52 weken: 14/ Fragmenten 1

(Een week in losse fragmenten)

Alleen dichters werken, andere personen hebben bezigheden.

Jan Greshoff

Door de band ga ik met de fiets of de trein naar de bibliotheek, maar vorige week nam ik drie keer de auto en drie keer werd ik op hetzelfde punt geflitst in een straat die juist uitnodigt om zachtjes het gaspedaal dieper in te duwen omdat de oprit naar de autobaan wenkt en er nergens zwakke weggebruikers te bespeuren vallen. Zo kwam het dat er deze week drie dagen na elkaar bij thuiskomst een brief van de politie op mij lag te wachten met de aanmaning om zo spoedig mogelijk 68,67 euro te betalen. Een officieel geijkte camera had namelijk vastgesteld dat mijn gecorrigeerde snelheid 51 km/u was, daar waar je maar 50 km/u mag rijden. Er wordt veel geklaagd over de teloorgang van de verloren kunst van het brievenschrijven. Maar de politie en ik: wij schrijven elkaar bijna elke dag. 

Een vriend van ons is muzikant en hij heeft in zijn leven nog maar drie boeken uitgelezen, waaronder De kip die over de soep vloog van Frans Pointl en De ongelooflijke slechtheid van het Opperwezen van Karel van het Reve. Telkens blijkt pagina tachtig de ultieme struikelblok te zijn. Tot daar schiet het allemaal prima op, maar plots verwatert zijn interesse. Momenteel is hij in drie boeken tegelijkertijd bezig en in alledrie nadert hij pagina tachtig. Sedert zijn bekentenis zegt Jolanda als ze in een boek verdiept is en ik haar vraag of het een beetje opschiet: ‘Ik zit aan de pagina van Jeroen!’

Dochter Zoé en haar vriend Marnix reisden twee weken in een witte bestelbus met een Belgische nummerplaat doorheen Zuid-Engeland. Toen ze op de parking van een supermarkt stonden vroegen drie twaalfjarige jongens gebiologeerd of ze uit België kwamen. Nadat Zoé had bevestigd dat ze inderdaad ‘Yes, from Belgium’ waren, deinsden de kinderen achteruit, verscholen zich achter de winkelkarren, speelden alsof ze doodsangsten uitstonden en riepen smekend: ‘Please, please don’t kidnap us…’

Onder de bibliotheekbezoekers kan er maar één de allergrootste dandy zijn. Bij ons is dat een Mechelse dichter en voormalig radiomaker die zo plechtig schrijdt dat onze bib de allures van een catwalk krijgt. Maar het was al enige tijd geleden dat hij ons nog eens met een bezoek had vereerd. Tot hij op een dinsdag in augustus onaangekondigd uit de hemel neerdaalde en nadat we, ten teken van begroeting, diep voor elkaar hadden gebogen riep ik hem ter verantwoording. Waarom had hij al die tijd nagelaten in onze eenvoudige kloostergangen zijn verheven licht te laten schijnen? ‘Dat komt, Jo, omdat ik een boek aan het schrijven ben dat alle andere boeken overbodig zal maken. Op de Bijbel, de Koran en de seksbijbel van Goedele Liekens na.’

Na haar knieoperatie is Jolanda aan het revalideren. Wekelijks gaat ze naar Move to Cure – een praktijk waar professionele kinesisten gekwetste Belgische atleten proberen op te lappen en klaar te stomen voor steeds maar eclatantere mondiale successen. Kortom: ze wordt er omringd door de fine fleur van de Belgische sportwereld – zo is Romelu Lukaku er bijvoorbeeld de dj van dienst. Achter haar voelde ze plots de schaduw van iemands aanwezigheid. Ze draaide zich om. Het was Eddy Merckx. Moeizaam strompelde de vijfvoudige Tour de France-winnaar voort. Iedereen keek lichtjes bedroefd naar de grootste Belgische atleet aller tijden in het besef dat de Godenzoon van de zomer van 1969 nauwelijks nog kon stappen. Het was triest. Tot hij op zijn fiets kroop. Jolanda zei: ‘Zoiets moois als Eddy Merckx op een fiets heb ik nog maar zelden gezien. Ze waren één. Zijn bewegingen waren zo vloeiend, zo elegant. Het ging allemaal zo moeiteloos. Het leek alsof man en fiets voor elkaar gemaakt waren.’

Mix Tape is een hartverwarmende Britse miniserie waarin de muziek van de jaren tachtig een belangrijke bijrol speelt. Het verhaal is eenvoudig. Twee jonge mensen worden verliefd, verliezen elkaar door complexe omstandigheden uit het oog en komen elkaar na meer dan drie decennia terug op het spoor. Wat doet het met iemand om een oude jeugdliefde opnieuw te zien en te herontdekken? Prachtige reeks waar Jolanda en ik twee avonden intens van hebben genoten. Na afloop vroegen we ons af wie we uit ons verleden opnieuw zouden willen ontmoeten – al was het maar voor de duur van een regenachtige middag. Bij mij is dat Alison (toevallig ook de naam van het hoofdpersonage uit de reeks). Ze was een Engels meisje met krullen, een geweldig gevoel voor humor en een beschaafde Engelse uitspraak waarbij vergeleken zelfs die van Stephen Fry proletarisch klinkt. Ik was vijftien en zij veertien. We leerden elkaar kennen op een skivakantie in Tignes. Het duurde maar een week, maar ik was zo intens verliefd dat de maanden nadien Alison van Elvis Costello op constant repeat in mijn hoofd zat. Ergens ben ik benieuwd naar hoe haar verdere leven is verlopen. Of is het beter dat ze voor altijd in mijn verbeelding verankerd blijft als dat coole veertienjarige meisje dat zo grappig was dat de zwaartekracht geen vat op haar kreeg? En al zeker niet als ze skiede.

In de hoop dat Marc Didden zijn brede schouders onder het Marc Mijlemans-boek zou zetten – de legendarische rockjournalist met begenadigde pen die te jong stierf en op muziekliefhebbende lezers van mijn generatie een onuitwisbare indruk maakte -, had ik met hem afgesproken in Café Laboureur. Onder het genot van waanzinnig lekkere garnaalkroketten diste Marc de ene na de andere smakelijke anekdote op. Wat hij niet wist is dat deze week het boek Barakstad met het verzameld werk van J.M.H. Berckmans uitkomt. Als eerbetoon aan de grote schrijver van de zelfkant van het leven had ik een kleine expo in de bibliotheek in elkaar gestoken. Daarbij had ik zorgvuldig naar goede citaten gezocht en ik vroeg Marc of ik mijn selectie aan hem mocht voorlezen. Hij luisterde aandachtig en ademloos en verzuchtte na afloop: ‘Wat kon die man schrijven.’

Het is genoeg geweest. Sommige willen verdwijnen in de inktzwarte nacht en sommigen willen het daglicht nog zien. Sommigen willen de zon en sommigen willen de maan en sommigen willen helemaal niets. Sommigen willen sterven als het wintert in Bidonville en sommigen willen sterven nu het zomert in Barakstad. Het maakt niet uit. Dood is dood. Kapot is kapot. En gedaan is gedaan. Jaja. Dat zal wel.

J.M.H. Berckmans – Het zomert in Barakstad

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , | 2 reacties

52 weken: 13 / Ik ben een sukkel

Het blijft voor mij een mysterie waarom de Nederlandse singer-songwriter Lucky Fonz III in Vlaanderen enkel bij een handvol fijnproevers bekend is. Tijdens het eerste optreden dat ik ooit van hem zag, in de club van de Ancienne Belgique, viel al vanaf het eerste nummer zijn podium-uitstraling op. Lucky kan een zaal in de ban houden. Tijdens de ingegoten liedjes bleef het publiek muisstil, terwijl zelfs de introverten zijn uitgelaten songs luidkeels meebrulden. Zijn lichtjes bevreemdend, poëtisch gevoel voor humor maakten dat zijn bindteksten een zeldzame spankracht hadden en tilden zijn muziek naar een nog hoger niveau. Na afloop van het optreden kocht ik het t-shirt met de titel van een van zijn songs die perfect het idee dat ik vaak over mezelf heb weergeeft: Ik ben een sukkel.  Maandenlang droeg ik het met gepaste trots, tot de letters begon af te bladderen. 

Jaarlijks organiseren Jolanda en ik een huiskameroptreden. Als we ergens een voorstelling zien die ons op de een of andere manier raakt dan klasseren we de zanger of de groep in een achterkamer van ons geheugen tot het juiste moment is aangebroken. Natuurlijk moet het financieel haalbaar blijven. Zo zag ik ooit een schitterend optreden van Nick Cave in De Roma – en Nick zou het ongetwijfeld goed doen bij ons in de huiskamer – maar toch heb ik het nagelaten om zijn management te contacteren. Bij andere artiesten was het onmiddellijk duidelijk: die zijn geweldig en moeten naar ons thuis komen want we willen onze vrienden overtuigen van hun talent. Noodzakelijk Kwaad, Chantal Acda, Helloune, S.W.A.N., Lieven Tavernier, Vitalski, Johan Petit,… Stuk voor stuk schonken ze ons onvergetelijke uren. 

Lucky Fonz III voor een huiskamerconcert strikken was dan ook al enkele jaren een verre droom van mij. Tot ik in de bibliotheek van Mechelen – waar ik werk – een man in de platenbakken zag snuisteren die verdacht hard op Jan De Smet leek. Dat hoefde niet te verbazen want het was Jan De Smet, de in Vlaanderen roemrijke voormalige frontman van De Nieuwe Snaar – een groep wiens repertoire tot het culturele erfgoed van alle oudere jongeren onder ons behoort. 

‘U bent toch Jan De Smet? En u bent toch ook een fan van Lucky Fonz III, want ik zie u op al zijn optredens. Zou het geen geweldig idee zijn om hem voor een concert naar de bibliotheek van Mechelen te halen?’

Er werden voorstellen en tegenvoorstellen gelanceerd tot we een compromis vonden. Achter de schermen goochelden Mechelse culturele beleidsmakers met agenda’s tot de juiste niche was gevonden om het dubbeloptreden van Lucky Fonz III en Jan De Smet in te passen. Het is namelijk zo dat Mechelen Feest tijdens de maanden juli en augustus, onder de overkoepelende naam Predikheerlijke zomer, tal van concerten in de binnentuin van het Predikheren organiseert. 

Het werd een donderdagavond in augustus die ik niet licht zal vergeten. Het binnenplein van de bibliotheek bood onder de bladeren van de reusachtige valse christusdoornboom een feeërieke aanblik en versterkte de indruk dat Mechelen aan de Middellandse zee lag. Voor de duur van een avond beeldde ik me in dat het zeventiende eeuwse barok Predikherenklooster onze huiskamer was.

Vooraf had ik tijdens mijn verkoopspraatje aan onze manager beloofd minstens dertig tickets te kunnen slijten, maar uiteindelijk was de voorstelling zo goed als uitverkocht. Het handvol verwachte Vlaamse Lucky Fonz III-fans – die je op al zijn concerten ziet – tekende present, net als een honderdtal nieuwsgierigen. Zelfs de legendarische dichter en immer voortreffelijke geklede dandy Serge van Duijnhoven kwam helemaal uit Nederland afgezakt, want hij wilde onder geen beding dit optreden missen. Mooi was dat tijdens het avondmaal Lucky Fonz vertelde dat hij op school poëzie moest lezen en dat Serge van Duijnhoven de eerste dichter was die hem werkelijk aansprak en iets bij hem losmaakte. Tijdens die maaltijd bleek ook hoe voorkomend en open van geest hij was en het toeval wil dat we beiden hetzelfde boek, De eeuwige jachtvelden van de Groningse cultschrijver Nanne Tepper, aan het lezen waren. 

Er moest me iets van het hart. Ik zei hem dat zijn nummer Zeilmeisje veel voor mij betekent en dan vooral vanwege die ene zin: ‘Ik wou dat ik wat vrijer was / zo vrij als Laura Dekker was’ – en dat het verlangen om me vrij te voelen, samen met het besef dat het er allicht nooit van zal komen, met het verglijden van de tijd enkel is toegenomen. 

Hoewel Lucky Fonz III eerder op de-bovenste-beste-buurman-die-al-veel-te-lang-zijn-haar-niet-heeft-gekamd lijkt dan op een Griekse adonis waren mijn vrouwelijke collega’s meteen gecharmeerd door zijn jongensachtige en ontwapenende uitstraling. Ze kregen zelfs bijna spijt dat ze naar de fitness moesten gaan.

Het publiek stroomde toe. Ik herkende tal van gezichten, niet in de laatste plaats omdat de helft onder hen vrienden waren. 

Charisma. Het blijft iets vreemd. Hoe komt het dat sommigen het hebben en anderen niet? Al vanaf het eerste nummer dat Lucky Fonz zong – Pluto, meteen ook zijn enige nostalgische song -, voorvoelde ik dat hij er nieuwe fans zou gaan bijwinnen. Er hing magie in de lucht. Met zo goed als niets – geen danseressen, geen lichtshow, geen rookmachines of acrobaten, zelfs geen slogans die de mensheid aanspoort vaart te maken met het uit de wereld bannen van onrecht – begeesterde hij het publiek. Het was ontroerend om te zien hoe aandachtig de zeventiger Jan De Smet naar de veertiger Lucky luisterde. Want het moet gezegd: de chemie tussen beide heren werkte. Afwisselend speelden ze nummers uit hun rijke oeuvres en af en toe zongen ze samen een duet, zoals Oorlogsgeleerden, de Bob Dylan-song Masters of War, maar dan in de-het-origineel-nog overtreffende-versie van Roland en Wannes Van de Velde met die geweldige slotzin vol beheerste woede waar ik telkens kippenvel van krijg: En ik schrijf op uw graven ‘gevaarlijken hond’.

Uiteraard waren er tal van hoogtepunten zoals een stomende versie van Seks is leuk, die liet zien en vooral horen dat er onder zijn verwaaid uiterlijk veel passie schuilgaat, en een verstilde cover van Winterdorp van Drs.P. waarin de stokoude Zwitserse taalvirtuoos het klaarspeelt om met een paar woorden een verstilde wereld vol tristesse te schilderen. Uit de hoek achteraan, waar mijn meest kritische vrienden hadden postgevat, klonk het applaus hoe langer hoe enthousiaster. Met het vorderen van de avond hoefden zij zich zelfs niet meer achter ironie te verschuilen. 

Wat me oprecht blij maakte waren de talrijke lovende reacties die ik na afloop kreeg. Voor veel aanwezigen was er alweer een nieuwe wereld opengegaan. Op voorhand had ik ergens geschreven: ‘Two Lucky Fonz III fans can’t be wrong.’ Na die donderdag in augustus kan ik echter met evenveel overtuiging schrijven :’One hundred Lucky Fonz III fans can’t be wrong.’

Ook al liet hij het dan na om Zeilmeisje te spelen. En voel ik me nog altijd niet zo vrij als Laura Dekker.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , | Plaats een reactie

52 weken / 12: Drieëndertig jaar

Het beloofde een magische avond te worden. Het openluchttheater van het Rivierenhof was aardig volgelopen voor het concert van John Grant en Richard Hawley die samen de songs van countrylegende Patsy Cline gingen spelen en het publiek bestond hoofdzakelijk uit meerwaardeluisteraars van middelbare leeftijd die met het klimmen der jaren hadden geleerd om waarderend over havermelk te spreken en tijdens de wintermaanden in vakantiebrochures over Kirgizië te bladerden. In de tribune herkenden we tal van vrienden en kennissen en er werd dan ook druk over en weer gezwaaid. 

‘Heb je zin om mee te gaan?’, vroeg ik de week voordien aan Jolanda. ‘Van John Grant hou ik niet zo, maar Richard Hawley is fantastisch. De beide heren gaan afwisselend nummers van Patsy Cline zingen.’

Na enkele mindere concertervaringen wilde ze zich niet meer laten verrassen, maar al na het beluisteren van een paar liedjes was ze gevallen voor de warme bariton van Richard Hawley en ik reserveerde twee plaatsen. 

Dat ik niet zo hoog opliep met John Grant was een understatement, want tijdens een vorig concert van hem – ongeveer vijftien jaar geleden – was ik al na enkele nummers opgestaan en weggegaan. Misschien was zijn stem ondertussen gerijpt en had ze aan kleur en korzeligheid gewonnen. 

Trouwens: wie zou ooit de nummers van Patsy Cline kunnen verknallen? 

Tijdens de stormachtige eerste nachten van onze relatie bestelde Jolanda elke avond sushi, dronken we op hotelkamers Bacardi Breezers en gingen zo in elkaar op dat we ons niet konden inbeelden dat er buiten ons nog andere mensen bestonden. Om onze liefde te vieren zette Jolanda steevast dezelfde cassette op, die ze overal met zich meezeulde. Het was een verzameling van de meest doorleefde tearjerkers van Patsy Cline. Clines stem zong zo intens over de pijn van gestrande liefdes dat we bijna spijt kregen dat de onze nooit schipbreuk zou lijden. Bestaan er drie perfectere minuten over het verdriet van een gebroken hart dan I Fall To Pieces?

Die avond in het OLT kreeg de begeleidingsroep een warm applaus; Richard Hawley en zijn gitaar werden nog enthousiaster onthaald; en toen als orgelpunt John Grant in een potsierlijk carnavalskostuum op het podium verscheen werd er nog net geen Mexican Wave ingezet. Het publiek was er klaar voor, de Richard Hawley Band speelde met het juiste gevoel de eerste akkoorden van There She Goes en John Grant hield zijn microfoon in aanslag. 

Soms weet je al na drie valse noten: dit wordt niets. 

Het was alsof een lichtjes aangeschoten Noor in een Karaoke bar wilde laten horen hoe doods een middelmatige stem kan klinken. 

Jolanda keek ontzet en fluisterde na twee pijnlijke versies van onvergetelijke klassiekers kurkdroog: ‘Wat Patsy Cline aan de songs toevoegde, haalt John Grant er weer vanaf.’

Wat Grant met de drie perfecte minuten van I Fall To Pieces aanving tartte echt alle verbeelding. De spionkop van den Beerschot zou het bezielder en met meer inlevingsvermogen hebben kunnen zingen. Wat hoopte ik dat Richard Hawley – een man met een van de mooiste baritonstemmen ter wereld – zou opstaan om toch ten minste één nummer van Cline te zingen zoals het hoort. Hij bleef echter stoïcijns op zijn stoel zitten en tokkelde geamuseerd toekijkend op zijn gitaar. Het was alsof Tadej Pogaçar tijdens de beklimming van een zware Alpencol koppig het wiel van Wim Vansevenant wilde houden. Was het mijn verbeelding of bespeurde ik bij de rest van het publiek eveneens het verlangen dat Hawley – al was het maar uit respect voor de schitterende nummers – de micro uit de handen zijn bevriende feestvierder zou grissen om met zijn gouden stem de avond op te tillen naar een niveau dat recht deed aan de grote zangeres uit Winchester, Virginia.

Gelukkig konden de opmerkingen van Jolanda de muzikale pijn wat verzachtten.

‘Ik ben zo benieuwd how he is gonna screw up this next song.’

‘Je hoort gewoon aan zijn stem dat hij niet weet hoe het is om als jonge vrouw liefdesverdriet te hebben.’

Zo werd een avond vol tragische levensliederen alsnog komisch en nadat we eenmaal hadden besloten om er een campy eerbetoon in te zien werd het bijna draaglijk. 

Het gebeurde allemaal in de week dat we drieëndertig jaar samen waren en om dat te vieren – en de herinnering aan de versies van John Grant te verdringen – luisterde ik de afgelopen dagen opnieuw regelmatig naar Patsy Cline en overdacht dat de voorbije decennia redelijk rimpelloos zijn verlopen. Natuurlijk waren er periodes dat we onverschillig en in stilte naast elkaar leefden. Of dat Jolanda een afwerend gebaar maakte telkens ik mijn hand op haar bovenbeen wilde leggen. Soms kreeg ik ook een hekel aan mezelf als ik weer eens de rol van nuchtere boekhouder moest spelen in een poging haar wilde plannen in te dammen en in lijn te brengen met de realiteit. Maar bijna altijd waren de jaren samen een feest – dankzij Jolanda’s alle kanten uitschietende verbeelding en haar onvoorspelbaarheid en haar verlangen om alles uit dat ene leven dat ons vergund is te halen.

De ochtend nadat we ons drieëndertig jaar samenzijn hadden gevierd, keek ik haar aan de ontbijttafel aan en besefte dat ze gezegend is met een uitstraling en een koppigheid die maakt dat ze nooit een protagoniste in een song van Patsy Cline zal worden.

En dat zat er al vroeg in.

Ze was twee jaar en had net haar eerste moeilijke woord geleerd.

Jolan’, sprak haar moeder, ‘Vertel eens aan oma wat je bent.’

‘Ik ben eisewijs.’

You tell me to find someone else to love
Someone who love me too (love me too)
The way you used to do (used to do)
But each time I go out with someone new
You walk by and I fall to pieces
You walk by and I fall to pieces

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

52 weken / 11: Twee dichters

In ons gezelschap stond een bebaarde dichter het hoge woord te voeren en in treffende volzinnen bezong hij zijn liefde voor zijn vrouw.

‘Daarom ben jij een dichter geworden, Andy. Jan kan dat ook: zo gloedvol over zijn geliefde praten terwijl ze naast hem zit. Jullie zijn waarlijk twee poëtische zielen. Jo heb ik daar nog nooit op kunnen betrappen…’ vatte mijn vrouw de ontbijtbrunch bondig samen.

‘Oh, maar als je er niet bij bent, houdt hij niet over je op hoor. Tot vervelens toe. Vandaar dat ik zelden of nooit nog met hem iets ga drinken.’

De vraag of ik nu wel of niet romantisch ben bleef door mijn hoofd spoken en ik dacht aan al die keren dat ik als tiener en jonge twintiger hevig verliefd was geworden. Enkele uren lang verzonk ik in gemeimer over het verleden. 

Laura 

In de zomer van 1984 was ik met mijn zus op taalkamp in Toulon en terwijl haar huidige Italiaanse vriend Andrea – de kroonprins van Bergamo – verliefd op haar werd (jawel, toen al), sloot ik vriendschap met enkele studenten uit mijn klas, zoals Alexander – een boomlange jonge Nederlandse jurist met een Brits gevoel voor humor -, een Deense met rosse krullen en vooral met Laura, een zeventienjarig meisje uit Baltimore. Uitzonderlijk knap was ze niet, maar ze had een open gezicht en een klaterende lach die je zou doen vergeten dat Edgar Allen Poe eveneens uit Baltimore kwam en er inspiratie opdeed voor zijn donkerste verhalen. Maar ze was vooral bijzonder geestig en ondanks het feit dat ik me tegen het gevoel van opkomende verliefdheid probeerde te verzetten, verbaasde het me niet dat ik als een blok voor haar viel.

In de ochtend kregen we les, ’s namiddags gingen we naar het strand en ’s avonds bespraken we op studentenkamers de stand van de wereld en de tussenstand van het klassement in de Tour de France. Toen al probeerde ik vrouwen die mijn hart sneller lieten kloppen te overtuigen van de schoonheid van de wielersport. Urenlang doceerde ik Laura, die niet begrijpend naar het televisiescherm zat te staren, over de geschiedenis van de Tour de France, tot ik haar op een dag meenam op een fietstocht en ze me er al tijdens de eerste beklimming genadeloos afreed. 

Lag de aantrekkingskracht van de verliefdheid deels in de eindigheid ervan? Er was simpelweg geen tijd om je aan elkaar te ergeren. Er waren alleen ledige uren op een strand om elkaar te idealiseren en een leven in Baltimore bij elkaar te fantaseren. 

De pijn na het afscheid herinner ik me nog scherp. Ik reisde verder naar de Provence waar ik de rest van de zomervakantie doorbracht. De eerste nacht had ik een hevige, bijna tastbare droom over Laura en ik weet nog hoe gelukkig die me maakte. Zou langs deze omweg, via dromen, onze liefde kunnen standhouden?

Het was de tijd dat Risk een populair gezelschapspel was en tijdens de zomer van 1984 negeerde ik al mijn opdrachten. Het enige wat me interesseerde was om zo snel mogelijk de Oostkust van Amerika te veroveren en deze heilige plek zo lang mogelijk te verdedigen. Alle legers die Baltimore probeerden in te nemen schoot ik genadeloos aan flarden.

Maar met de tijd vervaagden ook de dromen over Laura en verzachtte het verdriet omwille van het gemis. Ze vervelde tot een dierbare herinnering. Wat rest zijn een handvol foto’s van onze middagen op het strand in Toulon en telkens als ik door het album met vergeelde kiekjes blader voel ik me weer achttien jaar jong. En elke keer als ik Randy Newman Baltimore hoor zingen, denk ik: Wat is er van Laura geworden? Is ze gelukkig? Heeft ze een man, kinderen, kleinkinderen? Wist ze haar sprankelende uitstraling te behouden? En zou ze af en toe nog aan mij denken?

Suzanne

In september 1989 studeerde ik in Leuven af als historicus en diezelfde zomer eindigde een relatie van vier jaar met, volgens kaartende kenners, het ‘mooiste meisje van geschiedenis’. Omdat ik me te jong voelde om aan het echte leven te beginnen en bovendien geen idee had wat ik moest gaan doen en vooral probeerde om die zalige tijd in het niemandsland tussen je studentenperiode en het opnemen van maatschappelijke verantwoordelijkheid zo lang mogelijk te rekken, ging ik een jaar in Dijon studeren en beleefde er een van de boeiendste en gelukkigste jaren uit mijn leven. Bovendien was ik vastbesloten om opnieuw verliefd te worden. 

Dat trof want in mijn klas zat een verbluffend mooi meisje: Suzanne W. Gitzwarte haren die in een bevallige carré waren geknipt; ogen om uren bij weg te dromen; en haar prachtige verschijning paarde ze aan een serene houding en een elegante uitstraling. Ze was ook, maar dat zag ik pas toen mijn verliefdheid wat was weggeëbd, een beetje saai. Het moet de laatste keer geweest zijn dat ik louter omwille van iemands uiterlijk verliefd ben geworden. Maar dat maakte vooralsnog niet uit, want opnieuw had ik – zonder dat we al veel diepgaande gesprekken hadden gevoerd – de Ware Liefde gevonden. Opnieuw was het een Amerikaanse. Ze kwam uit Salt Lake City en was mormoons. Wat me eerst fascineerde bleek echter algauw een onoverbrugbare kloof te zijn, want haar toekomstige man moest en zou een mormoon zijn. Hoezeer ik ook toenaderingspogingen deed, ze bleef me beleefd op afstand houden. Regelmatig bezochten we samen musea of gingen iets drinken maar de glimp van hoop die ik soms opving, begroef ze terstond. Bij de minste aarzeling begon ze meteen over de centrale plaats die het ware geloof in haar leven innam.

In een grenzeloos optimistische bui ging ik daarom op een dag met haar naar een mormoonse eredienst, want wie weet zat er diep in mij wel een beloftevol toekomstig lid verscholen van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. Zelden heb ik me een grotere charlatan gevoeld dan die zondagochtend. Tijdens het voortdurend opstaan en weer gaan zitten en het devoot de handen vouwen terwijl iedereen rond mij zat te bidden, besloot ik om me nooit meer anders voor te doen dan de persoon die ik in wezen ben. 

Isra

Dat jaar in Dijon volgde ik het vak filmgeschiedenis en in die klas zat een Arabisch meisje dat in Jordanië was opgegroeid. Ze was van Palestijnse afkomst en haar grootouders waren in 1948 uit Israël verdreven en zoals zoveel lotgenoten naar Jordanië gevlucht. Vaak betrapte ik haar tijdens de les terwijl ze me steels zat te bekijken. Tijdens de pauzes zocht ze toenadering en knoopte gesprekken aan met dezelfde schuchterheid die ik bij mezelf herkende als ik weer eens voor iemand was gevallen. Isra had eigenlijk alles: ze was aantrekkelijk, beschaafd, grappig, intelligent. En toch sloeg bij mij de vonk net niet over, hoezeer ik mezelf ook aanmoedigde om de liefde een kans te geven.

Er is zoveel dat vervaagt, maar toch herinner ik me nog één gesprek dat ik met haar had. 

We zaten op de grond in de gang van de aula en ze vroeg me welk geloof ik aanhing.

‘Ik ben een atheïst. Helaas kan ik niet in het bestaan van een God geloven.’

Er trok een zweem van spijt over haar gezicht. Hier had ze niet op gerekend. Tot de spijt plots opklaarde. 

‘Ach, hoe jammer. Maar aan de andere kant vind ik dat atheïsten vaak intelligente dingen zeggen en het meestal bij het rechte eind hebben.’

(Wordt sporadisch vervolgd)

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , | Plaats een reactie

52 weken / 10: De dame in het geel

‘Life is short and the Tour de France long.’

Giles Smith

Geplaatst in Uncategorized | 2 reacties

52 weken / 9: Verlangen

Het was een broeierige zomerdag in Oostende. Jolanda bleef op onze hotelkamer liggen, want ze was twee weken geleden aan haar knie geopereerd en moest het nog rustig aan doen. Terwijl ik de hond uitliet zag ik twee schaars geklede jonge vrouwen aan de overkant van de straat slenteren. Dertigers. Romig. Sensueel. Met de zelfbewuste tred van schoonheden die weten dat de wereld stopt met draaien van zodra zij in beeld verschijnen. Zonder dat ze me opmerkten, staarde ik hen na. Een oudere dame, die in de zon op een stoel zat te niksen, zag mijn blik en kon een glimlach niet onderdrukken. Ze keek me veelbetekenend aan, alsof ze wilde zeggen: ‘Voel jij je nog maar enkele zomers jong, want voor je het weet is het zinderend verlangen dat in je opwelt onherroepelijk uitgedoofd…’

Nauwelijks een uur moest ik rondrijden alvorens een parkeerplaats te vinden en in volle euforie stuurde ik vriend Jan Ducheyne een bericht. Ik wilde met hem aan zijn Kabine op het strand afspreken. Dat bleek echter niet zo eenvoudig, want de agenda van de onderkoning van Oostende – die lege dagen ambieert – liep al aardig vol. Die avond organiseerde hij, als stichtend voorzitter van de Partij voor de Poëzie, het allereerste Gouden Mossel Souper en hij stuurde me een uitnodiging. Als er iets is dat me culinair onverschillig laat zijn het mosselen. Maar als er iets is dat me interesseert zijn het kleinschalige evenementen in rafelranden van steden met een anarchistische ziel.

Terwijl duizenden mensen aanschoven voor een technofestival op het strand, nam ik de veerboot naar de oosteroever en wandelde in mijn eentje op de Hendrik Baelskaai naar de plek waar het comité van de gouden mossel de verkiezing van de Oostendenaar van het jaar organiseerde. Al van ver zag je waar het te doen was. Er stond een lange tafel met rood-wit geblokte tafellakens; een dertigtal mensen deden zich te goed aan witte wijn en mosselen à volonté; de sfeer was op een ingetogen manier uitgelaten; het gezelschap bestond uit mooie mensen of mensen die ooit mooi waren geweest en er vrede mee hadden dat hun gouden dagen voorgoed voorbij waren; en om het poëtisch karakter van het evenement te onderstrepen werd er tijdens deze 11de juli op tijd en stond besmuikt met een Vlaamse vlag gewapperd.

Jan draaide zalige muziek. Want waar hoor je nog nummers als That Summer Feeling van Jonathan Richman – met die fantastische zin: ‘Do you long for her / Or for the way you were? -, Zeilmeisje van Lucky Fonz III of Black Trombone van Serge Gainsbourg? Het deed me bijna zin in mosselen krijgen. Tussen de songs door kraamde hij geïnspireerde onzin uit, de geboortestad van Kamagurka waardig.

Op voorhand dacht ik niemand te zullen kennen, maar dat viel mee. De eerste persoon die ik zag was een vriendin met de wildste krullen van Antwerpen. Ze was er samen met haar vriend, de drummer van Noodzakelijk Kwaad. Ik bestelde aan de bar een Zeevonk (geweldig bier), zette me naast hen en geraakte alras in allerlei inventieve gesprekken verwikkeld met andere tafelgenoten.

Tegenover mij zat een man van rond de zestig met een jeugdig gezicht en een baseballpet. Al meer dan veertig jaar was hij kapper van beroep en ook zijn vader had een kapsalon uitgebaat waar de zoon het vak had geleerd. Als negentienjarige liep hij er stage. Een van de eerste klanten die er op zijn eerste stagedag binnenliep was Arno. We spreken begin jaren tachtig – de gloriedagen van T.C. Matic – en mijn overbuurman was een groot bewonderaar van de Oostendse zanger die altijd rondstruinde met een plastic zak met daarin het enige wat hij in het leven echt nodig had: een tandenborstel, een kam en een handvol platen. 

‘Mijn vader zei: “knip jij hem maar. Dat is een goede vuurdoop”. Doodzenuwachtig was ik, maar ik deed wat me werd gevraagd. Na afloop betaalde Arno en vertrok. Ijsberend stond hij buiten op zijn chauffeur te wachten, want hij had geen rijbewijs en moest altijd gehaald en gebracht worden. Plots stormde Arno terug naar binnen. Ik dacht: die komt zijn beklag doen. Maar het enige wat hij deed was voor de spiegel staan, door zijn haren strijken en tegen zijn evenbeeld zeggen: “Arno: tu est le plus beau!” Zonder verder nog met iemand een woord te wisselen vertrok hij weer.’

Zoals dat gaat op avonden dat alