiologeerd naar het scherm en zagen hoe een kanariegele pletwals de Squadra Azzura met de rug tegen de muur drukte, maar telkens als ze een barstje vonden en scoorden, maakte Paolo Rossi een tegendoelpunt. Bij zijn derde en laatste goal – een hattrick – omarmden de drie Romeinen het televisiescherm en kusten Rossi inniger dan onverschillig welke ragazza ooit. Brazilië eruit en Italië op weg naar een derde wereldtitel.

De vreugde na de zege tegen Brazilië was zo groot dat mijn Italiaanse huisgenoten, als eerbetoon aan Rossi, de badkamer afbraken en als straf drie dagen lang geen gelei op een bedje van een onduidelijke substantie mochten eten.

De zomermaand liep op haar einde en adressen werden uitgewisseld met de belofte elkaar regelmatig te schrijven. Voor een allerlaatste keer glipte ik binnen in de platenwinkel tegenover de schoolpoort en kocht met mijn laatste ponden After the Snow van Modern English. Op het afscheidsfeest in de tuin maakte de rum-punch de tongen losser en keek het lerarencorps door een nog ironischere bril naar de va-et-vient in deze chique uithoek van wat ooit het Britse rijk was geweest. Heupwiegend tussen de lege glazen, gehuld in een doorschijnend zomerkleedje dat de aandrang om onregelmatige werkwoorden in te studeren alleen maar verhevigde, was Rachel haar stralende zelf. Met pijn in het hart wisselde ik nog enkele woorden met haar.

Eenmaal terug thuis zag ik dat vader, die toen vierenveertig jaar jong was, een stuk ouder was geworden. Het grijs rond zijn slapen rukte op. Meteen voelde alles weer vertrouwd aan en tijdens de maaltijd heerste de gebruikelijke Komkommer-chaos, alsof we een Romeinse familie met acht kinderen, drie grootouders en een stuk of wat huisdieren waren. De avond viel en ik ging naar mijn slaapkamer, klasseerde de nieuwe platen op alfabetische volgorde, pakte de laatste schone kleren uit, legde de verzameling NME’s op het stapeltje ongelezen Humo’s en wachtte geduldig tot de nacht haar intrede had gedaan en heel ‘s-Gravenwezel sliep. Eindelijk was het zo ver. Duisternis alom. Voor de zekerheid controleerde ik nog of er niet een of andere Zwitser stiekem onder mijn bed verscholen lag, maar dat bleek niet het geval. Eindelijk alleen. Eindelijk vrij. Alle gedachten aan bruine schoenen werden gebannen en in een mix van liefde en lust en verwarring en bewondering doemden beelden van Rachel in haar zomerjurk op en alle energie die zich gedurende een maand in mijn jonge lijf had opgestapeld, barste uit in een ontlading die zelfs het orgelpunt uit Portnoy’s Complaint overtrof.

Zomers kwamen en gingen en die van 1982 lijkt ondertussen al zo lang geleden. Socrates en Paulo Rossi, de jonge goden van het WK, zijn dood; De Belgische frank bestaat niet meer, in Engelse huiskamers koken ze nu beter dan in Parijse sterrenrestaurants en in Eastbourne is de laatste postpunker naar een zorgcentrum vertrokken. En zelfs haar kennis van de Engelse grammatica kon niet verhinderen dat Rachel nu een dame van pensioengerechtigde leeftijd is.

Maar zoveel zomers later blijf ik met tal van vragen achter.

Zou de kapotte platenspeler in de woonkamer van mijn gastgezin ondertussen hersteld zijn?

Hoe gaat het toch met het meisje met de donkere krullen uit Trieste? Na een tijdje stokte onze briefwisseling, maar toen ik laatst in haar geboortestad was, dacht ik onwillekeurig aan haar en probeerde een beeld te vormen van hoe haar leven – en dat van tal van andere klasgenoten uit die tijd – is verlopen. Wat is er geworden van de Spaanse pingpong-kampioen Paco? En van die jongen uit Napels die zijn stadsgenoten had wijsgemaakt dat ik de jongere broer van Ruud Krol was? En van die spichtige Duitser bij wie je met al je vragen over Kraftwerk terecht kon.

En zou de juwelierszoon uit Hamburg ondertussen weten wat adumbrate betekent?

Bruno Berlingo, de jongere broer van Ruud Krol.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties