Bruno Berlingo does Eastbourne

‘My name is Joe and I’m supposed to stay here with you for until the end of the month.’

Het was de zomer van 1982 en voor het eerst trok ik alleen op reis. Mijn ouders hadden het lumineuze idee gehad me op taalcursus te sturen en omdat in mij een anglofiel hart klopte, viel de keuze op een summer course in Eastbourne, een kustplaats in het zuiden van Engeland. Een overtocht per Hoovercraft en enkele treinritten later bereikte ik mijn bestemming. In een straat met Victoriaanse huizen belde ik aan op het adres van de familie die de school me als verblijfplaats had toegewezen. Een bruingebrande Britse dame met zuiderse flair deed open en mijn zestienjarig kennersoog zag onmiddellijk dat ze niet alleen hoogzwanger was maar ook een onmiskenbare schoonheid. Hier was ik niet op voorbereid. In mijn verbeelding leken alle Engelse vrouwen op koningin Elisabeth en straalden ze evenveel sex appeal uit als een vroegmis in een bejaardentehuis. Ze verwelkomde me hartelijk. Tenminste, dat vermoedde ik. Want ook op haar uitspraak van het Engels, dat mijlenver van het Oxbridge van mijn culthelden stond, was ik niet voorbereid. Ik begreep enkel dat ze Denise heette. Haar onverstaanbare klanken volgend, werd ik naar mijn kamer op de eerste verdieping gebracht. Het was een smal vertrek met een hoog plafond waarin twee bedden stonden die op opgewaardeerde veldbedjes leken. Ik deelde mijn kamer met een verlegen Franstalige Zwitser die ook voor het eerst alleen reisde en driemaal per dag door zijn moeder werd gebeld met de vraag of alles goed met hem ging. En of iedereen vriendelijk was.

Oui, maman. Tout le monde est très sympathique avec moi…’, erkende hij met schaamrood op zijn wangen.

In de aanpalende kamer klonk behoorlijk wat tumult. Het was de master bedroom die was uitgerust met een ruim balkon én schuifdeuren die op gehandschoende butlers stonden te wachten. De oorzaak van al het kabaal waren drie veertienjarige Italiaanse jongens uit Rome die er hun intrek hadden genomen. Het testosteron gierde door hun kwajongens-lijven en dat mocht de buurt geweten hebben. Oerwoudkreten schalden door het vensterraam, bedden werden besprongen als waren het springkastelen en sigaretten werden opgestoken met de vingervlugheid van doorwinterde nicotinejunkies. Al na één etmaal leek hun slaapvertrek op een verlopen kroeg in een havenstad.

‘Lunch is served!’

Drie Italianen, een Zwitser en een Antwerpenaar holden naar beneden en zochten tevergeefs in de woonkamer naar een gedekte eettafel. Die viel nergens te bespeuren. Wel zagen we een slungelachtige man op een sofa zitten die, al televisiekijkend, een maaltijd verorberde. Hij bleek haar echtgenoot te zijn en baatte om de hoek een ijzerwarenwinkel uit die vooral dienst deed als buurtcafé en waar al na enkele pints de Fransozen de schuld van alles wat er verkeerd liep in de wereld in de schoenen geschoven kregen. Verrassend genoeg was zijn naam John en het bleef een mysterie hoe zo’n nietszeggend sujet – met een weliswaar uitmuntende kennis van bouten en moeren – Eastbourne’s finest aan de haak had kunnen slaan. De woonkamer was verder volgestouwd met robuuste meubelen uit de nadagen van de Victoriaanse tijd en in een hoek stond een kapotte platenspeler op ondernemende mannen te wachten. Niets in de houding van John wees erop dat dit probleem ooit opgelost zou geraken.

‘Please, come over here…’

Het was blijkbaar in de keuken te doen. Vijf hongerige magen namen plaats aan een soort toog en vijf paar puberogen keken waarderend – zonder dat we de Engelse afkorting Milf al kenden – naar de negenentwintigjarige deerne die een maand lang onze surrogaat moeder zou spelen en onverschillig in potten en pannen stond te roeren. Zeker het Italiaanse triumviraat was er niet bepaald gerust in. Hun achterdocht bleek niet ongegrond. We kregen een fluorescerende blubber voorgeschoteld die bewees dat de renaissance van de Britse keuken nog enkele decennia op zich zou laten wachten. En in een moeite door maakte Denise het menu voor de rest van ons verblijf bekend. Het waren allemaal varianten op: ‘lauw opgewarmde vetstoffen overgoten met een felgekleurde gelei’ en zorgden ervoor dat elk middagmaal de nasmaak van een blauwe maandag kreeg. De drie Romeinen luisterden naar haar betoog en wisten niets anders uit te brengen dan ‘Non capisco niente…’, zodat ik algauw werd aangesteld als vertaler-tolk en de scherpste kantjes van de culinaire kritiek, die vanuit de spionkop van Lazio Roma opwelde, eraf vijlde. De Zwitser trok zich terug in stilzwijgende neutraliteit.

De vijf musketiers verbeten hun teleurstelling maar konden hun ogen niet van de kokkin afhouden die – lang voor Nigella Lawson – haar gerechten met een pikante je-ne-sais-quoi op smaak bracht. Op de radio – steevast afgesteld op BBC 2 – zong Duran Duran Hungry Like a Wolf; een voor ons al na één hap voorgoed vervlogen wens. En omdat het wereldkampioenschap voetbal was afgetrapt, was deze culturele hoogmis – wanneer de conversatie stokte – ons favoriete onderwerp. Ik loofde de Rode Duivels en de Italianen geloofden in hun Squadra Azzura.

Ik keerde terug naar mijn kamer, pakte mijn koffers uit, legde mijn spullen – enkele Sport Magazines en wat boeken van H.P. Lovecraft – op het nachttafeltje en vertrok naar de les.

Het was een aangename wandeling langs groene lanen en over de zeedijk tot aan de school die gehuisvest was in een bescheiden kasteel. Ook de tuin mocht er wezen: uitgestrekte grasvelden, eeuwenoude bomen en hier en daar zelfs meticuleus verzorgde bloemperken die door dankbare studenten als asbakken werden gebruikt. Het krioelde er van de jeugd. Het leek wel of elke zestienjarige door vooruitziende ouders naar Eastbourne was gestuurd; maar er waren toch vooral opvallend veel Italianen en Arabieren. De rest van de wereld was numeriek in de minderheid.

Na een ingangstoets werden de groepen verdeeld en ik kwam in een klas terecht met een handvol Scandinaviërs, de Spanjaard Paco – die, naar later bleek, verschrikkelijk goed kon pingpongen -, enkele Franse meisjes, een magere Duitser met een David Niven-snor die eruit zag als een New Waver met wie je urenlang over Japanse persingen van Kraftwerk-bootlegs kon discussiëren én een struise juwelierszoon uit Hamburg aan wie ik gelijk een bloedhekel had. Hij was overdreven blond, keek misprijzend door blauwe ogen naar het profanum vulgus en droeg bordeaux-broeken die bewezen dat hij lak had aan Gothic. Of had ik juist een hekel aan hem omdat ik, met uitzondering van zijn blonde lokken en vestimentaire voorkeur, veel van mezelf in hem herkende? Zo toonde hij zich tijdens klasdiscussies een felle voorstander van het vrij ondernemerschap. En terwijl ik me op de Steinerschool, in de lessen moraalfilosofie, opwierp tot woordvoerder van de liberale stroming in een hoofdzakelijk links georiënteerde klas klonk ik nu – puur om de juwelierszoon op stang te jagen – als de nieuwe hoop van de vakbond. Het scheelde niet veel of in Eastbourne was de basis gelegd voor de 12-urige werkweek en het honderd procent loonbeslag op alle inkomens boven de armoedegrens.

We kregen les van drie docenten. Een oudere leerkracht – die op de vader van John McEnroe leek – speelde met verve de rol van lichtjes excentrieke Engelsman. Bolhoed. Bretellen. Ironische terzijdes bij de vleet. Verder had je David, een vitale dertiger, die vol overgave de kennis die hem in Oxford was aangereikt over de valkuilen van de Engelse taal aan zijn leerlingen wilde onderwijzen. En dan was er Rachel. Ze was net afgestudeerd en droeg bij voorkeur luchtige zomerkleedjes. Veertig jaar nadat ze voor het eerst het klaslokaal binnen dartelde en zich in pitch perfect Engels had voorgesteld, weet ik nog steeds welk woord in me opkwam om haar te omschrijven. Bloedstollend. Mijn hart sloeg niet één, maar tientallen keren over. En vanaf het moment dat ze sprak, verhevigden de emoties nog, want haar prachtige taal klonk als een haardvuur waar ik me tot mijn oude dag aan hoopte op te warmen. Maar haar welvingen waren zo mogelijk nog mooier en ik betrapte mezelf erop dat als Rachel op het bord grammaticale instinkers schreef mijn blik, met brandend verlangen, afdaalde naar een plek waar de juiste verbuigingen minder van tel waren.

Ook tijdens de zomer van 1982 bleek opnieuw hoezeer ik een gewoontedier was. Onveranderlijk wandelde ik via dezelfde weg terug naar huis. Onderweg stopte ik zo goed als dagelijks in de platenwinkel die schuin tegenover de schoolpoort lag en kocht er muziek die in New Musical Express met sterren werd overladen; want ja: al na enkele dagen Eastbourne was ik helemaal verslingerd aan de NME en vooral aan de visuele sfeer van het blad waarvan ik pas later begreep dat Anton Corbijn er de artistieke directeur van was. Op mijn wandeltochten maakte ik kennis met vreemde culturen en proefde voor het eerst van mij tot dan toe onbekende exotische keukens. Zo wipte ik meerdere keren per week binnen in de Kentucky Fried Chicken en deed me te goed aan de superieure smaak van druipend kippenvet; en in een krantenwinkel leerde ik Maltesers kennen en kocht er op elke heen- én terugweg een pak of twee van. Mijn leven plooide zich, enkele honderden kilometers van huis, in vaste patronen.

Eenmaal op de slaapkamer probeerden de Zwitser en ik elkaars muren van stilte te doorbreken en terwijl in het aanpalend vertrek het gejoel van losgeslagen Italianen losbarstte, bleven onze gesprekken vaak in beleefdheidsformules steken. Terwijl mijn platencollectie groeide, koesterde hij een fetisj voor duffe bruine schoenen – die hij opblonk en onder zijn netjes opgevouwen jeansbroeken en witte hemden wegzette. Maar wat mij vooral verontruste was dat hij er altijd was. Nooit had ik eens een moment voor mezelf alleen. Nooit kon ik eens in alle discrete de zomerse hormonenspiegel naar een dragelijk niveau brengen. Telkens als ik het vuur van een zestienjarige wilde blussen, zag ik zijn boekhouderskapsel op het hoofdkussen liggen en dacht zo snel mogelijk aan saaie zaken om de lust te temperen. Meestal was er een glansrol voor zijn schoenen weggelegd.

De dagen volgden hun vertrouwde bedding. Overdag genoot ik van de energieke lessen – en onduidelijke opdrachten in het taallabo – en in de late namiddag zocht ik naar vrijwilligers om in een van de vele parken die Eastbourne rijk is te gaan voetballen. Wanneer de vooravond viel werd er altijd wel in een of ander studentenkot bijeengekomen en terwijl opgewaardeerde sigaretten van hand tot hand gingen en de eerste blikjes bier werden geopend, dansten de gesprekken alle kanten op. Uit de teneur van de conversaties kon een goede verstaander opmaken dat de revolutionaire omwentelingen nu echt voor de deur stonden; maar tegelijkertijd doorprikten we regelmatig onze eigen hoogdravendheid. Rondkijkend in een kamer vol zoekende jeugd hoopte ik zolang mogelijk in gelijkgestemde bubbles – waarin de naam van Rainer Werner Fassbinder meer respect afdwong dan die van koning Boudewijn – te kunnen vertoeven. Een leven dat draaide rond gelach, vriendschappen, sport en spel, meisjes met sluikhaar die een superieur intellect uitstraalden en opgewonden discussies over cultfiguren, wilde ik zo lang mogelijk rekken. Voor de rest slenterde ik door de badstad waarin de ouderen nog in de wereld van P.G. Wodehouse leefden en de jongeren een ruwe bolster cultiveerden. Het waren de hoogdagen van de postpunk en hanenkammen en leren riemen met metalen pieken beleefden een glorietijd. In de binnenstad en op de dijk met een charmante pier hing voortdurend een dreigende sfeer en regelmatig kwam het tot schermutselingen tussen de buitenlandse studenten en de voorwacht van het Britse rijk. Brighton Light.

Schermutselingen of niet, bijna elke avond gaven de studenten acte de présence in een van de discotheken in het uitgaanshart van de badstad waar de drank, tot the last call, rijkelijk vloeide. Er werd gedanst tegen de sterren op en dé song die tijdens die zomer een stormloop op de dansvloer ontketende was Tainted Love van Soft Cell. Maar ook andere evergreens van de New Romantics konden vele jonge heupen in beweging zetten. De Italianen lieten zich niet onbetuigd. Hoewel geen van hen met een hanenkam pronkte en ook het oeuvre van Echo & the Bunnymen hen onverschillig liet, veroverden ze menig meisjeshart. Terwijl zij op zegetocht trokken, brulde ik, in een poging de muziek in de discotheek te overstemmen, in het oor van een andere timide jongeman die aan de rand van de dansvloer draalde, mijn belangwekkende mening over Ein jahr (Es geht voran) van Fehlfarben. Wat hadden we beiden graag onze verlegenheid willen inruilen voor Mediterraanse uitbundigheid.

Juf Rachel was een onbereikbare muze. Maar in de bonte menigte meisjes die tijdens de pauze op de speelplaats druk in de weer waren, was er mij toch iemand opgevallen. En ik haar, blijkbaar. Ze was een Italiaanse uit Trieste, had vrolijke krullen en bewoog gracieus. Eerst vermoedde ik dat ze vaak bij mij kwam staan omdat ze mijn opinie over Fehlfarben bijzonder boeiend vond, maar na een tijdje begreep ik dat niemand in haar thuisstad om de Neue Deutsche Welle gaf – hoewel Trieste tot aan het eind van de Eerste Wereldoorlog deel uitmaakte van het Oostenrijks-Hongaarse Keizerrijk. Regelmatig hintte ze dat het in het liefdesspel aan de man is om, wanneer de voortekenen gunstig zijn, actie te ondernemen. En daar stond ik dan als onzekere tiener en vervloekte mezelf dat ik tot niets beter instaat bleek dan hoffelijk afscheid nemen op een maanverlicht strand.

Had ik maar in een alter ego kunnen wegvluchten. Vele decennia later bedacht iemand dat de combinatie van je tweede roepnaam met het merk van je eerste auto je pornoster artiestenaam is. Bruno Berlingo. Wat had mijn alter ego Bruno Berlingo, begiftigd met de nodige panache, in the Summer of Love van 1982 grote sier kunnen maken.

Terwijl het enige wat me rest van die amoureuze fluistergesprekken onder de pier een stuk of wat handgeschreven brieven uit Trieste zijn.

In de les amuseerden we ons ondertussen met het kijken naar afleveringen van de onvolprezen reeks Yes, Prime Minister én met de gebruikelijke klasdiscussies, waarin iedereen zich tegen de standpunten van de juwelierszoon keerde. Op een ochtend bladerde hij stiller dan normaal door zijn woordenboek, tot hij had gevonden wat hij zocht. Een hand schoot autoritair de lucht in en vroeg om de aandacht van juf Rachel.

Yes, Helmut, you have my full attention.’

Zijn woordenboek geniepig verstoppend zei hij: ‘I vant to know ze meaning of the word adumbrate.’

Er viel een stilte en op het gezicht van Rachel verscheen een lichte blos.

‘In all honesty I have to admit that I really don’t know. There are more than half a million words in the English language and sometimes I also have to rely on a dictionary.

‘I vant to hear it from you! Zis is unacceptable. I demand that you personally answer my question. You are ein professor in English. I vant to know what adumbrate means!

Om zijn teleurstelling over de teloorgang van de woordenschat van het onderwijzend personeel te onderstrepen, bleef hij als in trance ‘I vant to know! I vant to know! I vant to know!’ herhalen en klopte hoe langer hoe woester op tafel, zodat uiteindelijk zijn woordenboek – die het geheim onmiddellijk had kunnen ontsluieren – op de grond viel.

De blos op het gezicht van Rachel verhevigde en de liefde in de klas voor pedante Hamburgers, die toch al niet overdreven groot was, bekoelde nog. Hier werd een jonkvrouw in het nauw gedreven en alle jongemannen roken hun kans om haar ter hulp te schieten. Met enkele welgemikte sneren maakte het FreeRachelFront – onder aanvoering van de spichtige Duitser, die zich maar wat schaamde voor het gedrag van zijn landgenoot – duidelijk dat talrijke mensen zinvolle levens leidden zonder de betekenis van adumbrate te kennen.

In de pauze waanden we ons helden en terwijl we elkaar feliciteerden, kwam er een Napolitaanse jongen naar me toe en nam me in vertrouwen. Het merendeel van de Italiaanse studenten was afkomstig uit Napels en in die periode beleefde de Nederlandse voetballer Ruud Krol gouden dagen bij SSC Napoli – en als er iemand voor golden boy in de wieg was gelegd was hij het wel. Enkele Napolitanen hadden hun vrienden wijsgemaakt dat ik de jongere broer van Krol was. Het was opzienbarend om te zien hoe snel de onverschilligheid van Italiaanse ragazzi voor een bleke Antwerpenaar omsloeg in beate bewondering. De jongere broer van il grande Rudi, Madonna mia! Dat ze dat nog mochten meemaken: two degrees of separation. De volgende middag gingen we, zoals gebruikelijk, in het park voetballen en tijdens de ploegverdeling bleek dat iedereen, buiten zij die het complot hadden opgezet, bij mij in de ploeg wou staan. Ik sprak af dat ik, net als mijn oudere broer Ruud, libero zou spelen en met veel egards nam de rest van de verdediging voor mij plaats. Geen enkele aanvaller maakte een kans tegen dit schoolvoorbeeld van catenaccio.

Nu gebeurde er iets vreemd. Ik begon zélf te geloven dat ik de jongere broer van Ruud Krol was en voelde zijn talent door mijn aderen stromen. Met enkele handgebaren maakte ik duidelijk waar iedereen moest staan en met zelfzekere tackles en lange voorzetten drukte ik, zoals nooit voorheen, mijn stempel op de wedstrijd. Het was alsof de geest van Bruno Berlingo in mij was gevaren en met de bravoure van een roofdier sloop ik rond op het veld en sloeg toe waar en wanneer het gepast leek. Ach, als er die middag een talentscout langs de lijn had gestaan, had mijn toekomst er anders uitgezien en behoorde ik nu, samen met Maradona en Careca, tot de grote drie stranieri van SCC Napoli.

Het duurde helaas niet lang alvorens een achterdochtige Napolitaan het schrandere idee kreeg om de namenlijst te controleren en beschuldigend beet hij me toe: ‘Jouw familienaam is helemaal niet Krol. jij heet Komkommer! Onmiddellijk verschrompelde ik weer tot een doodgewone jongen die net iets harder dan zijn klasgenoten moest lachen met de grappen uit Yes, Prime Minister.

Ruud Krol, de oudere broer van Bruno Berlingo.

Buiten de klaslokalen en zelfs buiten de stadsgrenzen van Eastbourne ging het gewone leven verder. Bernard Hinault won zijn vierde Tour; de Belgische frank devalueerde met 8,5 %; de Falklandoorlog tussen het Verenigd Koninkrijk en Argentinië barstte los; president Mugabe van Zimbabwe begon aan een interessant proces van Nationale Verzoening en op het wereldkampioenschap voetbal in Spanje verloor België kansloos van Polen en begonnen de Italianen – die kleurloos waren gestart – aan een onwaarschijnlijke heropstanding. Hun midvoor Paulo Rossi voetbalde, na een tweejarige schorsing, op een begenadigd hoog niveau. Op 5 juli speelden ze tegen een weergaloos Braziliaans elftal, de titelfavoriet, waar dokter Socrates – indrukwekkende persoonlijkheid met baard en een fervent tegenstander van het militair regime in zijn thuisland – op het middenveld de lijnen uittekende. In de huiskamer van ons gastgezin staarden drie Italiaanse jongens gebiologeerd naar het scherm en zagen hoe een kanariegele pletwals de Squadra Azzura met de rug tegen de muur drukte, maar telkens als ze een barstje vonden en scoorden, maakte Paolo Rossi een tegendoelpunt. Bij zijn derde en laatste goal – een hattrick – omarmden de drie Romeinen het televisiescherm en kusten Rossi inniger dan onverschillig welke ragazza ooit. Brazilië eruit en Italië op weg naar een derde wereldtitel.

De vreugde na de zege tegen Brazilië was zo groot dat mijn Italiaanse huisgenoten, als eerbetoon aan Rossi, de badkamer afbraken en als straf drie dagen lang geen gelei op een bedje van een onduidelijke substantie mochten eten.

De zomermaand liep op haar einde en adressen werden uitgewisseld met de belofte elkaar regelmatig te schrijven. Voor een allerlaatste keer glipte ik binnen in de platenwinkel tegenover de schoolpoort en kocht met mijn laatste ponden After the Snow van Modern English. Op het afscheidsfeest in de tuin maakte de rum-punch de tongen losser en keek het lerarencorps door een nog ironischere bril naar de va-et-vient in deze chique uithoek van wat ooit het Britse rijk was geweest. Heupwiegend tussen de lege glazen, gehuld in een doorschijnend zomerkleedje dat de aandrang om onregelmatige werkwoorden in te studeren alleen maar verhevigde, was Rachel haar stralende zelf. Met pijn in het hart wisselde ik nog enkele woorden met haar.

Eenmaal terug thuis zag ik dat vader, die toen vierenveertig jaar jong was, een stuk ouder was geworden. Het grijs rond zijn slapen rukte op. Meteen voelde alles weer vertrouwd aan en tijdens de maaltijd heerste de gebruikelijke Komkommer-chaos, alsof we een Romeinse familie met acht kinderen, drie grootouders en een stuk of wat huisdieren waren. De avond viel en ik ging naar mijn slaapkamer, klasseerde de nieuwe platen op alfabetische volgorde, pakte de laatste schone kleren uit, legde de verzameling NME’s op het stapeltje ongelezen Humo’s en wachtte geduldig tot de nacht haar intrede had gedaan en heel ‘s-Gravenwezel sliep. Eindelijk was het zo ver. Duisternis alom. Voor de zekerheid controleerde ik nog of er niet een of andere Zwitser stiekem onder mijn bed verscholen lag, maar dat bleek niet het geval. Eindelijk alleen. Eindelijk vrij. Alle gedachten aan bruine schoenen werden gebannen en in een mix van liefde en lust en verwarring en bewondering doemden beelden van Rachel in haar zomerjurk op en alle energie die zich gedurende een maand in mijn jonge lijf had opgestapeld, barste uit in een ontlading die zelfs het orgelpunt uit Portnoy’s Complaint overtrof.

Zomers kwamen en gingen en die van 1982 lijkt ondertussen al zo lang geleden. Socrates en Paulo Rossi, de jonge goden van het WK, zijn dood; De Belgische frank bestaat niet meer, in Engelse huiskamers koken ze nu beter dan in Parijse sterrenrestaurants en in Eastbourne is de laatste postpunker naar een zorgcentrum vertrokken. En zelfs haar kennis van de Engelse grammatica kon niet verhinderen dat Rachel nu een dame van pensioengerechtigde leeftijd is.

Maar zoveel zomers later blijf ik met tal van vragen achter.

Zou de kapotte platenspeler in de woonkamer van mijn gastgezin ondertussen hersteld zijn?

Hoe gaat het toch met het meisje met de donkere krullen uit Trieste? Na een tijdje stokte onze briefwisseling, maar toen ik laatst in haar geboortestad was, dacht ik onwillekeurig aan haar en probeerde een beeld te vormen van hoe haar leven – en dat van tal van andere klasgenoten uit die tijd – is verlopen. Wat is er geworden van de Spaanse pingpong-kampioen Paco? En van die jongen uit Napels die zijn stadsgenoten had wijsgemaakt dat ik de jongere broer van Ruud Krol was? En van die spichtige Duitser bij wie je met al je vragen over Kraftwerk terecht kon.

En zou de juwelierszoon uit Hamburg ondertussen weten wat adumbrate betekent?

Bruno Berlingo, de jongere broer van Ruud Krol.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

De Bermudadriehoek van Wortegem-Petegem

‘Wil je mijn kunstwerk graag zien?’

Op de trein naar Oostende had mijn fiets nog net de laatste plaats aan het raam bemachtigd. Het was de periode waarin beleidsvoerders dachten met een gezond geloof in Belgisch absurdisme virussen te kunnen bedwingen. Voor mij torende een man uit die, alvorens aan een monoloog te beginnen, vloekend zijn mondmasker in zijn broekzak propte, zodat zijn gedachten vrij konden ademen. Molenwiekende armen vulden de coupé. Uit een rugzak diepte hij een schilderij op dat het midden hield tussen popart en kitsch voor beginners. In een vorig bestaan was hij militair geweest. Maar net zoals de overgrote meerderheid van het Belgisch leger was hij, nauwelijks de pubertijd ontgroeid, al pensioengerechtigd – je zou, vrij naar Kamagurka, bijna willen zingen: ‘Een klein leger, maar een gepensioneerd leger’ – die de fleur van zijn leven niet ongemerkt wilde laten voorbijgaan en zich daarom op de schilderkunst had gestort.

‘Kunstgalerijen staan te dringen om mijn werken te verkopen. Ik kan de bestellingen haast niet bijhouden en loop al vierentwintig schilderijen achter.’

Maar hij straalde. Ergens in een Killing Field had hij het licht gezien en besloten om de rest van zijn dagen achter een schildersezel te slijten. Begiftigd met het soort ruwe charme waar Oostendenaren de wereld mee inpalmen, vertelde hij openhartig over stukgelopen huwelijken en opgroeiende zonen die node rond het middaguur uit bed moesten worden gebeld. ‘En wat brengt jou naar de koningin der badsteden?’

Het was een lang verhaal. Eigenlijk had ik op een intercontinentale vlucht naar Bogota, Colombia moeten zitten – want ik was vast van plan geweest om een onbetaalde sabbatical te nemen en zes maanden door Zuid-Amerika te trekken in de hoop, net als onze ex-militair, maar dan liggend in een hangmat op een door God verlaten strand tot het inzicht te komen over hoe het met mijn leven verder moest. Om de voorzienigheid een duwtje in de rug te geven had ik op kerstavond 2021 reeds met zeilvrienden in de haven van Buenos Aires afgesproken en de verwachting dat ik tegen dan gul met sjamanistische wijsheden zou rondstrooien, tilde me op. Tot een vleermuis in Wuhan er anders over besliste. Maar een Belg verstaat de kunst van het improviseren. De fietsreis Carthagena – Ushuaia mocht dan voor onbepaalde tijd uitgesteld zijn, ik bedacht een schitterend alternatief en zou dwars door België reizen. Van Oostende naar Luik. Terwijl ik me voordien maandenlang over wereldkaarten had gebogen en me verwonderd afvroeg hoe de vrouwen in Guayaquil bij de bakker om brood gingen, kocht ik nu een landkaart van België en verheugde me over mijn allereerste bezoek aan Ninove.

Aan de kroonprins van Oostende ontvouwde ik mijn toekomstplannen.

‘Ga jij op één dag helemaal tot Luik fietsen?’

‘Nee hoor, ‘stelde ik de laatste verdedigingsgordel van het koninkrijk gerust, ‘Ik ga er rustig de tijd voor nemen en bekijk het dag per dag. In principe mag ik er vier dagen of zelfs langer over doen en om het toeval terwille te zijn, heb ik nergens een overnachting geboekt. Dit lang weekend is voor mij een vorm van onthaasten. Niet dat mijn aanwezigheid ook maar ergens hoogdringend verreist is, maar me enkele dagen niet schuldig voelen omdat ik alweer niet gestofzuigd heb: dàt is volgens mij naar de kern van een sabbatical. Verder is het mijn betrachting om zoveel mogelijk in 1-sterrenhotels te slapen. Want ik wil me niet alleen ontspannen, maar ook een fotoreportage over België maken en hoop, zonder in opzichtige clichés te vervallen, lichtjes bevreemdende situaties vol grijze nuance te capteren. En gordijnen, vervuld van vrolijke tristesse, in 1-sterrenhotels gaan daarin een cruciale rol spelen.’ Even voelde ik me Harry Gruyaert.

De schilder en de fotograaf namen afscheid op het perron en wensten elkaar een succesvolle artistieke toekomst toe. Alvorens het hinterland in te trekken, controleerde ik mijn rugzak. Wat zat er allemaal in? Een landkaart van België; twee boeken (De geschiedenis van mijn seksualiteit van Sofie Lakmaker en Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam van Bob den Uyl) om me tijdens de nachtelijke uren gezelschap te houden; proper ondergoed; een drie jaar oude tandenborstel en – ter compensatie – voldoende flosdraad om een kerstboom te versieren; een handvol contactlenzen; een lees- én zonnebril; een regenjas; een warme trui; twee reservebanden (maar niet de kennis om deze, wanneer vereist, te vervangen); een retro-wielershirt van Wiel’s-Groene Leeuw en tot slot … een fototoestel. Wat ik bewust had thuisgelaten was een gps – want ik wou van dorp naar dorp slingeren en vertrouwde volledig op het zo geprezen Belgische bewegwijzeringssysteem – én een fietsknooppuntenkaart die van menige fietstocht een heerlijke uitstap over pittoreske landwegen maakt. En dat kon niet de bedoeling zijn. Integendeel. Het was juist mijn opzet om langs steenwegen – die betonnen littekens waar shopping malls en reclameborden koning zijn – het land te doorkruisen. Vier dagen lang wilde ik enkel het geluid van voortdenderende vrachtwagens horen, hopend achter gesloten gevels een glimp van de absurdistische Belgische ziel op te vangen.

Opgewekt verliet ik via de Torhoutsesteenweg Oostende en verwachtte elk moment omvergeblazen te worden door een cartooneske anarchie waar die van Latijns-Amerika bij verbleekte. Nog voor ik goed en wel vertrokken was doemde café Ravenna al op – maar ik vond het contrast met de industriële omgeving niet buitenissig genoeg. Deze fietstocht, was mijn overtuiging, zou het buitenkansen regenen om excentrieke compositions trouvées te fotograferen. Het wolkendek verdampte, de zon brak door, buitenwijken en bedrijvenparken ruimden baan voor oases van groen waarin een beetje natuurkenner bomen en koeien zou herkennen. En een eerste teleurstelling deed zich gevoelen. Naast de Torhoutsesteenweg lag namelijk een prima fietspad. Ik had gehoopt op een gezonde portie lelijkheid in combinatie met de uitlaatgassen van claxonnerende vrachtwagens, maar het viel allemaal mee. Een tweede teleurstelling was dat café Ravenna de laatste kroeg bleek te zijn met een zo bevreemdende spreidstand tussen droom en werkelijkheid. Het kan niet alle dagen café Zeezicht zijn.

Hoezeer ik het ook wilde vermijden, de tocht werd alsnog schilderachtig. Voor het eerst deed ik dorpen en stadjes aan die ik voordien alleen van nationale voetbaluitslagen, wielerwedstrijden en rock festivals kende. Torhout, Pittem, Waregem, Nokere en Wortegem-Petegem. En waar ik ook halt hield en met de discretie van een Magnumfotograaf rondwandelde, overal sprak ik mensen met boeiende levensverhalen. In Torhout zat ik naast een dame met een hippie-verleden die nog samen met Herman Schueremans Torhout-Werchter had opgericht en was opgeklommen in de lokale gemeentepolitiek waarin ze vurig pleitte voor de opwaardering van nicotine; in Tielt ontmoette ik twee zussen met een losbandig liefdesleven en smaakvolle tattoos die, net zo min als de andere Belgen, de weg naar het naburige dorp kenden – want ook dat is een rode draad op een tocht door het vaderland. Vooraf wilde ik van dorpskern naar dorpskern fietsen en was overtuigd dat op elk kerkplein wel een pijl de heirbaan naar de dichtstbijzijnde gemeente zou aanwijzen. Hoe kon ik na al die jaren nog zo naïef zijn? De bewegwijzering in België dient enkel om mensen die de route al generatieslang kennen af en toe een bevestigende schouderklop te geven. Goe bezig, mannen! Voor de rest is het: tirez votre plan. Eenmaal in Wortegem-Petegem gestrand, is het voor een normale sterveling onmogelijk om de plek ooit nog te verlaten. Alle omwegen leiden naar de Bermudadriehoek van Wortegem-Petegem.

Ondanks de verkeersellende kwam ik toch, net voor het vallen van de avond, in Oudenaarde toe en omdat ik in het diepst van mijn hart een bourgeois ben, boekte ik een kamer in het fraaie driesterrenhotel Leopold. Net zoals de Franse wielerploeg Cofidis, voor wie het de uitvalsbasis was tijdens de Vlaamse wielerklassiekers. Om het verdriet vanwege de afwezigheid van treurige gordijnen te verdrinken, bestelde ik een Karmeliet en knoopte in de lobby een gesprek aan met de nieuwe hoop van het Portugese wielrennen: André Rodrigues Carvalho.

Alweer kon ik niet aan de verlokkingen van een goed opgemaakt bed weerstaan, maar gelukkig schonk de wilde frisheid van De geschiedenis van mijn seksualiteit me troost. Maar toch. Hoe zou ik ooit, met mijn week karakter, de poëtische droefheid van het leven on the road kunnen vastleggen? Alle hoop was nu op de Ninovense steenweg – waar legendarische verhalen de ronde over deden – gevestigd. Mijn besluit stond vast: het glooiende Hobbitiaanse landschap rond Geraardsbergen zou ik links laten liggen en na het ontbijt ging het morgen onvervaard, linea recta, richting Ninove. Het vooruitzicht op ongeïnspireerd brutalisme verlichtte mijn nachtrust.

Het is aangenamer om samen met vrienden te fietsen. De badinerende gesprekken onder kameraden klinken opbeurender dan de muizenissen in mijn eenzame hoofd. Maar alleen onderweg zijn heeft één groot voordeel: als ik ergens een afslag mis, is er geen peloton dat verwijtend in mijn wiel hangt en zich hoofdschuddend afvraagt hoeveel extra kilometers er door de onoplettendheid van de sportdirecteur nu weer zijn bijgekomen. Hoewel vast van plan om naar Ninove te fietsen, sloeg ik onderweg een paar keer verkeerd af – zonder dat ik er erg in had – en uit het niets doemde Geraardsbergen op. Het viel me onderweg al op dat het landschap een streling voor het oog was en had me de buitenwijken van een Brusselse voorstad anders ingebeeld. Alweer een lelijke tegenvaller. Maar ook een buitenkans om, na al die jaren en enigszins onvoorbereid, eindelijk de muur van Geraardsbergen – die beruchte scherpslijper uit de Ronde van Vlaanderen – nog eens te beklimmen. Onderweg naar de voet werd ik langs alle kanten voorbijgevlogen door amateurs op professioneel materiaal. Aan het begin van de muur hoorde ik een dame, wijzend naar mij, tegen haar vriendin zeggen: “Amai, gaat diej op da fietske en met die broek de muur beklimmen?‘ Ineens werd een muur dé Muur. En ik moest en zou hem trotseren. De beide keren dat ik aan afstappen dacht, konden de woorden van verbazing die de dame had geuit me net voldoende motiveren om recht te blijven. Het zweet gutste van mijn aangezicht. Maar de vreugdekreet eenmaal boven konden ze tot in het wielermuseum van Oudenaarde horen.

Bovenop de Kapelmuur gooide ik mijn plannen om en besloot via landelijke wegen rechtstreeks naar Brussel te fietsen – maar dat was buiten de Belgische bewegwijzeringsborden gerekend. Op nauwelijks dertig kilometer van de Europese hoofdstad was er nergens een handige pijl te bespeuren die toevallige passanten de juiste richting aanwees. De wereld stopte in Galmaarden. Al de rest was niemandsland. En zo kwam het dat ik via talrijke omleidingen alsnog in Ninove belandde en door een bejaard koppel gewaarschuwd werd voor de bloedlinke steenweg. ‘Het is beter’, aldus de oudere heer ‘om kleine binnenwegen te nemen. Wacht, ik zal het uitleggen. Na het vierde kruispunt sla je bij beenhouwer Eduard, die met het blauwe huis – of neen ik bedoel bij bakkerij Van Kampen, die vandaag gesloten is – linksaf. Of neen: rechts. Dan rij je tot de krantenwinkel van de gebroeders Verleyen en daar neem je de rotonde rechts tot bij Estaminet de Lustige Duivenmelkers waar je aan boer Jean-Philippe vraagt of je over zijn akkers mag wandelen – zo snij je een flink stuk af – en kom je in Sint-Kwintens-Lennik terecht, alwaar je over de muur van het kerkhof moet kruipen om dan via de woonkamer van burgemeester Aloïs tot aan het begin van de veldweg – die zo’n prominente rol speelt in de schilderijen van Engelbert Van Anderlecht – te komen. Deze voert je tot het in centrum van Sint-Martens Lennik. Daar vraag je het best nog eens een keer…’

Ik bedankte de cartograaf hartelijk en sloeg links de Ninovense steenweg op. Een uur lang vreesde ik roemloos te sterven langs een steenweg waarin vijftig tinten grijs de boventoon voerden. Wegenwerken en failliete handelszaken wisselden elkaar in sneltempo af. Fietspaden eindigden even abrupt als de songs van T.C.Matic. Een sjieke heer in driedelig pak rookte buiten een sigaret en legde me haarfijn uit waarom én hoe negen Japanners binnenkort de wereldheerschappij gaan overnemen en waarschuwde me ook voor de sinistere rol die Bill Gates in dit alles zou spelen; en verder wees hij me op een rustiek fietspad langs het spoor naar Anderlecht, maar dat bleek dood te lopen.

Kamer met uitzicht (op de Ninovense steenweg)

In afwachting van het tijdperk van de negen Japanse wereldheersers at ik op het hoogste punt van de steenweg zeven smoutebollen, dronk een Fanta en hoorde voor het eerst weer het zalige Brusselse patois – zonder concurrentie de mooiste taal ter wereld. Denkend aan Raymond Goethals doorkruiste ik Molenbeek en zag hoe de wereld van 1975, het jaar van de eerste én laatste titelviering van RWDM, was verdwenen.

Als voorafname op de titel van Royale Union Saint-Gilloise sliep ik in het strakke Jam hotel in hartje Sint-Gillis en dronk, omdat het ook niet alle dagen feest kan zijn, een slap Chinees bier.

De armoede van Molenbeek en het bohemien chique van Sint-Gillis ruimde bij het verlaten van Brussel de volgende ochtend – via Elsene, Tervuren en Watermaal-Bosvoorde – baan voor exorbitante luxe. Zoekend naar een uitweg uit het grootstedelijk labyrint dook uit het niets een richtingaanwijzer op voor een fietsroute naar… Tongeren – en ik schoot bij zoveel surrealisme hardop in de lach. De puissante rijkdom van de YSL-diplomaten vloeide dan weer, vanaf het bos van Watermaal-Bosvoorde en het aansnijden van de heuvels rond de hoofdstad, naadloos over in pure schoonheid. Golvend ging het op en neer in gehuchten als Hoeilaart en Overijse. Het leven leek er zorgeloos en de kleurrijke jeugd wandelde met een tred die het beste voor de toekomst liet verhopen van school naar grasveld. Languit liggend stuwde de lente hun hormonenspiegels naar ongekende hoogtes. Maar ik moest verder en reed, na tig keer verkeerd te zijn gereden, op een hoogvlakte met Western-allures richting Tienen.

Fietsend op het snijpunt van de taalgrens viel het me op wat een keurig land België is. Vooraf dacht ik overspoeld te zullen worden door een vloedgolf aan zonderlinge impressies, maar dat viel tegen. De meeste straten leken uit middenstandsreclamefolders geplukt. De huizen waren recent gerenoveerd, de voortuinen gemaaid, de familiewagens op de oprit blonken en in de achtertuinen stonden klimrekken op kleinkinderen te wachten. Architecten hadden weliswaar de opdracht gekregen om hun verbeelding de wacht aan te zeggen, maar zelfs vanop kilometers afstand zagen de kelders er kurkdroog uit. Bijna nergens was er een hoek af. Het doodnormale land. De zeldzame vreemde kronkels die ik onderweg tegenkwam, fotografeerde ik en maakte mezelf wijs dat deze België typeerden.

Terwijl ik niets anders vastlegde dan cliché bevestigende uitzonderingen die ver van de werkelijkheid afstonden. Ergens voorvoelde ik dat ik de boel aan het bedriegen was.

‘Sire, er zijn nog Belgen’

Samen met de lentezon arriveerde ik in de late namiddag voor de allereerste keer in Tienen. Een bijzonder sympathieke stad met vrolijke en bepaald niet onknappe inwoners die allemaal klaar leken om achter het drumstel van De Kreuners plaats te nemen. Het historisch centrum was, zoals de landelijke traditie voorschrijft, volledig opgebroken en laverend tussen het steenpuin zocht ik mijn weg naar het prachtige hotel Kronacker, gelegen in een al even prachtig park. Mijn plan om in 1-sterrenhotels te overnachten werd definitief opgeborgen.

Na een gesprek met de hoteleigenaar over de wereld na corona kuierde ik door de stad. Het blijft heerlijk om onbekende stegen in te slaan en je te verwonderen over het leven achter neergelaten rolluiken en met onbekenden gesprekken aan te knopen. Wandelend rond de Sint-Germanuskerk zag ik op een aanpalend plein de gelukkigste man van België zitten. Met Arno-waardige bravoure zat hij buiten café Leopold op een schommelstoel van de zon te genieten, vastbesloten zich door niets of niemand te laten opnaaien. Je-m’en-foutisme als kunstvorm. Grijze baard, kleine van gestalte, woest van uitstraling. Met twee kompanen besprak hij de stand van de wereld en het klonk allemaal een stuk minder gejaagd dan de naar adem happende onheilsprofeten die dagelijks het kleine scherm teisteren. Begin jaren tachtig had hij zijn café geopend met als enige doel snel geld te verdienen zodat hij naar Indië kon trekken en in de winter van 1996 had hij reeds voldoende kapitaal vergaard. Sindsdien werkt hij nog hooguit enkele maanden per jaar en de rest van zijn dagen rolt hij sigaretten in de Indische zon en mijmert over de hoogdagen van Creedence Clearwater Revival. Ik was nog geen etmaal in Tienen of had al een cultheld.

Cultheld of niet, het tijdstip van het avondeten was aangebroken en ik trok op aanraden van de manager van hotel Kronacker naar een afhaal-Thai, die helaas gesloten bleek. Aan de overkant lag gelukkig een hotel en omdat ik weet dat receptionisten renaissancemensen zijn die de antwoorden op alle levensvragen kennen, wandelde ik er binnen.

‘De Delhaize sluit pas binnen een kwartier. Dat haal je nog en je kan er zeker sushi kopen.’

Aan het woord was de hoteleigenares die het oprecht jammer vond dat op mijn eerste avond in Tienen de twee Thaise afhaalrestaurants dicht waren. Ze zocht, vond én suggereerde onmiddellijk een waardig alternatief. Japan to the rescue. Geïnspireerd door haar avondjurk met jaugarprint, zette ik mijn al sinds tijden ongewassen mondmasker op en begon als een gek door de verlaten straten te hollen. Mijn tred geleek in niets op die van een jachtluipaard, maar het schoot aardig op. En hoewel het mondmasker mijn adem afsneed – en ik betwijfelde of het allemaal erg bevorderlijk was voor de volksgezondheid – wou ik de wijsheid van het schepencollege van Tienen niet in vraag stellen. Net voor het sluitingsuur dook ik gemaskerd de supermarkt binnen, rende naar de stand met Aziatische producten, graaide de allerlaatste – en verlepte – sushischotel mee, toonde trots mijn enige aankoop aan de kassierster en haalde een bankkaart boven. Achter mij kuchte een dame verontwaardigd en vroeg, op niet mis te verstane toon, aan de kassierster: ‘Sèg, moet niet iedereen die hier winkelt een karretje meenemen? Ook al koop je maar één product? Of is die regel afgeschaft?’ De kassierster erkende dat de dame gelijk had en geslaagd was voor haar groot virologie-examen. En ik rekende af en wandelde, zonder winkelkar, verweesd door de in duisternis gehulde suikerstad. Denkend aan haar verwijtende toon leek het alsof ik mijn vinger uit de allerlaatste stuwdam had getrokken en het land weldra overspoeld zou worden door opeenvolgende corona-vloedgolven.

Eenzaam in de gelagzaal van het hotel at ik de sushi op, schonk mezelf twee tripels in en viel met Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam van Bob den Uyl in een diepe slaap.

De laatste dag brak aan en aan de einder lonkte het majestueuze Luik. Meer nog dan de vorige dagen werd er met de taalgrens, ergens rond latitude 51, geflirt en de vraag of ik in Vlaanderen dan wel in Wallonië was, maalde voortdurend door mijn achterhoofd. Lag deze kerk met zitbank, bushalte en supermarkt nu in Borgloon? Of in Waremme?

Dieper en dieper trok ik provincie Luik binnen en waar Vlamingen hun introversie achter gesloten mondhoeken verborgen hielden, werden plots de vrolijke ‘bonjour, monsieurs!’ langs kanten op me afgevuurd; ook door fietsende meisjes in opwaaiende lentejurken.

Het was een lange, gestage klim tot het plateau van Bierset en van daaruit ging het in denderende vaart naar beneden tot aan de oevers van de Maas van waaruit de imposante binnenstad met Latijnse allure zich uitstrekte. In Luik – de meest noordelijke Franstalige stad van Europa – klopt een mediterraans hart. Hoewel de auto er nog steeds koning is – getuige de brede boulevards die de stad doorklieven – flaneerden de bewoners met een zorgeloosheid die aan die van Tiense cafébazen deed denken. De winterprik was voorbij. De warme zon stond hoog aan de hemel. Schouders werden ontbloot; picknickdekens opengeslagen en jonge geliefden verklaarden het flirtseizoen voor geopend. De stad leek op een set uit een Eric Rohmer-film.

Zelden benaderde ik dichter het gevoel onderweg naar Ushuaia te zijn.

Terwijl ik de Warhol-expo aan me liet voorbijgaan, likte ondertussen elke Luikenaar aan een ijsje en hun eenvoudig geluk stak mijn ogen uit. De zoektocht naar een ijskraam bracht me op pleinen met tweedehands boekenwinkels – waar op zwart-wit posters Georges Simenon voorbijgangers besmuikt observeerde – én in middeleeuwse straten vol gesloten stripteasetenten en kunstgalerijen waar de Marcel Broodthaersen van de toekomst de aandacht van een niet al te groot publiek opeisten. Luik was groots en rommelig; elegant en afgeleefd; goedlachs en trots en de stad straalde een in scherts badende levenslust uit. En deed me, meer nog dan Wortegem-Petegem, aan Lyon denken.

Op de trein naar huis hoopte ik dat een ondernemend lid van de Belgische wielerbond weldra het voorstel zou lanceren om de koers Oostende-Luik te organiseren. Het heeft alles om uit te groeien tot een toekomstige klassieker en legt – latitude 51 volgend – de ziel van ons dwarse koninkrijk bloot.

Vermoeid belde ik na vele avonturen weer thuis aan. Met een rugzak vol vuile was, een stukgelezen boek van Sofie Lakmaker én de hoop dat ik enkele foto’s had gemaakt die, een knipperend ogenblik lang, de grijze nuances van een land aan een steenweg hadden vastgelegd. Jolanda opende de deur, spreidde verwelkomend haar armen en zei ontroerd: ‘Mi hombre! Daar ben je dan eindelijk terug, na zes maanden lange afwezigheid. Wat heb ik je gemist. Hoe was het in het verre Latijns-Amerika…?’

Een koninkrijk mijmert achter gesloten rolluiken

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Hotelreceptionist nostalgicus

Ik herinner me de dag dat ik, halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw, in hotel ’t Sandt begon te werken. Mijn eerste werkdag was meteen de laatste nacht dat Isabella Rossellini bij ons verbleef. En toch heeft het parfum van haar metropolitane klasse de hotelgangen nooit verlaten.

Ik herinner me de uitgelaten bende Antwerpse jongens die er toen receptionist waren en de grootse toekomstplannen de er aan de balie werden gesmeed. Maar vooral herinner ik me de Antwerpse Turk Ugur die me opleidde en hoe fantasierijk hij het lokale dialect naar zijn hand zette. Tijdens de eerste dag vroeg hij me een bord met koekjes te dresseren. Hierbij ging ik behoedzaam te werk. Over elke optie werd diep nagedacht. Ugur bekeek de werkzaamheden, die tergend langzaam vorderden, en zei met een in ironie gedrenkte stem: ‘Gij zijt precies Picasso!’

Ik herinner me dat Ugur, als het eens minder druk was, voorwendde dat onze dagen als receptionist geteld waren en we we elk moment onze ‘Renault C4’ konden verwachten. Op de melodie van ‘Aux Champs-Elysées’ zong hij dan uit volle borst ‘O VDAB…’

Ik herinner me de talrijke vergaderingen die aan de vooravond van het derde millennium werden georganiseerd en vooral herinner ik me de overvolle asbakken en lege wijnflessen en wankele voetstappen van de Captains of Industry na een geslaagde zakenlunch.

Ik herinner me een bloedmooie Portugese vrouw die verliefd was op een van onze nachtreceptionisten – een doodgewone besnorde marktkramer – en hoe ze hem met blikken vol saudade bijna versmachte. Heel soms kruis ik haar nog op straat en dan wisselen we beleefdheidsformules uit en erkennen we dat het ons beiden voor de wind gaat en dat we al jaren niets meer hebben gehoord van de besnorde marktkamer.

Ik herinner me de tijd toen het vertegenwoordigers ongepast leek om na het middaguur in sobere toestand klanten te bezoeken. Het vuur in hun ogen als ze stofzuigers of koffiefilters aanprezen – die in niets verschilden van de duizenden andere modellen op de markt – brandde zo hevig dat de schoonheid van het kapitalisme een haast liturgische uitstraling kreeg. 

Ik herinner me de voortreffelijke mini-patisserie van bakker Magnus die we onze gasten tijdens de koffiebreaks voorschotelden. Wanneer de dames en heren de deuren van hun vergaderzalen weer sloten, ruimde ik de break af en at onderweg naar de keuken alle overschotjes op. Eigenaar Ronald bedacht mij al snel met een bijnaam. ‘Stofzuiger Jo!’

Ik herinner me hoe snel ik bijleerde over de ontbijtcultuur van de diverse spelers op de arbeidsmarkt. Japanse en Duitse ingenieurs verschenen stipt om 7.01 uur – in een walm van betere middenklasse aftershaves – in de ontbijtzaal; economen en andere hogere kaderleden maakten om 8.00 uur hun opwachting; om 9.00 uur konden we de eerste verliefde koppels verwachten; net voor het buffet werd ontruimd, verschenen de reisjournalisten en modeontwerpers ten tonele. En pas nadat ook de lunch was afgelopen, ontwaakten de dichters der vaderlanden én de Britse zakenlui.

Ik herinner me stomende buitenechtelijke relaties die na verloop van tijd verwelkten en zachtjes uitdoofden tot enkel nog de macht der gewoonte overbleef; waar er eerst verlangend in elkaars ogen werd gekeken, eiste nu de ochtendkrant alle aandacht op. 

Ik herinner me een immer bruingebrande Antwerpse bon vivant met hagelwitte tanden die nooit voor vijf uur ’s nachts ging slapen en vanaf het middaguur aan één stuk door chocomelk dronk en zo zen was dat ik alleen al door hem te begroeten het gevoel kreeg ergens in de Caraïben op een zeiljacht rond te dobberen. 

Ik herinner me dat ik in al die jaren achter de balie nooit een oneerbaar voorstel heb gekregen.

Ik herinner me een oude Canadese architect die zijn tachtigjarige hart had verpand aan een aantrekkelijke Antwerpse dame van middelbare leeftijd. Hij boekte steeds dezelfde suite, strooide die vol bloemen en bood altijd zijn arm aan als ze samen naar de lift wandelden.

Ik herinner me dat ik aan de grond genageld stond. Er checkte een Japanse schoonheid in die me deed betreuren nooit Japanologie te hebben gestudeerd. De avond was al ver gevorderd en de verschijning vroeg of ik voor eten kon zorgen. Deze keer nam ik geen genoegen met mijn standaardantwoord – ‘Onze keuken is helaas gesloten, mevrouw. Ik kan u echter wel borrelnootjes en stukjes kaas aanbieden!’ – en beloofde mijn uiterste best te zullen doen. Twintig minuten lang metamorfoseerde ik tot een wonderkok. Tijdens mijn afwezigheid aan de balie had de faxmachine echter niet stilgezeten. Uit alle continenten stroomden liefdesbrieven toe van wanhopige mannen die voor de mysterieuze Japanse waren gevallen. Gewapend met een avondmaal én lectuur van hoopvolle zakenmannen klopte ik op de deur van haar kamer en zag hoe een Aziatische Helena van Troje meewarig glimlachend de giften in ontvangst nam. Af en toe denk ik aan haar en vraag me af hoe haar verdere leven is verlopen en of haar maaltijd in de Cathedral Penthouse een blijvende indruk achterliet.

Ik herinner me een losbandige Noord-Franse schrijfster. Ze had zich onttrokken aan het conservatieve Islamitische milieu waarin ze was opgegroeid, ergens in een door voorspoed verlaten buitenwijk van een vergane industriestad. Ze voelde zich zichtbaar bevrijd. Meer rapster dan lid van de Académie française; meer regenboog dan stemmig zwart. Ze danste door de lobby, zo blij was ze dat ze het juk van haar traditie van zich had afgeworpen. In paginagrote artikels werd er gewag gemaakt van haar geruchtmakend debuut waarin ze afrekende met het geloof dat haar wou inkapselen. Ik weet nog hoe bevrijdend ik haar gelukzalig gehuppel vond. Ik weet nog hoe bedroefd ik was toen ik enkele maanden later in een uithoek van een krant las dat ze in een anonieme straat was vermoord. Het vooruitzicht om dartel door hotelgangen te dansen was haar voorgoed ontnomen.

Ik herinner me nog tal van recepties, huwelijksfeesten en andere bijeenkomsten waarin de alcohol de tongen én de zeden losser maakte. Zo organiseerde een politiekorps uit een middelgrote Kempense stad, eind jaren negentig, een bal bij ons dat naar goede Vlaamse gewoonte langzaam opgang kwam om dan, diep na middernacht, de indruk te wekken nooit te zullen eindigen. Schouderklopjes werden uitgedeeld; bulderlachen stegen op uit groepjes keuvelende mannen; garçons werden gewenkt om lege glazen te vullen. Na afloop kwam de hoofdcommissaris naar de balie om af te rekenen en zei knipogend: ‘Ik stel voor dat we cash betalen. Dan kan het rechtstreeks van onze zwarte kassa naar jullie zwarte kassa gaan. Dat is interessanter voor iedereen.’

Ik herinner me hoe ongelijk charme verdeeld is in deze wereld. Sommige hotelgasten kwamen met alles weg en anderen wekten niets dan ergernis op. 

Ik herinner me tal van excentriekelingen die kort of lang bij ons verbleven, zoals de hoofdredactrice van de Italiaanse Vogue die gekleed ging in pauwenveren en meende dat de jurk haar beeldig stond; of die sjieke heer die de indruk wekte een ambassadeur van een welvarend land te zijn en in plaats van zijn rekening te betalen een vervallen bankkaart in bewaring achterliet; of die Nederlandse chaoot met woeste krullen die ons elke week aan een nieuwe zus van hem voorstelde en in afwachting van een volgende zus zelf zijn bord afruimde en de ontbijtdame met een kus verblijdde; en talloze, onvergetelijke anderen.

Ik herinner me de geur van verwelkte bloemen.

Ik herinner met het geluid van rolkoffers.

Ik herinner me de deodorant van Oost-Europese playboys.

Ik herinner me hoe kinderhanden én die van volwassenen er niet aan konden weerstaan loeihard op de bel van de receptie te drukken en hoe gelukkig dit gebaar hen stemde.

Ik herinner me een keurige Engelse heer die incheckte en me in prachtig Oxbridge Engels, dat enkel nog in de verhalen van P.G. Wodehouse voortleeft, bedankte voor de bewezen diensten. Hij schreed plechtig, zijn dame aan zijn zijde, naar de lift. Onkreukbaar. Every inch a gentleman. Ik herinner me hoe de hulpkoks van het restaurant aan de overkant vol hilariteit kwamen melden dat er een oudere heer met een enorme bol in zijn mond en een lederen kap over zijn hoofd en zijn handen vastgebonden op zijn rug naakt in zijn kamer aan het rondspringen was. 

Ik herinner me het hoofd van de kamermeisjes, de legendarische M.J. Ze had aan de Koninklijke Academie van Antwerpen gestudeerd en nog met de tekenaar van De Rode Ridder en Fred Bervoets in de klas gezeten en ze maakte betoverend mooie boeketten. Omdat ze haar artistieke ziel de vrije hand gunde en niet om haar uiterlijk maalde, had ze iets van een heks in een kindersprookje uit de tijd dat niet elk woord een waarschuwingslabel behoefde. Nachtreceptionist Luc, een uitgetreden priester die nog op missie naar Peru was gegaan en er bij de katholieken aldaar op had aangedrongen de volgende keer op de communisten te stemmen, probeerde steeds bij haar op een goed blaadje te staan, ‘Want als ik haar zie en ik zeg een onvertogen woord heb ik schrik dat ze me in een pad verandert.’

Ik herinner me dat het hotel bloeide en groeide en uitbreidde. Er kwamen meer kamers en hotelgasten bij en ook de ontbijtploeg werd versterkt. Omdat niemand van ons een hotelschool van dichtbij had gezien, verfijnden we ons ontbijtsysteem tot een uniek concept, dat voorlopig nog geen navolging heeft gekregen wegens té cutting edge. In de keuken stond een Merksemse dame voor wie het begrip volks speciaal bedacht leek. Ze rookte sigaretten, commandeerde iedereen in vlekkeloos Antwerps en bakte eieren. Soms met spek en soms met naar nicotine geurende assen. Dan was er de chef van het sinaasappelmachine die weinig anders deed dan verhalen vol grandeur over R.S.C. Anderlecht vertellen. En dan was er de chef van de zaal die elke gast een tafel en stoel toewees. Dit was in den beginne een eenvoudige taak. Maar ons uniek concept bestond erin dat er niets – nog geen koffielepel – werd afgeruimd vooraleer het ontbijt helemaal afgelopen was. Een kraaknette ontbijtzaal zag er rond tien uur ’s morgens onveranderlijk uit als het atelier van Francis Bacon na een wilde nacht vol bacchanalen. Wanneer ook de laatste hotelgast was verdwenen, bekeken de drie ontbijtmedewerkers de aangerichte ravage. De dame uit Merksem blies haar blonde haren uit haar ogen, zuchtte het wereldleed van haar schouders en zei tegen haar manschappen: ‘Kom, dan nemen we nu een pauze. Da emme we wel verdiend.’ En gedrieën deden ze zich te goed aan het zonlicht in de binnentuin.

Ik herinner me hevige discussies in de keuken over de rol van de vrouw in het spel der lusten en of er verschillende standaarden golden voor mannen en vrouwen in het verleidingsspel. Als voorbeeld haalde iemand een dame met een losse levenswandel aan. Maar vooral herinner ik me het staalharde tegenargument waarmee onze Merksemse ontbijtdame de discussie voor eens en voor altijd beslechte: ‘Al mokt ze van haar gat ne peerdemolen, da interesseert mai ni!…’

Ik herinner me de eerste generatie receptionisten, zoals de immer nauwgezette Dave voor wie de wereld van de spreadsheets geen geheimen kende; of Johan – de musketier uit Wijnegem – die zich dankzij zijn basstem én jarenlange horeca-ervaring ontpopte tot een natuurlijke leider bij grote evenementen – als hij zei: ‘Ik benoem je tot chef van het koffiebuffet,’ wist je dat er niets verkeerd kon lopen; ik herinner me Ugur die de kunst om ironisch gedienstig te zijn tot in de perfectie beheerste – hij leek voorbestemd om in Parijse brasseries tot een legende uit te groeien. Maar meer nog leek hij voorbestemd om vakbondsafgevaardigde te worden. Niemand vond beter zijn weg in het kluwen aan arbeidsreglementen waarmee de Belgische staat zijn belastingbetalers verblijdt en de eigenaars keken onveranderlijk zorgelijk wanneer hij op hun deur klopte en met artikels en amendementen begon te goochelen. Ik herinner me Gordian, een spichtige dorpsjongen uit het Waasland die meer arbeidsethos aan de dag legde dan alle breedsprakige stedelingen bij elkaar. En nooit zal ik Michel vergeten, een al even slanke Spanjaard die tweedehandsauto’s naar Afrika verscheepte en zeven borden tegelijkertijd kon dragen in de hoop dat de service zou opschieten en hij weer kon gaan nachtbraken.

Ik herinner me de twee eigenaars Ronald en Koen. Nuchtere Kempenzonen die in hun eentje verantwoordelijk waren voor de Gouden Eeuw van Jupiler Blue en begiftigd waren met een gortdroog gevoel voor humor die veel van mijn werkdagen hebben verlicht. Ronald zag eruit als een kruising tussen Dries Van Noten en een aristocratische plattelandsdokter. En Koen verstond de kunst om driedelige Italiaanse pakken op stofjassen van de duivenmelkersbond te doen lijken. Maar de ironie in zijn ogen scheen als een Heilig Vuur. En wat een Goethalsiaans talent voor het verhaspelen van onze voornamen! En voor slagzinnen: ‘Is het druk, of is het zéér druk?’. Vaak kuierde hij met de handen op de rug door de hotelgangen en prevelde filosofisch, op een toon die bij receptionisten het verlangen liet ontstaan later CEO te worden: ‘Que faire, que faire?’

Ik herinner me een losgeslagen weekend in de Ardennen met alle medewerkers van hotel ’t Sandt waar we in een feestzaal met Waalse landgenoten de polonaise dansten en er na een zoveelste tournée générale verhalen uit verre verledens werden opgedist. Zo vertelde een Engels kamermeisje, met een figuur waar passanten in ongeloof hun hoofd voor zouden omdraaien, dat ze in haar tienerjaren het hart van een dokter had veroverd. Onze immer nuchtere CEO Koen bekeek haar met een blik die het midden hield tussen guitig en argwanend en vroeg zich hardop af: ‘Yes, but was he a real doctor? Or a kwakzalver?’

Ik herinner me de meest gestelde vraag uit een kwarteeuw werken achter de balie: ‘Hoe is het met de bezetting?’

Ik herinner me de aanslagen van 09/11 en een verontrust nachtelijke telefoontje van onze Kempense landheren, die op dat moment in hun buitenverblijf in een Mediterraanse haven resideerden: ‘Seg, hoe is het eigenlijk met de bezetting?’

Ik herinner me mijn eerste en enige Noord-Koreaanse hotelgast en hoe plechtig zijn paspoort eruit zag en hoe formeel de voorafgaande correspondentie was verlopen.

Ik herinner me de stilte in de bar als die vol Japanners zat. 

Ik herinner me het rumoer in de bar als die vol aangeschoten mannen zat.

Ik herinner me het dempen van de gesprekken en het verzetten van de stoelen wanneer een ravissante vrouw in de bar naar binnen schreed.

Ik herinner me de hoogste tip die ik ooit kreeg in ruil voor het dragen van twee koffers. Een Duitser op leeftijd gaf me, onder de indruk van mijn arbeidsethos, honderd euro. Toen ik dit wilde weigeren wegens al té gul voor een work-out van hooguit vijftig seconden kwam hij met het onweerlegbare economische argument dat me deed twijfelen of mijn overhemd wel zo voortreffelijk gestreken was als ik dacht: ‘I can miss it, and you need it!’

Ik herinner me dat we het mooiste terras van Antwerpen hadden. Vanaf de Italiaanse binnentuin besteeg je een smeedijzeren trap en daar lag, omsloten door zeventiende-eeuwse achtergevels en gietijzeren balkons, een oase van rust. Tijdens zwoele zomernachten hoorde je soms Griekse gezangen opstijgen vanaf de binnentuin van het aanpalend cultureel centrum. Ik herinner me een steeds terugkerende droom. Verscholen achter een geheime deur op ons terras lag het allermooiste hotel van Antwerpen. Bij het ontwaken werd ik telkens door spijt overmand dat het maar een droombeeld bleek te zijn.

Ik herinner me de allereerste Duitse filmmaatschappij die bij ons een suite boekte. Toen ik, uit cinematografisch enthousiasme, vragen stelde over het werk van de regisseur werd het gesprek abrupt afgebroken en in mijn verbeelding was hij de schepper van een hermetisch oeuvre waarin levensvragen onbeantwoord bleven. Op de dag van de opname wemelde het in het hotel van de sexy dames en besefte ik plots waarom zijn assistent zo bescheiden was gebleven over het filmgenre waarin Herr Regisseur excelleerde. Met een handvol collega’s moesten we die middag een zaal opstellen en we betreurden het dat we het slechts tot receptionisten hadden geschopt. Inertia heerste. Tot er aan de receptie op de bel werd gedrukt. Een jonkvrouw in nood! Waar we normaal gezien de dorpsjongen uit het Waasland tot actie aanspoorden, stormden nu vijf bronstige grootstedelingen naar beneden. In de hoop een gunstige indruk te maken op een starlet in negligé.

De achterzijde van het koninkrijk der lusten.

Ik herinner me mijn eerste ontmoeting met een echte jeugdheld. Trillend op mijn benen overhandigde ik de grote Jan Mulder zijn kamersleutel. Bij het afscheid gaf ik hem de vuile was van een andere hotelgast mee en zei: ‘Tot ziens, meneer Mulder.’ Ik herinner me ook, vele jaren later, onze laatste ontmoeting. Het trillen had plaatsgemaakt voor een stevige handdruk en beiden stonden we even stil bij de oogopslag van Imke Courtois. ‘Tot ziens, Jan.’ ‘Tot de volgende keer, Jo.’

Ik herinner me de tijd dat ’t Sandt het meest geliefde hotel van Antwerpen was. Panden werden links en rechts opgekocht en door klusjesmannen en receptionisten à l’improviste verbouwd volgens de regels van de bric-à-brac-kunst. Eigenaar Ronald leidde met vista de werkzaamheden en verrichtte wonderen met enkele planken van den Brico en afgedankte meubels van Ikea. Als hij een stoel van de Zweedse kleinhandelaar aanraakte, kreeg je terstond de indruk dat Ray & Charles Eames zichzelf overtroffen hadden. Hoe vaak stond ik niet met een dame in een hotelkamer terwijl ze verbluft een lamp van Ikea aanwees en vroeg welke lichtkunstenaar dit prachtige object had ontworpen.

Ik herinner me de tweede generatie receptionisten, een generatie die samenviel met ons Gouden Decennium. Nooit heb ik me op het werk gelukkiger gevoeld dan in die tijd. Het was de periode van Alain, een adonis uit Berchem met een perfecte kaaklijn en een geweldig oor voor slagzinnen waarvan zijn ‘Kom eens bij de papa!’ nog lang na zijn vertrek regelmatig werd opgerakeld; en van de secure Philip die, ondanks de chaoten rondom hem, altijd zijn hoofd bij de les hield; en verder ook van het voormalige fotomodel Koen, een eeuwige bohemien die weggeplukt leek uit Titaantjes van Nescio en zo’n aanstekelijke bulderlach had dat ik spijt kreeg telkens de werkdag voorbij was en de werkelijkheid me opwachtte; en uiteraard ook van de flegmatieke Stefan, een vegetariër die – lang voor andere mannen beseften dat er nog voedsel buiten steak met pepersaus bestond – zich verdiepte in de geheimen van de tofu.

Ik herinner me de allereerste hotelgast die om een glutenvrij ontbijt vroeg en hoeveel ergernis die nieuwbakken term onder receptionisten veroorzaakte. Prompt benoemden we Stefan tot chef van de excentrieke ontbijtwensen.

Ik herinner me de chaos en drukte die de hotelverbouwingen met zich meebrachten. Op een dag werd er een nieuwe lift geïnstalleerd en van hogerhand was ons gevraagd ons tegenover toekomstige hotelgasten van de domme te houden en er niets van te zeggen. Misschien, klonk de stille hoop, zouden ze het niet eens merken. En zou alles geruisloos voorbij vlieden. De grote dag brak aan en terwijl op de achtergrond het rumoer aanzwol, checkte in de vroege middag een Italiaanse familie in. Een echtpaar van middelbare leeftijd en een moeder die er voor haar negentig lentes nog behoorlijk kranig uitzag. Ze hoopten nog enkele uren rustig te kunnen slapen alvorens de stad in te trekken. Philip en ik droegen hun koffers en in colonne beklommen we de trap. Net op dat moment schoten de boormachines in actie én sloopten drie Polen een muur, zodat een reusachtige stofwolk opsteeg en ons verblindde. Een deken van onzichtbaarheid daalde over het Italo-Belgisch genootschap neer. Parijs-Dakar in een boetiekhotel. Niemand kon een hand voor ogen zien; overal tuimelden brokstukken naar beneden – maar boven de overdonderende Wall of Sound hoorde ik een Italiaanse man wanhopig roepen: ‘You can’t be serious! This can not be true!’

Ik herinner me de talloze nachten dat we afgeladen vol zaten en het hotel een thuishaven was voor dolende wereldburgers.

Ik herinner me een Egyptische dame die deelnam aan een medisch congres en zich afvroeg of ze vandaag op het internet zou kunnen. ‘It all depends on the mood of our president Hosni Moebarak and if or not he decides to open it.’

Ik herinner me de geur van tiramisu wanneer onze kokkin in de keuken in de weer was en de strijd die telkens tussen klusjesmannen en receptionisten losbarstte wanneer we ons na de lunch op de overschotjes wierpen.

Ik herinner me de voornaam van een Afrikaanse man die meer tiramisu’s kon verstouwen dan receptionisten én klusjesmannen bij elkaar en onze hoop op een dessert die dag de grond inboorde door ze een voor een naar binnen te schrokken. De naam van deze onverlaat was Evariste.

Ik herinner me een Japans meisje dat smoorverliefd was op rockster Mauro Pawlowski en bijna in katzwijm viel telkens ze zijn naam uitsprak. Ze kon maar niet begrijpen dat ik, die het voorrecht genoot in dezelfde stad te wonen, niet elke avond bij hem voor de deur stond in de hoop een glimp van zijn silhouet op te vangen.

Ik herinner me dat ik als jonge twintiger Jools Holland wou zijn. Talentrijk muzikant, immer voorkomend en welbespraakt, grootstedelijk hip en toch volkomen zichzelf en ik herinner me mijn verbazing toen hij een eerste keer bij ons kwam overnachten én mijn fiets wilde lenen. Ik herinner me de talloze daaropvolgende keren dat Jools Holland op mijn fiets door Antwerpen reed en ik beschouw het nu nog altijd een beetje als onze fiets. Ik herinner me de reactie van Jolanda toen ik haar vertelde dat mijn fiets gestolen was: ‘En hoe moet het nu verder met Jools Holland?’ Maar vooral herinner ik me die ene avond dat ik in een voor de rest verlaten hotel achter de balie zat en Jools Holland in de aanpalende vergaderzaal zijn vingers over de al jaren niet meer gestemde piano liet glijden. Uit een instrument dat meestal enkel door ongeschoolde kinderen en beschonken mannen werd beroerd, steeg hemelse muziek op. Ik voel nog altijd kippenvel als ik aan zijn magisch optreden terugdenk.

Ik herinner me dat ik tot in den treure droefgeestige Americana opzette en die ene keer dat ik er een compliment voor kreeg. Admiral Freebee was het hotel binnengewandeld, opzoek naar een goeroe die succesvol was in de schemerzone tussen enigmatisch en charlatanesque. Admiral Freebee spitste zijn oren en verzuchtte: ‘Townes Van Zandt… hoe mooi dat iemand zijn muziek nog speelt.’

Ik herinner me de derde en laatste generatie hotelreceptionisten. Philip was, net als ik, gebleven. Maar alle anderen waren vertrokken. Onze afgeslankte ploeg werd versterkt door kunstenaar en muziekkenner Guido die, gekleed in een elandentrui, de indruk wekte dat het elke dag kerstmis was in hotel ’t Sandt. En door Hagenees Maurice – een man wiens Nederlandse uitspraak zo zuiver klonk dat Adriaan van Dis bij hem in de leer kon gaan. Maurice had iets voornaams over zich; alsof hij een prins was die, in afwachting dat hem een koninkrijk in de schoot geworpen werd, het hotelwezen met zijn aanwezigheid vereerde. Op een van zijn eerste werkdagen zag ik hem in de keuken – handdoek in de aanslag, omringd door bergen afwas – achter de vaatwasser staan. Zijn laconieke uitdrukking had iets weemoedigs gekregen. Het mocht duidelijk opschieten met het vinden van een geschikt koninkrijk. Hij bood zo’n troosteloze aanblik dat hier enkel dé vraag paste die wij receptionisten onveranderlijk, in momenten van wanhoop, aan elkaar stelden: ‘En: doetetnoggraag, Maurice?’

Ik herinner me trouwe hotelgasten die ouder en wankeler werden; ik herinner me het verdriet van een Schotse dame nadat haar man was overleden en hoe ze ons nog eenmaal bezocht omdat hij in de hotelbar zijn laatste zorgeloze dagen had gesleten; ik herinner me de tranen van wanhoop die een Amerikaanse dame plengde de ochtend nadat een Berlusconi zonder charme president van haar land was geworden; ik herinner me schaduwen van reizigers uit vijf continenten en hoe ze alle zekerheden die ik dacht te hebben één voor één ontmantelden.

Ik herinner me dat hotelgasten me bijna nooit herkenden als ik in de stad rondwandelde. 

Ik herinner me dat ik van een jonge Rus een fles wodka cadeau kreeg en dat hij maar één Engelse zin machtig was. Maar vooral herinner ik me hoe oprecht deze klonk: ‘From Russia with love.’

Ik herinner me dat ik achter de balie I Remember van Joe Brainard las, terwijl mijn vader in bed Je Me Souviens van Georges Perec doorbladerde.

Ik herinner me de fragiele gestalte van Remco Campert.

Ik herinner me hoe met de jaren het gelach bleef, maar minder uitbundig klonk dan voorheen. Met het verglijden van de tijd sloop de macht der gewoonte er meer en meer in en werden kleine ergernissen uitvergroot.

Ik herinner me de verkoop van ’t Sandt aan drie energieke ondernemers en hoe ze het stof van het langzaam indommelende hotel afbliezen. Kamers werden opgefrist; bescheiden vergaderzalen tot ruimtes met Excalibur-allures omgetoverd; en op het ontbijtbuffet verschenen plotseling – naast de gebruikelijke sneetjes ham en kaas – exotische producten die zelfs tofu-koning Stefan met verstomming zouden doen slaan. 

Maar ik herinner me ook dat er bij mezelf soms een zekere mate van onverschilligheid intrad. Waar ik gezichten van hotelgasten van vijf, tien, twintig jaar geleden nog haarscherp voor de geest kon halen, bleven sommige nieuwe gasten anoniem voor mij. Beleefdheidsformules werden moeiteloos uitgesproken, handen gedrukt, koffers naar boven gebracht. Maar het vuur waarmee ik ooit voor een Japanse femme fatale in de keuken het beste van mezelf gaf, was geluwd. Voor de dag zou aanbreken dat de laatste vonk uitdoofde en de uren spelen achter de balie ineens op werken zouden lijken, vond ik dat het tijd was om op te stappen en nieuwe zijwegen in te slaan. 

Ik herinner me de kwarteeuw als receptionist in een standingvol hotel als een van de mooiste periodes uit mijn leven. 

Ik herinner me de voetstappen van Isabella Rossellini toen ze door de voordeur naar buiten wandelde en definitief uit mijn leven verdween.  

Nooit heb ik me op het werk gelukkiger gevoeld dan in de gouden jaren bij hotel ’t Sandt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in Uncategorized | 5 reacties

De opkomst en ondergang van de Citroën Berlingo

 

Once Upon A Time

 

In januari 2021 zag – vijf jaar na Dinsdagen in november – mijn tweede bundel met verhalen, die twijfelen tussen humoristisch of weemoedig, het levenslicht. De opkomst & ondergang van de Citroën Berlingo verscheen in een beperkte oplage van vijfhonderd exemplaren. De prijs is twintig euro. Mocht u interesse hebben, stuur me dan een mail (pluisjekomkommer@hotmail.com) of contacteer me rechtstreeks via de blog Komkommerdagen.

 

Geplaatst in Uncategorized | 3 reacties

Facebookschetsen 2020

Karakter

Na een welverdiende vakantie was de al even welverdiende werkweek aangebroken. Wie werken zegt, zegt geheime strooptochten naar de keuken ondernemen in de hoop proviand te verdonkeremanen.

Zouden mijn collega’s de nootjes nog steeds op dezelfde plaats verstoppen? Ja hoor! Zou er ooit een andere hotelreceptionist zo’n wezenlijke bijdrage aan de mondiale popularisering van de borrelnoot hebben geleverd? Sta me toe dit te betwijfelen. Maar het was mooi geweest. Het was tijd om andere, gezondere wegen in te slaan. Nog een allerlaatste keer zou ik, als eerbetoon aan zoveel decennia culinair vertier, in de wonderton grabbelen… Net voor ik geroutineerd mijn hand in de nootjes onderdompelde, las ik het bericht van een bezorgde – en helderziende – collega…

Tussen droom en daad…

Gloria sic transit mundi 

Op donkere dagen probeer ik mezelf te troosten met de gedachte dat ik voor twee sporten een aangeboren talent heb en hoewel het nu rijkelijk laat is om er iets mee te doen, schenkt het me in momenten van vertwijfeling een goed gevoel. Allicht zelfs voor drie sporten – want ik ben linksvoetig en rechtshandig en dat schijnt een enorm voordeel te zijn bij het polsstokspringen; maar ik heb ook last van hoogtevrees – wat dan weer een nadeel is als je het wereldrecord wil verpulveren.

Blijven over: gewichtheffen én skiën. Over gewichtheffen kan ik kort zijn: zonder ook maar één keer actief aan een wedstrijd te hebben deelgenomen, weet ik dat er een Europese middenmotor in de categorie tot tachtig kilo aan mij is verloren gegaan.

 Skiën is een ander verhaal. Was het mijn Zwitsers bloed? Was het de gezonde boerenbuitenlucht van ’s-Gravenwezel – de voorstad waar ik opgroeide en waar veel grote Belgische skiërs het levenslicht zagen? Waren het mijn korte benen en lang bovenlichaam die bevorderlijk zijn voor de combinatie wendbaarheid, kracht en snelheid? Waren het de lessen van Herr Biener – een oude Zwitser uit Zermatt die zich op latten eleganter voortbewoog dan ballerina Isadora Duncan op de mondiale podia? Wie zal het zeggen? 

Op een dag nam ik in Val-‘d Isère – de geboorteplaats van de legendarische Franse skiër Jean-Claude Killy – deel aan aan een heuse competitiewedstrijd. Ik was zeventien en net roekeloos genoeg om lak te hebben aan de mogelijke gevolgen van een val. De zon verscheen aan de start, de sneeuw lag er maagdelijk wit bij en de tegenstanders leken haalbare kaarten. Als een raket dook ik naar beneden, sneed agressief de bochten aan, versnelde waar het kon en behield mijn evenwicht én het overzicht. In gedachten streed ik tegen Jean-Claude Killy voor goud en de tijd klokte af op een scherpe 53 seconden en 43 honderdsten. Lag de weg naar Olympische roem open? Driewerf helaas. Vierde! Op een goed gestoffeerd deelnemersveld bleken drie atleten net iets beter te zijn.

 Gestrand op luttele honderdsten van het podium. Vierde in een anonieme wedstrijd zonder toeschouwers, zonder pers en zonder ook maar enig belang. En toch waren het de meest perfecte 53 seconden en 43 honderdsten uit mijn leven.

The Naked Civil Servant

The very purpose of existence is to reconcile the glowing opinion we have of ourselves with the appaling things that other people think of us.’

Quentin Crisp

Stoptrein

De stoptrein naar Roosendaal stond geduldig in Antwerpen-Centraal op mijn komst te wachten en ik nam, gewapend met een vragenlijst voor mijn schoonmoeder – die ik ging interviewen naar aanleiding van haar leven als horecaprinses – in een wagon plaats. Ondanks mijn aanwezigheid vertrok de trein te laat en een geamuseerde conducteur, die er oprecht zin in had, vertelde door de intercom hoe dat zo kwam. ‘We moeten nog vijf minuten geduld uitoefenen, want de Inter City naar Amsterdam komt eraan en die heeft voorrang. Het heeft geen zin dames en heren, mochten jullie plannen in die richting hebben, om nog snel van trein te verwisselen. Trouwens: deze trein is veel gezelliger.’

Om het met Clint Eastwood te zeggen: ‘Beste, onbekende conducteur: you made my day.’

Brandweer

Omdat er dankzij de tussenkomst van een hamburger met vleermuis ineens tijd te over is,  besloten we de zolder te schilderen. In een verfwinkel, bemand door drie stoere vrouwen, viel mijn oog op een kalender waar zo mogelijk nog stoerdere mannen zich van hun beste kant lieten zien en ik vroeg of dit de bedoeling was.

De drie dames glimlachten samenzweerderig.

‘Jarenlang hingen hier uitsluitend kalenders met vrouwelijke Pin-ups voor de mannelijke collega’s. Tot we het ineens beu waren en aan de brandweer, van wie we deze al sinds jaar en dag kochten, vroegen of ze er geen met knappe gasten in de aanbieding hadden. En kijk: we zijn heel blij met het resultaat.’

‘Heb ik het goed begrepen? Zijn dat allemaal Antwerpse brandweermannen die hun torso showen ter meerdere eer en glorie van hun kazerne?’

De oudste dame van het trio schudde meewarig het hoofd en dacht weer aan the Summer of Love, die ze een halve eeuw geleden nog in alle hevigheid had beleefd.

‘Nee manneke. Dat zijn geen brandweermannen. Ge zou anders voor nix uw huis in brand steken.’

‘Want ik brandweer van verlangen’

Wijnegem National Park

Sinds we dankzij de komst van covid-19 enkele versnellingen langzamer leven, herontdekken Jolanda en ik de zeeën aan groene natuurparken die onze thuishaven omringen. Zo doorkruisten we op een van onze verre fietstochten Wijnegem en op een boogscheut van de architecturale parel die het shopping center is, ligt het park van Wijnegem. In mijn jeugd wandelde ik er soms door en het was de herontdekking meer dan waard. Er stonden bomen, er bloeiden varens, er kronkelden wandelpaden zo ver het oog reikte en er lag een vijver waar vogels mijmerend op ornithologen stonden te wachten. Het minimalisme sprak me aan. Ik voelde me, omringd door zoveel eenvoud, zowaar gelukkig.

‘Wat een indrukwekkende brok natuur. Dit vind ik nu zoveel mooier dan Yellowstone National Park.’

Het is een eeuwig terugkerend en teer punt van discussie tussen ons.

‘Ja, maar jij vindt zo goed als alles mooier dan Yellowstone National Park, dus dat is geen referentie.’

‘Dat komt omdat in Yellowstone de natuur zo dik is aangezet, zo overdreven allemaal; als een Hollywood blockbuster met opdringerige achtergrondmuziek en figuranten die denken Marlon Brando te zijn. De hoogste geisers, de luidruchtigste watervallen en om de vijf voet struikel je er over een beer of een bizon. Nee: dan liever deze verwelkte rododendron hier en die huismus daar…’

Tijdens de vol zeven minuten die het duurde om het volledige park te doorkruisen, kibbelden we verder tot we een compromis vonden en de groene oase herdoopten in Yellow-Wijnegem National Park.

Nachtrust bracht raad en bij het ontwaken vertelde Jolanda me dat ze een surrealistische droom had gehad: ‘We waren verdwaald in het park van Wijnegem en na een urenlange trektocht doemde de meest indrukwekkende natuur die ik ooit heb gezien aan de einder op: torenhoge watervallen, gigantische baobabs en besneeuwde bergtoppen: puur kippenvel; en ineens hoorde ik achter me een vreemd geluid en ik draaide me om en stond oog in oog met een Afrikaanse olifant. Voor een keer dacht ik: Jo, heeft gelijk. Het park van Wijnegem is inderdaad mooier dan Yellowstone National Park.’

Dagsoep

Nadat ik mijn moeder had verteld dat we haar kwamen bezoeken met – uiteraard – inachtneming van de gewenste sociale afstand, ontving ik van haar het volgende bericht: ‘Ik verwacht jullie. Zou je een beetje soep willen meebrengen? Ik heb niets in huis…’

Het trieste beeld van een lege koelkast motiveerde me om extra zorg aan haar wens te besteden. Samen met Jolanda en Zoé zochten we verse groenten bij boeren uit en waren uren in de weer met snijden, stoven en mixen. Maar het resultaat mocht er wezen en nog wel in drievoud: een pikante Indonesische pindasoep, een verse groentensoep én een romige aspergesoep. Liters vakmanschap werd in soepterrines gegoten en op de fiets reden we naar de Parel der Voorkempen. In de wetenschap redders in nood te zijn, plaatsten we de drie terrines behoedzaam aan de achterdeur en gingen, wachtend op de komst van de mater familias, in de tuin zitten.

Moeder kwam en overbrugde de tien meter die ons scheidden moeiteloos met haar dragende stem. De anekdotes welden op en ik vertelde haar dat we al haar culinaire wensen hadden ingewilligd. Ze moest enkel de achterdeur te openen. Nadat het middaguur had geslagen, achtte moeder het moment gekomen om onze kookkunsten op tafel te zetten en ze verdween met kwieke tred richting keuken. Niet veel later verscheen ze, enigszins onthutst, weer in de tuin.

‘Wat hebben jullie nu bij? Hier kan ik niets mee doen… Zoiets kan ik mijn gasten toch niet aanbieden.’

‘Hoe bedoelt u, mama? U vroeg om soep mee te nemen en we hebben niet alleen uren naar de juiste ingrediënten gezocht en vele uren Netflix-plezier laten schieten om dagverse soepen te bereiden, maar we hebben het zelfs met gevaar voor eigen leven op de fiets vervoerd.’

‘Soep? Soep? Hoe kom je erbij? Ik had gevraagd of je wat snoep kon meenemen…’

Messias 

Nadat we bij de Belgische toekomst van de Indische curry’s hadden besproken, zat de wekelijkse zondagavond bijeenkomst onder fotografiestudenten er weer op. We verzamelden halfvolle wijnflessen en lege koekjesdozen en namen op het Theaterplein afscheid. Voor de zekerheid grabbelde ik nog in mijn linkerbroekzak en merkte de afwezigheid van mijn gsm op. Ik holde terug naar de trappen – waar we zo goed als alle wereldproblemen hadden opgelost – maar die boden een verlaten aanblik. Mijn gsm was van de aardbodem verdwenen. 

Terneergeslagen kwam ik thuis, morste de rest van de halve fles wijn over de witte stoel en belde als een gek mijn nummer op. Maar er werd niet opgenomen. Met donker gemoed naar bed, want ik zag op tegen de administratieve rompslomp. Ook het feit dat een wildvreemde zo maar in mijn privé-leven kon binnengluren, kwam mijn nachtrust niet ten goede.

Om vier uur schrok ik wakker met een briljante ingeving. Ineens herinnerde ik me dat ik de lege koekjesdoos – zoals het een keurige burgerman betaamt – in de vuilnisbak had gekieperd. Had ik samen met de koekjesdoos ook mijn gsm in de vuilnisbak gesmeten? Dat was dé vraag. Het klonk plausibel en ik greep die sprankel hoop met beide handen vast. Gewapend met de telefoon van Jolanda fietste ik terug naar het Theaterplein, stak mijn hoofd door de gleuf van elke vuilnisbak en belde alsof mijn leven ervan afhing. Telkens hoorde ik mijn voicemail vertellen dat ik Jo Komkommer was en de telefoon niet kon opnemen. Teleurgesteld woelde ik amechtig door het vuilnis van mijn stadsgenoten, maar trof niets waardevols aan. Tot ineens, uit het niets, een slaapdronken stem toch opnam en ‘hallo’ zei. 

Mijn blijdschap was zo groot dat ik vergat me voor het ontiegelijk vroege uur te verontschuldigen.

‘O, hebt u mijn telefoon gevonden? Ik ben die op het Theaterplein zoekgeraakt…’

‘Dat weet ik. Sterker nog: ik weet zo goed als alles over jou m’n beste…’

Het klonk – zeker omringd door de duisternis van de nacht – bepaald dreigend; als de trailer van een nieuwe David Lynch-film. Maar toch wou ik die glimp van hoop niet laten varen en vroeg of de eerlijke vinder in de buurt woonde én het zag zitten om me mijn telefoon terug te brengen.

‘Ik heb broek noch schoenen aan, maar niet stressen. Ik ben er binnen drie minuten.’

Ondertussen hield de motregen mij gezelschap.

Drie minuten werden er tien en net toen ik dreigde mijn geloof in de goedheid van de mensheid te verliezen en met lege handen op mijn fiets wilde springen, hoorde ik in de verte iemand ‘Jo!’ roepen. Aan de horizon doemde een figuur op die het midden hield tussen de provinciale kampioen cocktailshaken en een DJ aan de vooravond van zijn internationale doorbaak. Een onuitgeslapen rockster met lange, zwarte manen. Hij had inderdaad – zoals beloofd – broek noch schoenen aan en wandelde, alsof hij door de hemel gezonden was, blootsvoets door de plassen. Maar hij had mijn telefoon bij zich en na het uitwisselen van enkele beleefde wist-je-datjes bewandelden we weer elk onze eigen weg.

Nog één allerlaatste keer draaide ik me om en zag hem in de verte achter de horizon verdwijnen: de Messias van het Theaterplein.

Gedicht

Gedicht voor dokter Trimbos

‘Goedkope wijn, masturbatie, bioscoop,’ schrijft Céline.

De wijn is op, en bioscopen zijn hier niet.

Het bestaan wordt wel eenzijdig.

Gerard Reve – Nader tot 

Hemelbestormers 

Zonder dat ik er veel aandacht voor had, voltrok er zich een generatiewissel. Het lijkt allemaal zo kort geleden dat we zelf twintigers waren en met vrienden en vriendinnen op een geheim landgoed in de Provence onze zomers in ledigheid sleten. We dronken wijn of pastis, vergaten het badmintonnet op te hangen, slenterden naar een meer, verzamelden rond een barbecue en bespraken tot diep in de nacht de liefde en onze toekomstplannen. Hoe leger de bidon met wijn oogde, hoe wilder de plannen klonken. Titaantjes.

In elke uithoek van het huis lag er iemand in een slaapzak zijn roes uit te slapen.

 Haast ongemerkt nam er iemand van de vriendengroep voor het eerst een peuter mee. En als spoedig lagen er in elke uithoek kinderen spelenderwijs groot te worden.

 Zoveel Tour-desillusies later zijn die kinderen zelf twintigers geworden. In de fleur van hun leven trekken ze naar hetzelfde huis, waar ze op het terras rond de barbecue uit de tijd van toen, hun eigen wilde toekomstplannen smeden en tot diep in de nacht een eind weglachen. Konden hemelbestormers de tijd maar stollen. Konden de zomers als twintiger maar een eeuwigheid duren.

The passage of time. Foto: Liza François

Radio

Soms hoor ik op de radio een flard van een zin die me gelukkig stemt.

‘Ik was niet mooi en niet jong/

De dag dat Richard Krajicek Wimbledon won.’

Spinvis

I Love Ambroce Bierce

‘EGOÏST: een vulgair persoon die meer belangstelling heeft voor zichzelf dan voor mij.’

Ambroce Bierce – The Devil’s Dictionary

Duka Poussettes

De kaartavond trok zich op gang, maar deze keer hadden we iets belangwekkend te bespreken. Het ging om de toekomst van de Belgische economie en hoe van Antwerpen het Silicon Valley van de Schelde te maken. 

Het was ons niet ontgaan dat het aandeel van Tesla, de producent van elektrische wagens, aan een steile opmars bezig was. Wat nog meer in het oog sprong, was het enorme succes van Nikola; een bedrijf dat ooit, ooit in de verre toekomst vrachtwagens op waterstof belooft te zullen bouwen. Voorlopig staat er nog geen fabriek, laat staan dat er al een model van de band is gerold. Op een website na – met een wat goedkope, glossy look – verkopen ze louter gebakken lucht. Maar de beurswaarde steeg naar een duizelingwekkende 34 miljard en waardeerde hoger dan Ford. De verwachte jaaromzet voor 2020 bedraagt 0 euro. 

De geniale vondst is natuurlijk dat ze de voornaam van de Kroatische uitvinder Tesla – Nikola – gebruiken en zo hopen mee te surfen op de vleugels van het succes van Elon Musk.

 Wat enkele Amerikaanse charlatans in een bar bij elkaar verzinnen, kunnen wij kaarters ook, meenden we. We namen een bierviltje en een pen en zochten op Wikipedia naar namen die vaagweg iets met Tesla te maken hadden. Zijn geboortedorp Smiljan? Zijn broer Dane? Zijn zus Milka? Die laatste viel af, want klonk chocoladeliefhebbers te bekend in de oren. Er heerste vertwijfeling aan de kaarttafel tot iemand de naam van de moeder opperde: Duka! Het eerste miljard was al binnen, zoveel was duidelijk. Maar wat gingen we produceren? 

Mijn voorstel – elektrische passagiersvliegtuigen – werd door de ingenieur in het gezelschap, die de realiteit niet volledig uit het oog wou verliezen, van tafel geveegd wegens technisch te complex. De zoektocht naar gebakken lucht werd echter niet opgegeven en iemand van ons kwam, na zijn derde glas wijn, met een geniale vondst: elektrische kinderwagens. Jolanda opperde nog dat alleen mannen zoiets kunnen bedenken en haar compliment werd door de aandeelhouders in dank aanvaard. En om de band met onze thuishaven én de glorieuze negentiende eeuw – waarin grootindustriëlen zoals wij Frans spraken – te onderstrepen, kozen we voor de naam: Duka Poussettes. 

Misschien is 34 miljard iets té ambitieus, maar het moge duidelijk zijn dat Duka Poussettes nu al te groot is voor de Bel20. Omdat een jaaromzet van 0 euro haalbaar moet zijn, is de dag om het aandeel op de Nasdaq te introduceren niet veraf meer. Tevreden met de prachtige vooruitzichten van onze intrinsieke beurswaarde besloten de aandeelhouders te filosoferen over aan wat ze al hun miljarden gingen verbrassen. Iemand stelde voor om Loudon Wainwright III naar De Roma te halen; iemand anders wou van Antwerpen een nog groenere stad maken; en de CEO had maar één doelstelling: Rupel Boom kopen en er voor zorgen dat zijn geliefde club als eerste Belgische ploeg de Champions League ging winnen. 

Draagt ook u Rupel Boom een warm hart toe, koop dan aandelen van Duka Poussettes.

Charme

Wandelend in Park Den Brandt kruiste ik een man die halt hield en verbaasd vroeg: ‘Jo? Jo Komkommer…?’ Hij was klein van gestalte en had over zijn hoofd een capuchon getrokken zodat ik hem niet meteen herkende. Tot hij sprak. Zijn unieke stem, uitspraak én frasering kwam – als een madeleine koekje – uit het verre verleden overgewaaid. Hij was een van de boezemvrienden van mijn vader en ik had hem al jaren niet meer gezien. Zichtbaar ontroerd stonden we stil bij de tijd van toen.

‘Weet je dat er geen dag voorbijgaat zonder dat ik aan je vader moet denken.’

Wat deed het deugd om zijn unieke Nederlandse uitspraak – die klinkt als de taal van een dolende kosmopoliet – nog eens te horen. En wat deed het deugd om te merken dat hij nog niets van zijn natuurlijke charme had verloren. Zijn ogen glansden even schrander als die van Peter Lorre die plots een uitweg uit een penibele situatie ontwaart. Zijn lichte ironie vormde jarenlang een mooi duet met vaders zwartgalligheid. Dertig jaar gingen de twee heren – en enkele andere vrienden – wekelijks samen lunchen in de restaurants rond de Pelikaanstraat, waar ze achter een goed glas wijn de ondergang van de diamanthandel betreurden.

‘God, wat hebben we een mooie en interessante tijd meegemaakt. Maar dat is allemaal voorbij…’

Bij het afscheid werden telefoonnummers uitgewisseld en na elkaar te hebben uitgezwaaid dacht ik weer aan de voorlaatste keer dat ik die oude vriend had gezien. Het was in de winter in de Entrepot Du Congo. Niemand had ooit al van confederalisme gehoord en vader leefde nog, maar had besloten nooit meer zijn bed te verlaten. Ook die voorlaatste keer was die vriend verheugd me te zien en vroeg of Jacques nog steeds las.

‘O, ja hoor: ongeveer achttien uur per dag.’

Hij liet het antwoord even bezinken en zei toen: ‘Achttien uur? Dat is voldoende…’

JMH Berckmans

Wat kon J.M.H. Berckmans, de prozadichter van de Barakstad, toch schitterend schrijven. In de verhalenbundel Taxi naar de Boerhavestraat scheert hij vaak de toppen van zijn hoge kunnen.

‘Ik heb heel erg vaak aan je gedacht en aan hoe we onder ons beidjes heel Barakstad op stelten zetten in de goede oude tijd die alles bedelft, geen wonden meer heelt, de dampkring verkoolt, de oceanen doet verdampen, de mens niet verlost en waarvan sommigen zeggen dat hij niet in ons voordeel is, al beweren sommige anderen het tegendeel.’

J.M.H. Berckmans – Taxi naar de Boerhavestraat

Willy Willy

De nacht was gevallen over Oostende en in de kusttram zocht ik een plaats bij het raam uit en hoopte ongestoord te kunnen lezen.

Ik had nog maar net Bange mensen sterven niet van Renate Rubinstein geopend of een energieke zestiger stapte op me af, zwaaide met een badge en zei autoritair: ‘Ik ben van de corona-politie! Wat bent u daar allemaal aan het lezen?’ Verbluft liet ik het titelblad – waarop een jonge Renate verleidelijk staart – aan de viroloog van wacht zien.

‘Dat boek is verboden! Overhandig het onmiddellijk…’

Een schaterlach later zette hij zich op de lege stoel voor me. Zijn politie-badge bleek een klantenkaart van de Lidl te zijn.

Aan de glinstering in zijn ogen begreep ik dat Renate moest wachten en sloot haar recent uitgeven bundeling. Zijn ogen zochten contact en eenmaal onze blikken elkaar hadden gekruist, stak hij van wal en vertelde zijn levensverhaal. Uiteraard was het een aaneenschakeling van twaalf stielen en dertien ongelukken – zo was hij o.m. cafébaas en ook enkele jaren nachtreceptionist in een hotel in Oostende geweest – maar bovenal schemerde in alles een grote liefde voor muziek door. Hij was een talentvol drummer én een boezemvriend van de vorig jaar overleden Willy Willy en was nu nachtenlang bezig een nummer over de leemte die zijn vriend had achtergelaten te schrijven.

‘Wil je het horen?’

Een koptelefoon werd op mijn hoofd gezet en zijn ode aan Willy Willy verraste me. Ik had degelijke middelmaat verwacht, maar het was prachtig. Bloedstollend mooi. Na deze song liet hij me een hypnotiserende pianosonate, die hij na de dood van zijn moeder had gecomponeerd, horen.

Terwijl ik genoot van zijn muziek was mijn overbuurman druk in de weer met het entertainen van de rest van de tram. Aan het uitgelaten Franstalig gezelschap naast ons vertelde hij dat hij Beau heette. En wat zijn jullie namen? ‘Moche’, antwoordde de playboy van het kwartet.

Er zat weinig rust in Beau en ik zag hem al nachtenlang met Arno, de prins van de koningin der badsteden, over muziek en de liefde palaveren.

Sneller dan Renate Rubinstein me er ooit had kunnen heenvoeren, was ik bij mijn halte toegekomen en maakte aanstalten om uit te stappen.

Bliksemsnel schoot Beau op me af en vroeg of ik joints rookte.

’Nee? Dat is jammer. Ik had je er graag eentje gegeven.’

Ik zwaaide nog een paar keer naar de vertrekkende tram, liet me opslokken door de duisternis en kon alleen maar denken: ‘Graag méér corona-politie op straat.’

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Le moment suprême in de Sonorawoestijn

Als zevenentwintigjarige nieuwbakken reisleider geraakte ik op mijn tweede Western Highlights danig onder de indruk van de gids op de andere bus. Ze heette Jolanda en zag er, ondanks haar eenendertig lentes, opgewekt en fris uit. Collega-cowboy Walter had ons in de lobby van een weinig ambitieuze hotelketen aan elkaar voorgesteld en haar vrolijke glimlach deed me uitkijken naar gestolen momenten tijdens ons leven on the road. Hoewel Jolanda een Roosendaalse was, emigreerde ze al op jonge leeftijd naar San Francisco en terwijl ik kilo’s ongelezen reisgidsen meesleurde, had zij een mountainbike bij zich om ’s avonds in de nationale parken rond te fietsen. Ze was pittig, kruidde haar verhalen met de nodige humor en was gezegend met een paar benen waar maar geen eind aan leek te komen. En ze straalde een onbekommerd vrijheidsgevoel uit. Alsof de dagen er louter waren om geplukt te worden. Onze gesprekken tijdens de rondreis, in restaurants die veel weg hadden van saloons uit B-westerns, dartelden alle kanten uit en ik vreesde opnieuw verliefd te worden. Hoe vaak zong ik in mijn tienerjaren niet inwendig – om me te wapenen tegen de toekomstige blues – de evergreen van Tom Waits: I Hope That I Don’t Fall In Love With You? Maar mijn goede voornemens haalden voor de zoveelste keer weinig uit en opnieuw bleek mijn hart losbandiger dan mijn hoofd. Ik viel als een blok voor een getrouwde vrouw. Goed beseffend dat de situatie hopeloos was, besloot ik enkele weken over een gezamenlijke toekomst te dagdromen en de situatie verder blauwblauw te laten – overtuigd dat de tijd het oplaaiende vuur wel zou blussen.

De volgende twee maanden hoorde ik niets van Jolanda en langzaam maar zeker vervaagden onze avonden samen tot een mooie herinnering. Maar op de achtergrond strandde haar huwelijk en vervuld van droefheid belde ze naar de field operation manager van American Tours International, met de bedoeling haar volgende rondreis af te zeggen. Ze wou nog een laatste poging ondernemen om haar huwelijk te redden. Tot de jonge Duitse verantwoordelijke zei:

‘Too bad. I had you scheduled for a two-bus-move with Jo Komkommer.’

In een opwelling besloot Jolanda het verleden te begraven en de toekomst een kans te geven.

Wederom waren we beiden onderweg op een two-bus-move aan de westkust en bestelden in restaurants vis en vlees en ondrinkbare huiswijn en toetsten elkaar, in bandeloze gesprekken, voorzichtig af. Wat eerst een doodlopende straat leek, was nu ineens een van hoop vervulde boulevard. Maar hoe kon ik de juiste binnenweg vinden?
 
Halverwege de reis kwamen we bij Bryce Canyon National Park, waar bleek dat er te weinig kamers waren gereserveerd. Ik arriveerde later in de lobby, maar Jolanda verzekerde me dat ze alles al had geregeld. Zeer tegen hun zin had ze wildvreemde passagiers op dezelfde kamer gezet en ook onze beide buschauffeurs moesten, tot hun ontzetting, badkamer en bed delen.
 
‘En wij delen ook een kamer!’ Zelden ben ik gelukkiger geweest dat ons kantoor in Los Angeles er een administratieve puinhoop van had gemaakt.
 
Na het avondmaal besloten we – twee filmjunkies bij elkaar – nog een film te huren en de eer viel te beurt aan My Cousin Vinny met Joe Pesci en de mooiste vrouw ter wereld, Marisa Tomei. Heerlijk ontspannen lagen we op een afzichtelijke bedsprei een eind weg te dromen en lachten onbeschaamd met deze vinnige romantische komedie. Na afloop van het vertier uit Tinsel Town trok Jolanda zich in de badkamer terug en spookten er allerlei scenario’s door mijn hoofd. Hoe moest het nu verder gaan? Had ik de gunstige voortekenen niet verkeerd gelezen? Was haar interesse werkelijk méér dan puur vriendschappelijk? Wat bleef ze trouwens lang weg! Want wat kan je, buiten je tanden flossen, nog allemaal in een badkamer uitspoken? Ik besloot het zekere voor het onzekere te nemen en het initiatief volledig aan haar over te laten.
Gerustgesteld door dit grootse inzicht viel ik in een comateuze slaap en maakte de terugkeer van Jolanda uit de badkamer niet meer bewust mee.
 
De volgende ochtend regende het insinuerende toespelingen van buschauffeurs en passagiers en Jolanda bezwoer me om zeker niet te zeggen dat er helemaal niets was gebeurd. ‘Zou ze dan toch…’, fluisterde de Sherlock in mij, me hoopvol in het oor? Maar zekerheid heb je nooit natuurlijk…
 
Twee dagen later luisterden we in de Sonorawoestijn – en in het gezelschap van onze toeristen – naar de deskundige uitleg van een cowboy over het wel en wee van de saguaro cactus. Naast hem schitterde in de rol van sidekick een bruingebrande Jolanda die alles in het Duits vertaalde en zo mogelijk nog meer grappen dan taalfouten maakte. Het was 5 augustus 1993, net voor valavond. Het was een magisch moment. Jolanda straalde een onbekommerde vrijgevochtenheid uit, als iemand die zich aan haar verleden had ontworteld en niet nodeloos achterom kijkt. En ik werd overrompeld én opgetild door het besef dat daar een vrouw stond waar ik – vele eenzame uren luisterend naar Tom Waits en andere grootmeesters van witte suburbiablues – al jarenlang naar op zoek was: ze had humor, een warme stem, was spontaan en levenslustig en voldoende door het leven getekend om haar bon mots in wijsheid te drenken. 

Een Duitse toeriste kreeg een gelukkige ingeving en maakte net op dat ogenblik – de filosofie van de geniale fotograaf Henri-Cartier Bresson indachtig – haar zoveelste foto van de reis. 

Jolanda daalde terug de heuvel af en ik stak, in een reflex, een helpende hand uit. Toen de hare in de mijne gleed, wist ik dat het goed zat.

Na de avondwandeling in de woestijn volgde er, zoals gebruikelijk, een diner in een sympathieke toeristenval waar enkel cowboys, indianen en Duitse toeristen met indianenzielen aanschoven. Iedereen deed er zich te goed aan enorme steaks – niemand bekommerde zich om zijn of haar ecologische voetafdruk – en ik hoopte met een bang hart dat ik niet moest gaan squaredansen, want in het vuur van de prille verliefdheid wilde ik niet meteen een bespottelijk figuur slaan. ’s Nachts kwamen Jolanda en ik in het hotel in Scottsdale aan en doken het zwembad in. Om het gevoel van luchtigheid vast te houden, bleven we bij maanlicht langer dan ooit in het water spelen. Die nacht had de zwaartekracht geen vat op ons. Maar onherroepelijk ging het moment aanbreken waarop we afscheid moesten nemen. Afgedroogd en wel stond ik bedremmeld – kamersleutel in de hand – in de gang van de Holiday Inn te dralen. Ik praatte mezelf moed in en oefende openingszinnen, maar vreesde dat het allemaal wel weer in een beleefd ‘Tot morgen!’ zou uitmonden. Tot Jolanda een eenvoudige vraag stelde. Maar als ze die niet had gesteld, was ons leven anders verlopen en was die foto van de Duitse toeriste verstoft tot een vage herinnering aan een fijne avond waarin ik alweer te veel steak at en alweer geen brokken op de dansvloer maakte.

‘Wil je nog even naar mijn kamer komen?’

Even werd een hele nacht.

De volgende ochtend bij het ontbijt werd ik overmand door een geluksgevoel en begon het te dagen dat ons samenzijn heel lang zou kunnen duren.

Telkens wanneer die foto me onder ogen komt, dank ik, nu bijna drie decennia later, nog altijd, die Duitse toeriste. Op een van dé kantelmomenten van mijn leven drukte ze achteloos op een knopje en vereeuwigde – met de anekdotische brille zo eigen aan de amateurfotograaf – le moment décisif uit meer dan een halve eeuw lief en leed.

Ondanks de aanwezigheid van een heuse cowboy had de Duitse vertaalster slechts oog voor één man.

 

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

Buster Keaton: The General

‘Tragedy is a close-up; comedy a long shot.’

Buster Keaton

Ik ben een vat vol vooroordelen. Zo ben ik er altijd van overtuigd geweest dat ik enorm van Buster Keaton zou houden, maar achtte het niet nodig die overtuiging aan de werkelijkheid te toetsen. Telkens als de kans zich voordeed in een zaal met een hart voor cinema een oude Keaton-klassieker te zien, verzon ik een excuus of werd op het laatste moment door lamlendigheid bevangen. De onbevlekte kennis van zijn oeuvre weerhield mij er echter niet van om, wanneer de gelegenheid zich voordeed, de immer sentimentele Charlie Chaplin af te branden én Buster Keaton recht de hemel in te prijzen. Tot ik op een donderdagavond in oktober niet meer aan de vuurdoop kon ontsnappen en onder ideale omstandigheden in De Cinema The General (1926, directie Buster Keaton en Clyde Bruckman) zag. Het was een feest voor oog én oor.

Meestal kijk ik deels uit plichtbewustzijn naar filmklassiekers. Niet natuurlijk als Ernst Lubitsch er met zijn elegante touch een hand in heeft gehad of als Cary Grant in screwball-komedies in amoureuze netten verstrikt raakt en met spitse one-liners de harten van damsels in distress probeert te veroveren. Maar wel als woeste Russische koppen zich op trappen in Odessa verzamelen en ontstemde vuisten in de lucht steken. Pantserkruiser Potemkin (Sergei Eisenstein, 1925), op ongemakkelijke houten klapstoelen in een zaal zonder airco. Zucht. Hoe eindeloos lang kunnen vijfenzeventig minuten duren…?

Het toeval wil dat The General, nauwelijks een jaar later (1926) gedraaid, ook vijfenzeventig minuten duurt. Maar deze vijfenzeventig minuten vlogen voorbij. De film leek op één langgerekte sprint waarin het tempo steeds sneller werd opgevoerd en de originele vondsten, die uit alle hoeken op de kijker werden afgevuurd, versterkten de verhaallijn alleen maar.

Wie was toch Buster Keaton? Geboren op 4 oktober 1895 in Piqua, Kansas – symbolisch genoeg het jaar dat de gebroeders Lumière de cinema uitvonden. Deze nieuwe kunstvorm leek haast voor Keaton geschapen, want zijn liefde voor de wonderen van de moderne techniek in combinatie met zijn experimentele geest maakte hem uitermate geschikt om in dit medium te excelleren. Keaton groeide op in een gezin van armlastige vaudeville-artiesten. Op een leeftijd dat de meeste peuters hun pampers nog niet zijn ontgroeid, trok hij met zijn ouders door heel het land en schitterde naast hen op talrijke podia. Zijn belangrijkste rol was die van menselijke speelbal. Vader zwierde zoonlief, hopend op een lachsalvo, hoog door de lucht en liet hem alle hoeken van het canvas zien. Zo raakte Buster als kleuter al vertrouwd met het werk van stuntmannen. Stunts die hij later – ook levensgevaarlijke, zoals die legendarische in Sherlock, Jr. waarbij hij zijn nek brak maar er pas twaalf jaar later achter kwam – in zijn films allemaal zelf zou uitvoeren. Al op jonge leeftijd werd hij het uithangbord van het gezelschap dat de naam ‘The Three Keatons’ daarom veranderde in ‘BUSTER, assisted by Joe & Myra Keaton’. Om aan de controle van bezorgde organisaties als de Gerry Society te ontkomen, die paal en perk aan kinderarbeid wilden stellen, werd hij op een blauwe maandag zelfs naar school gestuurd. Een gewaagd experiment dat korter dan één dag duurde. Keaton adoreerde zijn ouders en leerde bijna alle knepen van het komische vak van hen.

Maar in 1917, na een rondreis door Engeland, viel het gezelschap uit elkaar en leerde Keaton op Broadway Roscoe ‘Fatty’ Arbuckle kennen met wie hij drie jaar lang zou samenwerken en vijftien kortfilms maken. In die eerste films breekt soms nog een glimlach door. Het is pas vanaf 1920 dat Buster Keaton besluit om, op het witte doek, nooit meer te glimlachen; maar achter de schermen vocht hij voortdurend tegen de slappe lach. Zijn iconische gelaatsuitdrukking was geboren. Welke tegenslag er onderweg ook voor zijn voeten werd geworpen, steeds trok hij zijn deadpan-gelaatsuitdrukking als wapen op. Nadat de samenwerking met Fatty Arbuckle was beëindigd, begon Keaton – onder de auspiciën van Arbuckle’s oude producer Joseph M. Schenck – zijn eigen films te draaien. Gedurende acht gouden jaren zagen negentien kortfilms en tien langspeelfilms, die stuk voor stuk de tand des tijds glorieus hebben doorstaan, het levenslicht. Keaton toonde – in tegenstelling tot Chaplin – veel interesse voor de technische kant van de filmkunst en vond de schoonheid van zijn beeldtaal belangrijk. Chaplin zette ergens lukraak zijn regisseur-stoel neer en begon te filmen, maar bij Keaton was alles uitgekiend. Hij was ook, volgens co-scenarist en vriend Clyde Bruckman, de eerste die komedie op normale snelheid – i.p.v. versneld, zoals in de pioniersjaren gebruikelijk was – afspeelde. En hij blonk uit in de kunst van het underacting; die gave maakt, samen met het ontbreken van morele waardeoordelen, dat zijn beste films tijdloos modern aanvoelen. Zijn filmtaal lijkt heel bedacht, maar volgens medewerkers ging Keaton hoofdzakelijk intuïtief en improviserend te werk en maalde hij niet om het ontbreken van coherente scenario’s. Zolang hij tijdens de pauzes maar met vrienden kon baseballen was alles opperbest.

Op zijn artistiek en financieel hoogtepunt, net voor hij zijn laatste meesterwerk – Steamboat Bill, Jr – zou inblikken, was hij onaantastbaar. Keaton ontving een jaarlijks inkomen van 200.000 dollar, een alleraardigste som in 1927. Zo stelde de florissante wedde hem in staan om een rij bomen in zijn Hollywood Mansion, voor het luttele bedrag van 14.000 dollar, van de voor- naar de achtertuin te verplanten. Wat zou er verkeerd kunnen lopen? Niets toch? Zo goed als alles, leert de filmgeschiedenis ons. Waar hij in de periode van stille film de grenzen van de cinema had verlegd, bleken de talkies, ondanks zijn dragende basbariton, hem niet nodig te hebben. Buster Keaton Productions werd opgeheven en de kapitein van het nieuwe moederschip MGM, Louis B. Mayer, begreep nooit waarom de man met het onkreukbare gelaat grappig werd bevonden. Buster Keaton sukkelde weg in relatieve vergetelheid, flirtte met armoede, werd een hevige drinker, scheidde en hertrouwde een respectabel aantal keren, kreeg een rol als bridgespeler in de geweldige Billy Wilder-film Sunset Boulevard en maakte net op tijd zijn revival, vanaf de jaren zestig, mee – zodat hij stierf in de wetenschap dat de moderne tijdsgeest zijn komisch genie had omarmd. Of zoals Anthony Lane het in zijn uitstekend artikel The Fall Guy (The New Yorker, 1995) verwoordde: ‘Nearing the millennium, we like to think that black comedy is our specialty, our big number – that, after all that’s happened, we’ve earned it. But Buster Keaton was there before us. If you’re looking for irony and fatigue, high speed and hard luck, the strong toil of grace, then Keaton is your man.’

Buster Keaton stierf op 1 februari 1966. Hij werd zeventig jaar oud.

Maar terug naar The General. Nadat ik enkele bekenden in De Cinema had begroet en naast een collega-studente was gaan zitten, doofden de zaallichten en greep de onstuimige frisheid van de bijna honderdjarige film me onmiddellijk bij mijn nekvel. Mijn broze aandachtspanne kreeg geen kans te verslappen. De verhaallijn is eenvoudig. Buster Keaton – in de rol van treinmachinist Johnnie Gray – heeft twee grote liefdes: zijn trein The General én een jonge vrouw van goede komaf die samen met haar broer nog bij haar vader inwoont. Dan breekt de Amerikaanse burgeroorlog (1861 – 1865) uit en alle weerbare mannen in het dorp haasten zich om in dienst te treden met een onbezorgdheid die herinneringen oproept aan het optimisme in Europa net voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Al fluitend en dansend naar het slagveld. Johnnie Gray laat zien uit welk atletisch hout hij is gesneden en springt, nadat zijn geliefde verwachtingsvol in zijn ogen keek, acrobatisch over elke hindernis om als allereerste vrijwilliger aan het loket te verschijnen. Klaar om de eer van de Zuidelijke Staten te verdedigen. Want ook hierin schuilt het genie van Keaton. Hij trok zich niets aan van mogelijke bezwaren van latere cultuurpauzen en vertelt het verhaal vanuit het standpunt van de Confederatie. Maar ondanks zijn lenige lichaam weigert de ambtenaar van het leger hem in dienst te nemen, omdat hij als treinmachinist de Zuidelijken veel betere diensten zou kunnen verlenen. Na een tiental mislukte pogingen om de ambtenaar te verschalken, gooit Keaton de handdoek in de ring en zegt: ‘If you lose this war, don’t blame me…’ 

Zijn geliefde is diep teleurgesteld en weigert hem nog te zien, laat staan hem in haar armen te sluiten – zolang hij niet in een legeruniform grote sier maakt.

Dan wordt zijn trein, met daarin zijn oogappel, door het Noordelijke leger gestolen en zet Johnnie Gray de achtervolging in – eerst nog vergezeld van honderden soldaten maar algauw raken die het spoor bijster en gaat hij dapper, na eerst de schouders te hebben opgehaald, in zijn dooie eentje verder. Gray glipt binnen in het kamp van de Noordelijken, luistert de plannen van de legerleiding af, steelt zijn trein én vriendin terug, propt haar – als voorbereiding op een romantische tête-à-tête – in een jutten zak, stookt ter bevordering van de CO2-uitstoot tijdens de vlucht huiswaarts halve bossen op, blaast de cruciale strategische brug Rock River Bridge in de lucht, keert heelhuids met trein én geliefde terug thuis, verslaat als bij toeval – en door een ongelukkige samenloop van omstandigheden – het oprukkende Noordelijke leger, wordt tot luitenant gepromoveerd, krijgt eindelijk zijn legeruniform en kust op het einde zijn meisje.

Het is een korte samenvatting van een film die vooral bekoort door de energie die als een pletwals voortraast én door de visuele schoonheid van de beelden. Soms episch, soms verstild, steeds puur. Buster Keaton was net zo klein als Charlie Chaplin: 165 cm. Maar hij weet zijn bescheiden lengte in een voordeel om te buigen. Zijn gespierd lichaam – gewend om al vanaf jonge leeftijd stunts uit te halen – straalt de kracht en souplesse van een Olympische turnkampioen uit. Ondanks het feit dat hij meestal slechts tot de schouders van zijn mannelijke medespelers reikt, torent Keaton hoog boven hen uit en zuigt de aandacht van de kijker naar zich toe. Ik zat met open mond naar de vive bewegingen van Keaton te kijken die heuvels op- en af rent en over zijn beminde trein klautert alsof het niets is. In de zoektocht naar het perpetuum mobile moet het DNA van Buster Keaton dringend onderzocht worden.

Op zijn lenige lichaam rust het iconische, nooit glimlachende hoofd. De gelatenheid van zijn onverstoorde blik is een kalme oase in zijn dynamische films en schenken deze niet alleen een tijdloze, melancholische uitstraling maar verhevigen het komisch effect: ‘The more serious I turned, the bigger laugh I got.”

Zijn slapstick-sketches zijn zo uitgekiend, zo goed getimed (zoals zijn sprong over de brandende brug en zijn val tussen de treinsporen in het water) dat ik regelmatig luidop in de lach schoot. Zoals een goede goochelaar verstaat Keaton de kunst je te doen vergeten dat je de clou eigenlijk op voorhand al had zien aankomen.

Maar er is meer dan de lach alleen. Op een vreemde manier verhevigt Keaton’s lak aan sentimentaliteit juist het ontroerend effect van sommige scenes. Met Elsschotiaanse spaarzaamheid blijven emoties toebedekt; maar het beeld van de eenzame soldaat Johnnie Gray die hulpeloos met een kapot zwaard in een verlaten straat de hoop een held te worden, ziet verzanden, is van een ontroerende schoonheid waar veel films die het emotionele register gulziger bespelen heel wat van kunnen opsteken.

De inventieve live-muziek van een muzikale songsmid uit Latijns-Amerika, die meer instrumenten beheerste dan Prince, onderstreepte op gepaste wijze de speelse beelden. In een aandoenlijk Nederlands erkende hij op slag een Keaton-fan te zijn geworden.

Wat een film. Wat een genie. Mijn vooroordeel over Buster Keaton werd bevestigd.

De gedoofde zaallichten floepten weer aan en ik zocht een weg naar de uitgang. Onderweg kwam ik de vader van een oude schoolkameraad tegen die zijn bejaarde leeftijd met jongensachtige zwier droeg. Hij was zijn leven lang theateracteur geweest en had nog altijd de donkere krullen uit de tijd dat hij als jeune premier op de planken furore maakte. De begroeting was hartelijk. ‘Ah, Jo: dat is lang geleden. Maar ik dacht wel jou hier te treffen. Buster Keaton leek me altijd echt iets voor jou.’

Het was een mooie opsteker om te merken dat ook andere mensen overtuigd zijn van de juistheid van mijn vooroordelen.

Geraadpleegde bronnen:

Wouter Hessels, Filmgeschiedenis, Drukkerij Het Punt, 2019

Anthony Lane, Nobody’s Perfect, Alfred A. Knopf, 2002

David Thomson, The New Biographical Dictionary of Film, Little Brown, 2002

Opdracht voor het vak filmgeschiedenis: filmbespreking – Fotokunst 2DKO.

 

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

De troost van een jongenskamer

Op een zomerdag, begin jaren ’70, wisselden naast het ouderlijk zwembad de mooiste moeders van s-Gravenwezel kaastaartrecepten uit. De geanimeerde discussies overstemden het geblaf van de honden en niemand had oog voor wat er zich verder afspeelde, behalve vader – wiens culinaire bijdrage sowieso beperkt bleef tot het tijdig omdraaien van het vlees op de barbecue. Hij hoorde gespartel, keek verstoord van zijn boek op en zag dat er zich in het zwembad een tragedie aan het voltrekken was. Tom Niemans, de achtjarige zoon van de moeder wiens kaastaart die van de Joodse New Yorkse momme’s overvleugelde, was aan het verdrinken. Vader, voor wie slenteren al een heuse Olympische sport was, schoot uit de startblokken, dook het zwembad in en redde hem van een gewisse dood.

Toms ouders woonden twee straten verder in een strakke witte villa met een oprit en een grote tuin, waarin vader Jan – die meestal achter de computer laatdunkend de opkomst en ondergang van de wereldeconomie analyseerde – op vrije dagen al barbecueënd liet zien dat hij niet voor niets afstamde van succesvolle Antwerpse ondernemers. Onze ouders waren bevriend en daarom werd ik geacht tante Frieda en oom Jan te zeggen. Tante Frieda rolde er moeiteloos uit. Ze was een natuurlijke schoonheid die gezegend was met een geweldig gevoel voor humor én naast haar kookkunsten ook een ongezien talent bezat om mensen en stemmen te imiteren. Ze deed het zo voortreffelijk, dat me telkens een teleurstelling overviel wanneer ik de door haar tot leven gewekte personages in werkelijkheid ontmoette – alsof een lichtjes karikaturale versie meer patina bezat. Maar wat oom Jan betreft, verder dan een stamelend ‘Goedendag Meneer…’ ben ik nooit geraakt. Als ik bij Tom aanbelde en vader Jan opendeed, begon ik te trillen op mijn benen, hakkelde enkele beleefdheidsformules en hoopte ik zo snel mogelijk naar boven te vluchten. Hij beheerste de kunst van de misprijzende oogopslag tot in de perfectie en mij bekroop telkens het gevoel dat ik me – voeten vegend op de deurmat – moest verontschuldigen voor mijn bestaan. Jan had zich een hoogstpersoonlijke vorm van het Algemeen Beschaafd Nederlands eigen gemaakt, waardoor classificaties als ‘klootjesvolk’ en ‘idioten’ nog vernietigender klonken dan de bedoeling was en terwijl ik de trap naar Toms kamer besteeg, waande ik me een nietsnut. Een charlatan. De priemende blik in mijn rug liet me pas los nadat ik mijn hand op de deurklink had gelegd.

In de slaapkamer viel de spanning weg. Tom was steeds een en al warmte en omdat we gemeenschappelijke interesses deelden, trok het gesprek zich al op gang nog voor ik op de door hem aangeduide stoel was gaan zitten. Het eerste wat opviel was hoe opgeruimd zijn kamer eruitzag. Hier heerste orde en netheid. De tinnen soldaten waren zo opgeblonken dat geen generaal van het Rode Leger het in zijn hoofd zou halen ‘s-Gravenwezel binnen te vallen; de boeken en stripverhalen waren alfabetisch én chronologisch én per grootte gerangschikt en het systeem had bij de hoofdbibliothecaris van Tokio ongetwijfeld een vreugdedans ontlokt; in zijn kledingkast lag alles op kleur, hoofdzakelijk donkere en zwarte tinten; en de platenkast was de overtreffende trap van harmonie: elke elpee was in een beschermhoes opgeborgen en in de zorgzame handen van Tom was het ondenkbaar dat een kras of stofje hen zou besmeuren.

Al van jongs af aan was zijn slaapkamer ingericht als een altaar voor zijn heilige viervuldigheid: The Beatles. Nooit liep er op aarde een trouwere fan van de Fab Four rond – zelfs niet de mama van Ringo Starr – en hoewel hij urenlang een academische discussie kon voeren over wie nu de grootste groep aller tijden was – The Beatles of The Stones –, was het in zijn hoofd een uitgemaakte zaak en voerden The Stones-aanhangers een zinloos achterhoedegevecht. Vader Jan leefde in de illusie nog steeds de gelukkige bezitter van de originele persingen van al die legendarische platen te zijn. Een dwaling. Tom had zijn recente elpees al lang en breed ingewisseld voor de vintage exemplaren uit Jans collectie en zo een historische onrechtvaardigheid rechtgezet. Net zoals zijn kleerkast met zwarte truien en Levi’s 501 op orde lag, was het voor Tom van belang om zijn muzikale helden een correcte plaats in de eeuwige ranglijst in zijn hoofd toe te kennen. Onder The Beatles kon een triumviraat van edele lawaaimakers op zijn goedkeuring rekenen: The Stones, Bruce Springsteen en Lou Reed – ook een man die zweerde bij zwarte rolkragen en, wanneer het gemoed erom vroeg, een trekje van een verdovend roesmiddel.

Zelden trof ik Tom alleen aan. De kinderkamer van weleer had zich ontpopt als jongenskamer en was bij eenparigheid van stemmen uitverkozen tot het clublokaal van de pubers uit de buurt. Boezemvriend Bart, de immer beheerste Christian en de met de typisch ‘s-Gravenwezelse flair gezegende Vincent leken zo met het meubilair vergroeid dat het onwennig aanvoelde om er soms een lege stoel te zien. In het hoofdkwartier werden verheven zaken die jongens wereldwijd aanbelangen, besproken. Wat is de slimste manier om brommers op te voeren? Is Eddy Tattoo – die na een wilde nacht toestemming kreeg om de tong van The Stones in een bil van Tom te branden – nog altijd de grootmeester van het fijnere naald- en snitwerk? Weet er iemand waar je betaalbare wiet kan scoren? Af en toe gluurden we tijdens de debatten richting deuropening in de hoop een glimp op te vangen van Toms oudere zus Ann, die de schoonheid en humor van haar moeder had geërfd en terecht een vriend met een rode Porsche had. Na het afronden van de vergadering haalde de secretaris – terwijl de samenzang van Lennon & McCartney het verlangen naar een nieuwe lente verhevigde – uit een geheime lade eerbiedwaardige tijdschriften als Playboy en Penthouse tevoorschijn.

Net als het meubilair, had ook elke vriend zijn vaste stek en als Tom in de keuken spijs en drank ging halen, was het een sport om snel van stoel te verwisselen. Telkens geraakte hij ontredderd door de aangerichte chaos:

‘Nee, Bart: jij moet op die stoel zitten! En Christian: jij zit daar en nergens anders!’

Ook als er twee boeken en drie platen tijdens Toms expedities, schaterlachend, werden herschikt, voelde hij meteen dat de harmonie verstoord was – zonder direct een vinger op de wonde te kunnen leggen. Op een dag besloot Tom popcorn te maken en alvorens achter het fornuis plaats te nemen, bezwoer hij – misbruik vrezend – streng:

‘Verander hier nu eens in godsnaam niks!’

‘Natuurlijk niet,’ beloofden Bart en Christian, ‘we zouden niet durven.’

De chef was de deur nog niet uit of vliegensvlug draaiden de heren het bed om, wisselden het hoofd- en het lager gelegen voetbankje, schroefden de leeslamp terug op zijn oorspronkelijke plaats en deden bij de terugkeer van de Popcorn-king of ze met de handen in hun broekzakken naar Time Waits For No One hadden geluisterd. Die merkte dat er iets niet in de haak was, maar hoe achterdochtig hij ook rondkeek, hij zag niets abnormaals. Tot Tom ’s nachts Nebraska van Bruce Springsteen opzette – een vast ritueel voor het slapengaan – zijn boek opende en de leeslamp aandeed. De lichtbundel die naar beneden viel, kwam van veel hoger en scheen feller en hoe hij ook woelde en keerde, de slaap werd niet meer gevat. Dus besloot Tom op te staan en in zijn eentje, in het midden van de nacht, zijn bed uit- en in elkaar te schroeven tot de oorspronkelijke situatie weer was hersteld.

Elke nacht – behalve die ene dan – viel Tom in slaap met Nebraska van Bruce Springsteen. In zijn verbeelding was het echter niet The E-Street Band die The Boss begeleidde, maar was hij The Boss en waren het zijn vrienden die hem muzikale ruggensteun schonken. De onverstoorbare Bart, die de onderarmen van een ijverige dokwerker bezat, achter de drums; Vincent op gitaar; Christian, die als spichtige jongen de meest jazzy look had, op saxofoon en ik, die kon bogen op veel blokfluit-ervaring, mismeesterde de elektrische bas.

‘Jo, van al mijn vrienden zie ik jou het minst, maar voor mij ben jij ook belangrijk. Vandaar dat je in mijn groep zit en ik vind dat de rol van zwijgzame bassist je als gegoten past.’

Hoewel niemand van ons een do van een la kon onderscheiden, waren we zo gebeten door de kleurklank van muziek, dat we voor een vrije radio – het waren tenslotte de jaren tachtig – gingen werken. Radio Sky, want zo heette het culturele lichtbaken, zat verscholen in een bunker onder een illegale dancing, waar volgens de geruchten stripteaseuses ‘s-Gravenwezel de uitstraling van Atlantic City gaven. Ondanks de opwindende choreografieën boven ons, draaiden wij muziek waarin melancholie de boventoon voerde, zoals de welluidende titels van onze radioprogramma’s onderstreepten: Le chagrin en quatre-vingts – met uw aller DJ Joen Toms Verdronken vlinder. Terwijl ik putte uit hedendaagse larmoyante songs, spitte Tom in het verleden tot hij parels van tristesse opdelfde. En The Beatles, natuurlijk. Daar kon niemand in ‘s-Gravenwezel aan ontkomen.

Met het klimmen der jaren kreeg Toms gemoed echter een donkerdere rand. Ook al was de voorraad wiet in de schuif voldoende om een leger Vietnamveteranen high te voeren en stonden er wederom fantastische interviews in de Playboy, toch ruimde zijn aanstekelijke vrolijkheid soms baan voor melancholie. Trekkend aan een sigaret, zijn pezige schouders diep in een zwarte roltrui gehuld, herhaalde hij als een mantra – terwijl in zijn ogen een onbestemd verdriet blonk – dat hij nooit ouder zou worden dan Jezus Christus. Nu leek drieëndertig jaar als tiener een respectabele leeftijd en niemand bleef lang bij zijn verlangen naar de eindhalte stilstaan. Als voorbereiding op de laatste reis had Tom een gecontesteerd boek van een Nederlandse arts gekocht, waarin die aan de hand van voorbeelden uitleg verschafte over de tien beste manieren om uit het leven te stappen.

Op school, het Sint-Michielscollege in Brasschaat, doorliep hij – geholpen door zijn orde en netheid – een rimpelloos parcours, maar al vroeg was duidelijk dat Tom niet voor handelsingenieur of kernfysicus in de wieg was gelegd. Zijn vader, een briljante student die wél alles van wiskunde begreep en als bedrijfsconsultant hoog aanzien genoot, had het er moeilijk mee dat zijn enige zoon zijn aandacht niet bij spreadsheets kon houden. In de witte villa – waar vier mensen met een scherp gevoel voor humor samenwoonden – stormde het regelmatig van de kolkende emoties. Als het te onstuimig werd, vluchtte Tom, de toorn van vader vrezend, naar het dak waar hij dan met opgetrokken knieën urenlang in de verte staarde. Zoals na die ene nacht toen hij manchetknopen voor een bal had geleend en er tijdens het dansen eentje was zoekgeraakt.

De hunkering naar waardering, naar een bemoedigende schouderklop – en de stilzwijgende muur waar hij tegenaan botste – sloeg een leemte in hem die niet altijd door Lennon & McCartney kon worden opgevuld.

Maar meer en meer schonken muziek, literatuur en film – culture, quoi – hem troost en als Tom enthousiast was over een film sleepte hij, op de hem kenmerkende dwingende én charmante wijze, zijn vrienden er steevast heen. Aan zijn fluwelen dictatuur viel niet te ontkomen. Ook hier verliep alles volgens een vast ritueel. Om in de stemming voor een cinematografische trip te komen, werd er eerst een joint opgestoken en eenmaal in de zaal gearriveerd, werden we geacht steeds op dezelfde plek te gaan zitten. Vijftig films per jaar zag hij er. Minstens. Dé cultfilm die hem het meest van zijn sokken blies was Pulp Fiction van Quentin Tarantino en hij citeerde er kwistiger uit dan de paus uit de bijbel:

‘You see, this profession is filled to the brim with unrealistic motherfuckers. Motherfuckers who thought their ass would age like wine.’

Passend voor een fervente wietgebruiker die gruwde van een baan als CEO, vatte Tom de studie Pol & Soc aan en sloot vriendschap met wijnhandelaar in spe Lucas. De twee soulmates staken fel af tegen de rest van de linkse bende en onder hun medestudenten werden zij ervan verdacht het liberalisme niet ongenegen te zijn. Dat weerhield het broederpaar er niet van om regelmatig in de 1000 Appeltjes – het Antwerpse hoofdkwartier van de communisten – aan de toog met andere kroegtijgers over muziek te debatteren en zo diepgravend waren de discussies dat de studies werden verwaarloosd. Als tegenprestatie ondernamen de twee vrienden regelmatig strooptochten naar de wijnkelder van vader Jan en deden zich te goed aan zijn collectie Château Cheval Blancs uit 1976, die er toch maar stof lag te vergaren.

Maar er smeulde een vuur in Tom. En boezemvriend Bart had de lont aangestoken. Bart had namelijk van zijn oom een vergroter gekregen en in de kelder van zijn ouderlijk huis een donkere kamer geïnstalleerd, want hij had veel interesse voor de technische kant van fotografie en ontwikkelde zijn foto’s liever zelf. Op een landerige zomerdag vergezelde een verveelde Tom Bart naar de donkere kamer, vroeg verwonderd wat die hele constructie te beduiden had, sloeg het proces gade, zag hoe blanco papier werd ondergedompeld en omgetoverd tot iets volledig anders en zijn ogen begonnen te stralen. Het was pure magie. En hij wist wat hem de rest van zijn leven te doen stond.

Na een kleine omweg op Sint Lucas in Antwerpen, vertrok Tom naar het RITCS in Brussel, studeerde con brio af en smeet zich volledig op een leven als fotograaf. Toms donkere krullen, de onveranderlijke sigaret bungelend in een mondhoek, zijn magere gestalte, aangeboren charme en getormenteerde blik maakten dat elke nouvelle vagueregisseur hem voor deze rol zou hebben getypecast. In die periode zag ik Tom zelden, want ik werkte als reisleider en probeerde mijn onwetendheid achter meligheid te verbergen, maar de keren dat we beiden in het land waren, nam hij mij regelmatig mee naar shoots en ik merkte hoe hij groeide en openbloeide en de grootmeester van het diafragma werd. Zijn nauwkeurigheid én passie voor het visuele versterkten zijn natuurlijke aanleg en droegen ertoe bij dat hij al snel, via een vriend, voor het agentschap Reporter kon gaan werken.

Tom werd de assistent van foodfotograaf Tony Le Duc en ging op een appartement in de stad wonen. De opdrachten stroomden binnen voor Knack Weekend, P-Magazine en andere door de mantel der vergetelheid toegedekte tijdschriften fotografeerde Tom zowat alles en iedereen die in Vlaanderen een halve centimeter boven het maaiveld uitstak. Tot en met Eddy Wally, die het waagde een geringschattende opmerking over The Beatles te maken en bijna in een Chinees restaurant – waar de shoot zijn lancering als The Voice of China moest inluiden – tot stof was wedergekeerd.

Uit de hele reeks foto’s van anonieme BV’s staat er één beeld van Tom voor eeuwig op mijn netvlies gebrand. Het is een zwart-wit foto van een nors kijkende Johan Anthierens op een bank in een park, met naast hem een piepklein Belgisch speelgoedvlaggetje. Enkel de nationale vlag was ingekleurd. Het was de dag van de opname stervenskou. Johan Anthierens had er geen zin in, werd na elke aanwijzing van Tom gecrispeerder en toonde zich nog giftiger in zijn opmerkingen dan in zijn columns. Maar toen Anthierens eenmaal de foto zag, was hij er zo verguld mee dat hij een brief naar Tom schreef om hem te zeggen hoezeer het resultaat hem had ontroerd en dat hij nooit treffender in beeld was gebracht.

Buiten het Vlaamse maaiveld vereeuwigde Tom ook de groten der aarde en hij verstond de kunst, geholpen door zijn ontwapenende charme, om wereldsterren in te palmen. Zo zag hij op een van de talrijke modeshoots een glimp van de ongenaakbaar gewaande Karl Lagerfeld, knipoogde naar het icoon en vroeg of die vijf minuten tijd had. Niemand kon Tom iets weigeren, ook Karl niet: die draaide zijn hoofd gedwee een kwartslag en bracht zijn wereldberoemd profiel in gereedheid.

‘Nee, nee,’ zei Tom ‘U moet uw hoofd andersom draaien. Iedereen fotografeert u nu al jaren verkeerd. Als we het op mijn manier doen, zal het een veel sterker beeld opleveren.’

In de zoektocht naar het perfecte beeld had Tom geen oog voor administratieve beslommeringen. Het is dat Bart, die ondanks zijn onderarmen voor een carrière in de advocatuur had gekozen, zich af en toe om zijn boekhouding bekommerde, anders had geen enkele opdrachtgever ooit een factuur ontvangen.

Tom Niemans: charmeur en fotograaf

Als romanticus was het voor Tom in de liefde alles of niets. Terwijl zijn vrienden één voor één werden gebeten door het huisje-tuintje-boompje-syndroom, schipperde zijn hart van haven naar haven, zonder ergens lang voor anker te liggen. Met lede ogen zag hij hoe het in zijn jongenskamer hoe langer hoe eenzamer werd. Oude kameraden verwisselden luiers in plaats van langspeelplaten en waren niet meer geïnteresseerd in de vraag waarom The Beatles beter waren dan The Stones. Er kwamen barsten in de geborgenheid die jeugdvriendschappen hem hadden geschonken. Diep in hem heerste het verlangen om eeuwig een bohemien van zeventien te blijven. Om zijn onrust over de oprukkende tijd te verdoven, werd de eerste joint steeds vroeger op de dag aangestoken. Vaak nog voor de eerste slok koffie. Ook ik was, na een klein decennium rondzwerven, weer in Antwerpen aangemeerd en had het eind jaren negentig te druk met het heroriënteren van mezelf om energie in het onderhouden van jeugdvriendschappen te steken. We spraken elkaar te weinig.

Op een dag was ik weer onderweg naar nergens en draaide op de drempel van het nieuwe millennium de hoek van de Stoelstraat, waar we toen woonden, om en zag plots Tom staan die, druk gesticulerend, foto’s aan het maken was van een pas gehuwd stel. Het was winter, ik voelde me mistroostig, had geen zin in small talk die als smeerolie dient om oude banden weer aan te halen en sloop stiekem verder. Ach, Tom en ik: we hebben nog zovéél toekomst samen. Dacht ik.

Enkele weken later belde mijn moeder me op om te zeggen dat de toekomst voorgoed voorbij was. Tom had zich in zijn appartement opgehangen. Hij was drieëndertig jaar oud. In zijn bibliotheek werd een boek van een Nederlandse arts teruggevonden en het hoofdstuk over zelfdoding door ophanging had hij met een paperclip gemarkeerd en de aanwijzigingen, als een secure boekhouder, tot in de puntjes opgevolgd.

Mijn vader, die bij voorkeur zijn emoties achter zwartgalligheid verborgen hield, zei: ‘Heb ik daarvoor jaren geleden al die moeite gedaan…’

De begrafenis vond plaats in het crematorium van het Schoonselhof en het was een divers gezelschap dat zich in de aula verzamelde: familieleden, fotografen, journalisten, bevriende CEO’s van vader Jan en oude jeugdvrienden, die aan het vervellen waren tot echte mannen en klaar leken om op hun beurt steunpilaren van de maatschappij te worden. Iedereen schuifelde en keek voor zich uit. Er viel een afwachtende stilte die plots verbroken werd door hemelse én door merg en been snijdende muziek die ons weer terugvoerde naar ledige dagen in een jongenskamer. Help van The Beatles.

I need somebody
(Help) not just anybody
(Help) you know I need someone
(Help)

Na de muziek stond een imposante verschijning recht en nam het woord. Vader Jan sprak afgemeten maar teder en indrukwekkend over het moeizame gevecht van zijn zoon met de complexiteit van het leven. Na hem volgden er talrijke mooie herdenkingen van mensen die hem hadden gekend. De door verdriet overmande hoofdredactrice van Knack Weekend besloot haar afscheid met de woorden dat ze vanaf nu, telkens als ze in het straatbeeld een jongeman met donkere krullen zou zien, aan Tom zal moeten denken.

Die onzalige dag is nu bijna twintig jaar geleden en om herinneringen aan Tom op te halen, had ik een handvol vrienden uitgenodigd. Ondanks herhaalde waarschuwingen over de minderwaardige pasta die ik hen ging voorschotelen, verzamelden ze al hun moed bij elkaar en belden aan. Twee decennia hadden we elkaar niet meer gezien en al bij al viel de opgelopen schade van de bourgondische levensstijl, waaraan we ons gulzig hadden gelaafd, reuze mee. Het deed deugd om de lenige ironie van weleer opnieuw te horen en voor we het vat met herinneringen manhaftig opentrokken, prezen we eerst – zij het vijfendertig jaar te laat – de schoonheid van elkaars zussen. Door een samenloop van omstandigheden woon ik al geruime tijd op een boogscheut van de plek waar Tom zich van het leven beroofd had en Bart – die hem het weekend voor die fatale maandag in februari nog had bezocht – was voorbij het appartement gewandeld en viel meteen met de deur in huis. 

‘Als je bij hem langsging wou hij altijd terug naar de sfeer van zijn tienerjaren waar hij zo aan vasthing. Zoals steeds was het supergezellig bij Tom – we hebben in al die jaren heel wat afgelachen – en die zaterdag verliep volgens het gebruikelijke stramien. Het had iets van een ritueel. De avond kon niet geslaagd zijn als er niet eerst bij de nachtwinkel om de hoek bier en sterke drank werd gehaald. En aansluitend speelden we computerspelletjes tot een kot in de nacht. Tom had overdag meer tijd om te oefenen, maar was intrinsiek eigenlijk niet zo’n goede gamer – en in het begin won hij omdat hij meer routine had, tot ik het spel eenmaal doorhad en de overwinningen opstapelde. Iets waar hij dan weer woedend van werd, want Tom kon niet tegen zijn verlies. Die nacht was ik doodmoe – ik had drie kinderen en een drukke baan – maar het bestond niet dat ik naar huis zou gaan vooraleer we alles hadden opgeruimd en afgewassen, een sigaret hadden gerookt en naar muziek geluisterd. En omdat het Tom was, deed je het.’

‘Ik ging na de begrafenis nog regelmatig bij zijn ouders langs,’ besloot Bart ‘en ik denk dat Jan eigenlijk stiekem een enorme bewondering voor zijn zoon had. Vooral dan voor de passionele, indringende manier waarop Tom over film en muziek kon praten. Alleen kon hij het niet over zijn hart krijgen om zijn adoratie te laten zien. Jan toonde vooral misprijzen, maar achter zijn rug was hij enorm onder de indruk over de wijze waarop zijn zoon diens liefde voor schoonheid onder woorden bracht. Je weet toch nog hoe hoog Tom met Pulp Fiction opliep – een film waarvan hij desgevraagd, of ongevraagd, de dialogen uit het blote hoofd kon citeren – en dat hij zijn vader steeds probeerde te overtuigen de film te zien. Op een dag nam Jan me mee naar zijn bureau. Ik wist niet wat ik zag. Achteraan had hij eigenhandig een altaar vol attributen die verwezen naar Pulp Fiction gemaakt. Zoals bijvoorbeeld die slotscène waarin Samuel L. Jackson, na de overval in een diner, zijn portefeuille terugeist en de verbouwereerde dief de vuilniszak opent met tientallen buitgemaakte spullen en vraagt: “Which one is it?” – “It’s the one that says bad mother fucker on it.” Jan had twaalf van die portefeuilles. Als er ergens op het internet één te koop was, ging hij erachter aan. En hij heeft er eentje aan mij gegeven, als aandenken.’

Bijna dagelijks wandel ik voorbij de plek waar Tom de grote sprong in het duister waagde. Telkens gluur ik even door het raam en denk aan de toekomst die voorgoed verleden tijd is en aan de discussies die we over onze favoriete onderwerpen hadden kunnen voeren. Beste Tom, wat had jij van de herontdekte Townes Van Zandt gevonden? En van Three Billboards Outside Ebbing, Missouri? Om van Marisa Tomei in The Wrestler nog maar te zwijgen. Hoe spijtig toch dat jij de tijd niet meer hebt mogen meemaken dat fotografen meer aanzien genieten dan bedrijfsconsultants. Hoeveel muziek is er sinds dertien februari tweeduizend niet onbeluisterd gebleven? Hoeveel foto’s heb je nagelaten te vereeuwigen? Hoeveel liefde bleef er onbeantwoord? Hoe vaak is je luide lach een te vroege, stille dood gestorven?

For the ones who had a notion

A notion deep inside

That it ain’t no sin to be glad you’re alive

I want to find one face that ain’t looking through me

I want to find one place

I want to spit in the face of these badlands

Bruce Springsteen

Geplaatst in Uncategorized | 6 reacties

De Belgische muur / Le Mur Belge

 

De Belgische kust: een beeldverhaal.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Loflied op de Citroën Berlingo

Rond mijn veertigste was de tijd rijp om voor het eerst een nieuwe auto te kopen. Voordien reden Jolanda en ik in tweedehandswagens – een rode Audi 80, een al even rode 2CV, of een bordeaux-kleurige Citroën Xantia –  en maakten we, door onze beperkte bekendheid met de joint-de-culasse-terminologie, de jaaromzet van garagisten goed. Meestal ging ik naar binnen om een kapotte ruitenwisser te vervangen en verliet het oord des verderfs met een opgelapte Ferrari-motor. Om de stijgende variabele kosten te beperken, leek het een briljant idee om voor een splinternieuwe wagen te gaan. Daar zou de joint-de-culasse-maffia niet snel van terug hebben. Maar welke wagen? Het terneerdrukkende design van de voertuigen die sinds de oliecrisis de mondiale wegen ontsieren, stemde weinig hoopvol. Er was natuurlijk de Mini Cooper. Of de New Beetle Cabrio. Maar verder rolde er enkel inspiratieloze eenheidsworst van de fabrieksbanden en zag ik het verschil niet tussen een Maserati of een Lada. Bovendien viel na een testrit ook de Mini af. Zonder meer een heerlijke auto en uitermate geschikt voor een blitse reclamediva, maar niet voor een hotelreceptionist met contactlenzen.

Toch had nog een andere auto onze harten gestolen: de bestelwagen.

Maar welk merk, uit de talloze mogelijkheden, zou onze voorkeur wegdragen?

Om de familietraditie in ere te houden, stapten we een Citroën-garage binnen. In een uithoek van de Bisschoppenhoflaan – een treurige boulevard waar het altijd motregent en waar de plaatselijke KMO’s de strijd tegen Chinese multinationals om de wereldhegemonie aan het verliezen zijn – werden we verwelkomd door een slanke, vlotte verkoper. Koffie van de zaak. Handjesschudden van de zaak. Vakmanschap van de zaak.

‘Meneer en mevrouw, waarmee kan ik u van dienst zijn?’

‘We zijn op zoek naar een auto en twijfelen nog tussen een Pluriel of een Berlingo. Gelukkig zijn we, om het dilemma te vereenvoudigen, al wél zeker van de kleur: turquoise!’

De geschokte verkoper hield zijn adem in.

‘Daar zou ik persoonlijk nooit voor gaan. Een dergelijk radicale keuze houdt een groot risico in. Wat denken jullie daarentegen, als compromis, van stemmig grijs, donkerblauw of zwart? Bovendien zijn het wel twee héél verschillende type wagens die jullie overwegen. De Pluriel straalt fun uit. Ideaal om een dag met de surfplank naar het strand te trekken en je onbekommerd jong te voelen. Daartegenover staat de Berlingo. Die straalt… veel opbergruimte uit. En heeft een groot, in de vakliteratuur onderbelicht, voordeel: als je in een ongeval betrokken bent en je moet tijdens een stortbui het aanrijdingsformulier invullen kan je de kofferbak openen en er onder schuilen. Altijd handig.’

Gezien onze lange staat van dienst met verkeersongevallen opteerden we voor de Berlingo. En, hopend de verkoper in opperste verwarring achter te laten, gingen we ondanks zijn tegenkantingen toch voor turquoise.

Enkele maanden later mochten we de wagen ophalen. Net voor mijn tweeënveertigste verjaardag verliet de familie Komkommer, gelukzalig glimlachend, de showroom en sloot trots achteraan de avondspits aan. Ah, de geur van splinternieuwe binnenbekleding. Zeeën van ruimte omringden ons en in elke hoek ontdekten we andere opbergplekken. Russian dolls. Het was liefde op het eerste gezicht en enkele stoplichten later konden we ons een leven zonder Citroën Berlingo niet meer voorstellen.

In onze naïviteit koesterden we de illusie het mistroostige Belgische wagenpark op te vrolijken, maar een collega van mij, die van hipheid zijn handelsmerk had gemaakt, keek bepaald teleurgesteld toen ik in de garage van het hotel de aanwinst liet zien.

‘Eerst zeur je maandenlang over een Mini Cooper – wat ik echt een coole, gave auto vind. En nu kom je met zo’n duf bestelbusje aanzetten. Straks hang je er nog van die achterlijke gordijntjes in. Wat een afknapper. Wat ik me afvraag is hoe je in je hoofd zo’n omschakeling maakt? Van een te gek design, naar dit… ding. Het één heeft toch in de verste verte niets met het ander te maken?’

‘Ja, maar heb je die opbergruim…’

Kritiek op wat in mijn ogen het nec plus ultra van meer dan een eeuw autodesign was, viel me zwaar.

Toch kwamen, met het wegebben van de hevigste verliefdheid, de eerste teleurstellingen opzetten. Zo maakte de motor al vanaf de derde versnelling ergerlijk kabaal en overstemde de muziek. En nog voor we een eerste keer op zomervakantie vertrokken, besloot de eigengereide airco er de brui aan te geven en stierven we onderweg naar Le Midi, ondanks de geopende ramen, duizend doden. Zelfs de muziek van Eels, op volume tien, bracht geen verkoeling.

Zoals kleren de man maken, gaan families zich ook naar hun auto gedragen. De bestelwagen-look had iets vrolijks, iets nonchalants, iets onvolkomen – maar op een aandoenlijke manier. Als lentelicht dat, net voor de val van de muur, de grauwheid in een Oostblokland hoopt te verzachten. De enkel door kenners opgemerkte discrete charme werd nog in de verf gezet door de heftige kleur die ervoor zorgde dat de Berlingo al van ver in het straatbeeld herkenbaar was. We trokken met de turquoise kroonprins door heel Europa, maar nergens voelde de wagen zich beter thuis dan op landelijke, Franse wegen. Zoals Ayrton Senna één werd met zijn Formule 1-bolide in de haarspeldbochten van de Grand Prix van Monaco, overtrof de wegligging van de Berlingo onze stoutste verwachtingen wanneer we het hinterland van la douce France aandeden. Welke regio van de zuiderburen we ook bezochten, vanaf het moment dat we de dorpskernen verlieten, waanden we ons Franse wijnboeren die onbekommerd liedjes van Charles Trenet neurieden.

Op een van onze tochten door Noord-Frankrijk reden we achter een Ferrari die ons met zijn brede achterkant ophield. Het vlakke Vlaamse land had plaatsgemaakt voor glooiende groene heuvels die verdacht sterk op de aanloop naar de Schotse Highlands leken. Alweer waren we onderweg naar Les Deux-Caps en verheugden ons op cider en zoute pannenkoeken die we daar na de strandwandeling traditioneel nuttigden. Langs smalle wegen keken lokale wandelaars met open mond naar het ronkende Testarossa-spektakel, tikten elkaar op de schouders en riepen opgewonden: ‘Kijk daar, incroyable mais vrais: une Ferrari!’ Tot we net voor Wissant drie jonge autoliefhebbers passeerden die de Ferrari geen blik waardig gunden, maar elkaar dolenthousiast aanstieten en respectvol ons familiejuweel aanwezen:

‘Kijk daar, ongelooflijk: een vintage Citroën Berlingo!’

Meer dan tien jaar bleef de Berlingo ons trouw. Elk excuus werd aangegrepen om er samen op uit te trekken en de uithoeken van Europa te verkennen. Alle opbergruimtes werden volgestouwd met overbodige spullen, waarvan we prompt het bestaan vergaten. Dochter Zoé en hond Levon namen plaats op de achterbank. En net voor elke reis gooiden we de tank nog eens goed vol, openden de landkaart en zetten een podcast van David Sedaris op, die we zo hilarisch vonden dat de eerste afslag al straal voorbijreden.

Aangevuurd door de 1.6-turbomotor vlamden we met een respectabele snelheid door Italië, Zwitserland, Frankrijk, Luxemburg, de Balkan, Duitsland, Oostenrijk, Nederland en zelfs, op een blauwe maandag en tot onze grote verrassing, Lichtenstein. Dankzij een onoplettendheid, wellicht ingegeven door een op dreef zijnde David Sedaris, bekommerden we ons niet meer om pietluttigheden als wegwijsborden en reden honderden kilometers de verkeerde kant uit.

Maar nooit vergeet ik de reis naar Denemarken. Het was de zomer van 2011 en weerkundigen vertelden met uitgestreken gezichten dat het Scandinavisch hogedrukgebied voor mediterrane temperaturen en overvloedig zonlicht zou zorgen. Gewapend met deze wetenschappelijke uitleg kon ik Jolanda overtuigen per hoge uitzondering eens niet naar het zuiden, maar naar het noorden te reizen. Ik drong er zelfs op aan zonnecrème factor 50 mee te nemen om ons tegen een Deense zonneslag te beschermen. Maar denk je dat het hogedrukgebied zich ook maar iets aantrok van de mening van meteorologen? We waren de grens nog niet overgestoken of met bakken viel de regen naar beneden! De ruitenwissers konden het zondvloediaanse tempo niet bolwerken en samen met de prettige kneuterigheid van dorpen en stadjes en heuvelruggen drukte het klimaat de vakantiestemming. Tot we, samen met de zon, op de drukste dag van het jaar in Skagen toekwamen. In mijn verbeelding was het noordelijkste punt van Denemarken een door God en iedereen – op Ilja Leonard Pfeijffer en een occasionele aquarelschilder na – verlaten plek waar in een niemandsland de Noordzee en het Kattegat onopgemerkt samenvloeiden. Niets was minder waar. Het was er een volkstoeloop van jewelste en heel Denemarken gave acte de présence op de enige julidag waar de zon van de partij was. Elke parkeerplaats was door lokaal geteisem ingepikt en terwijl we ons vergaapten aan de Disneyland-architectuur van het voormalige vissersdorp speurden drie paar arendsogen naar de laatste vrije plek in het koninkrijk van Hamlet.

‘Daar! Kijk daar!’

De euforie in de wagen was groot. Aan de zijkant van een visverwerkingsbedrijf stonden honderden auto’s geparkeerd, maar onder een reusachtige buis hadden onoplettende Denen de laatste plek ongemoeid gelaten. Of zou er een of ander plaatselijk gebod gelden? De zoektocht naar een verbodsbord bracht niets aan het licht. Triomfantelijk manoeuvreerde ik de Berlingo onder de gigantische slurf. Het was vandaag een nationale feestdag, wat zou zo’n fabriek vol luie Scandinaviërs in actie schieten, suste ik de gemoederen van Zoé en Jolanda, die er niet helemaal gerust in waren. Maar omdat mijn oordeel al vaak genoeg onfeilbaar was gebleken, kuierden we zorgeloos naar het strand.

Het werd een zalige dag. Picknicken in de duinen. De voeten laten verfrissen door de aangolvende Noordzee. Ons vergapen aan de schoonheid van de weidse natuur en van het jonge Deense volk. Bliss. Het leek haast een zomervakantie.

Bij onze terugkeer, laat op de avond, zagen we dat de meeste Denen al vertrokken waren. Aan de lange muur van het visverwerkingsbedrijf stond nog maar één voertuig op bestuurders te wachten. Echter niet onze Berlingo. Wel een of ander conceptueel kunstwerk. Waar, op de parkeerplaats waar we de wagen in goed vertrouwen hadden achtergelaten, bij ons vertrek nog een turquoise heer stond, troffen we een onder bruine smurrie bedolven wagen die uren in de wind stonk. Ramen, deuren, dak, zijkanten, ruitenwissers, banden, achteruitkijkspiegels,… alles zag egaal bruin en de binnenkant van de wagen riep herinneringen op aan de zoete geur van beerputlucht.

Die Deense geur zou de wagen nooit meer verlaten. Souvenirs, souvenirs. Maar anders dan de Johnny Hallyday-hit kon het parfum van discutabele vislucht op weinig goedkeuring rekenen. De backbenchers – dochter Zoé en Shiba Inu Levon – tekenden dagelijks protest aan tegen deze penetrante indringer en sloegen de raad van de pater familias, ‘gewoon geen acht slaan op deze onprettige situatie’, in de wind.

Met het klimmen der jaren namen de fysieke ongemakken toe maar desondanks bleef de Berlingo zijn avontuurlijke, wilde uitstraling bewaren. Bohemien hippie chique van den Aldi. Telkens als onze stramme heupen zich opmaakten om in te stappen, leek het alsof we een verjongingskuur ingespoten kregen en voelden we ons opnieuw een fris gezin dat in de Ardennen gaat kamperen. Wie maalt er, achter het stuur van de Dorian Gray onder de auto’s, om een lekkend dak, uiteenvallende carrosserie of een airco die op tropische dagen enkel bereid is warme lucht te blazen?

Toch werden de gezondheidsklachten ernstiger en ik vreesde dat weldra de dag zou komen dat het vervangen van een kapot knipperlicht zou uitmonden in het door een ijverige garagist oplijsten van een rits verborgen gebreken én een factuur waar een gemiddeld gezin drie maanden quinoa met fetakaas van kan eten.

In een ver verleden beging ik, als bleu met een kersvers rijbewijs, de fout om voor de autocontrole langs een garage te rijden en aan de uitbater te vragen of de wagen grondig nagekeken kon worden zodat deze probleemloos door de controle zou geraken.

‘Oei, de autocontrole… Dat zal niet gemakkelijk zijn, maar we gaan zien wat we kunnen doen, meneer Komkommer.’

Zelden iemand bij het overhandigen van autosleutels bezorgder zien kijken; alsof ik hem had gevraagd om sito presto het probleem van de Belgische staatsschuld op te lossen. 30.000 Belgische franken lichter, zakte de Audi 80 toch voor het examen. Sindsdien maakt een beklemmende angst zich van mij meester, wanneer een bezoek aan een garage aan de orde is.

Via via kreeg ik een geheimtip van een Citroën-garagist die vakkennis paarde aan een sober prijsbeleid. In een onopvallende straat in het hart van het uitdijende suburbia hield een al even onopvallende familiezaak zich staande. Op de parking stonden tweedehandswagens op kopers te wachten en in de ontvangstruimte sliep een reusachtige hond de mooiste jaren van zijn leven weg. In het atelier boog een oude, slanke man zich over de gezondheidsklachten van talloze Citroëns en achter de kassa zat zijn vrouw: een rijzige dame met donkere poedelkrullen die niet met zich liet sollen. Zoveel was duidelijk. En ze was een tactisch genie. De eerste keren viel het verdict van de rekeningen al bij al goed mee en zo won ze langzaam maar zeker mijn vertrouwen. Was ik dan toch op de ene goudeerlijke garagist gestoten? Maar met het klimmen der jaren kregen de facturen grotere sterallures en werd er met nullen gegoocheld alsof we shorters op Wall Street waren. Omdat ik de aanslagen op mijn bankrekening wilde beperken tot de strikt noodzakelijke, stelde ik het bezoek aan de garage telkens uit – tot het bijna te laat was en ik, slappe excuses stamelend, bedremmeld haar misprijzende blik moest ondergaan.

‘Het is enkel voor een klein onderhoud’, probeerde ik haar hooggespannen verwachtingen te temperen.

‘Dat bepalen wij wel, hè, meneer Komkommer. Als er verder nog iets zou zijn, dan bellen we u zeker op’, zei ze onheilspellend.

Haar standaardzin klonk voorkomend, maar de jaarlijks terugkerende scène riep herinneringen op aan de kille ogen van maffiabaas Christopher Walken in True Romance, wanneer hij naar de monoloog van politieagent Dennis Hopper luistert en beide heren beseffen dat de doodsklokken weldra zullen luiden.

‘Als er verder nog iets zou zijn, dan bellen we u zeker op…’

Dit als dienstbaarheid verhuld dreigement speelde ze meesterlijk uit. Want zij begreep, als een volleerde meesteres, dat het de kunst was om het slachtoffer een glimp van hoop te gunnen. Net wanneer ik na enkele uren dacht: ‘Het is niet waar, Halleluja, il capo dei capi heeft nog steeds niet gebeld!’ en een geluksgevoel zich van mij meester maakte, rinkelde de telefoon.

‘Dag meneer Komkommer, het is hier met de garage. We hebben niet zo goed nieuws voor u. Het spijt ons, maar we hebben toch teen en tander mankement ontdekt. Nee, nee, ik zou het in uw plaats zeker niet uitstellen. Tenzij u het niet erg vindt om uw leven en dat van uw medeburgers in gevaar te brengen. Hoeveel in totaal? Ik zal het even voor u uitrekenen.’

Op de achtergrond ratelde een rekenmachine en er leek maar geen einde te komen aan de ingewikkelde berekeningen. ‘Het valt al bij al goed mee. Klein onderhoud én het vervangen van het achterlicht inbegrepen komt het – ongeveer hè, want exact kan ik het niet zeggen – neer op 1365,23 euro. Maar dan hebde weer ne zo goed als niefen otto.’

De rekeningen liepen hoger en hoger op. Ook tijdens het jaarlijks bezoek aan de autocontrole was de spanning om te snijden, en niet alleen omdat ik op de vraag om de dimlichten aan te steken alle lampen ontstak, behalve de gewenste. Elke examenronde keken de controleurs bezorgder en vervloog de droom op een onderscheiding met felicitaties van de jury. Toch belde ik na een positief rapport trots naar huis om te vertellen dat onze oudste zoon alweer voor zijn examen was geslaagd. Weliswaar met de hakken over de sloot én met een rits vakantietaken. Maar we wisten dat het einde onherroepelijk nabij was. De geest wou nog wel, maar het lichaam was te zwak geworden.

De dag van de laatste grote trip brak aan en samen met Jolanda, Zoé en mijn moeder maakte de Berlingo zich op voor een reis door de Balkan. Alles verliep, tegen de verwachtingen in, naar wens. Het ouderwetse aircosysteem – ramen open en Neil Young op volume tien – deed het pico bello en droeg ertoe bij dat de temperatuur in de wagen nooit onder de drieëndertig graden zakte. Maar aan de Bosnische grens gaf de achteruitkijkspiegel er plots de brui aan en stortte neer op de grond. Jolanda kreeg hem niet in het hangsysteem geklikt en zei aanmoedigend:

‘Mij lukt het niet, maar iemand met jouw kracht brengt het zo in orde.’

Een aangemoedigd man is er twee waard. Ik zette me schrap, sloot mijn ogen en duwde uit alle macht. Tot Jolanda verschrikt ‘Stop! Stop! Stop!’ riep. De volledige voorruit was gebarsten.

Mijn moeder, die de auto’s was gaan tellen die aan de grenspost in de rij stonden, zag bij haar terugkeer de bedrukte gezichten en vroeg wat er aan de hand was. ‘

Ach, kom, is het dat maar? Ik gebruik nooit mijn achteruitkijkspiegels. In het leven moet je vooruitkijken.’

Maar aan het amechtig piepen van de motor tijdens het uitdagendere bochtenwerk hoorden we dat het einde van een tijdperk definitief was aangebroken. Ondanks de nog immer jeugdige glans was het binnenwerk compleet versleten en aan een afscheidstournee bezig. Hoog in de bergen van Montenegro waren we ooggetuigen van de opkomst & ondergang van de Citroën Berlingo.

Op Europese wegen wekte de airco van de Berlingo veel afgunst op

Het deed pijn, maar na twaalf jaar waarin we lief en leed en facturen deelden, was het tijd om plaats te maken voor een opvolger. Wie of wat het zou worden, wisten we nog niet maar van de kleur waren we al wél overtuigd. Na de turquoise-periode gingen we voor een radicale omslag in de guerrilla om het Belgische wagenpark op te fleuren en kozen we voor… geel! Viva la revolucion! Menig garagist – voornamelijk vlotte dertigers die net hun tweede echtscheiding achter de rug hadden – kreeg bijna een hartaanval wanneer we vertelden dat het ons niet uitmaakte welke auto het zou worden, zolang het maar een gele was. ‘

Zijn jullie daar zeker van? Persoonlijk zou ik er nooit voor gaan…’

Ondanks hun pogingen ons op andere gedachten te brengen, hielden we voet bij stuk en uiteindelijk bestelden we een Jeep Renegade bij een sympathieke verkoper in de schaduw van het Wijnegem Shopping Center.

Net als twaalf jaar geleden brak ook nu de grote dag aan en toen ik, deze keer zonder vrouw en dochter, de nieuwe wagen ging ophalen en het stoere, knalgele exemplaar in het etalageraam zag blinken, werd ik overvallen door schaamte. ‘Mijn god, wat hebben we gedaan? Zo’n opvallende blingbling-bak is toch niets voor ons?’

De motor was krachtig, de airco deed het perfect, de muziekinstallatie maalde niet om het geronk van de derde versnelling en onderweg naar huis vielen de monden van tienerjongens open en keken ze naar de bestuurder om te zien welke omhooggevallen loser dacht zijn midlifecrisis met zo’n achterlijk voertuig te kunnen bezweren.

Zelden, zelfs niet tijdens mijn historische reeks van acht rijexamens, heb ik me achter het stuur ongemakkelijker gevoeld. Alsof ik met een opgepimpte minnares onderweg was naar een blasé hotel en nog voor de champagneflessen ontkurkt waren, besefte dat ik de fout van mijn leven had gemaakt.

Ineens werd ik overmand door heimwee naar het eenvoudig huiselijk geluk in de armen van een Citroën Berlingo.

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties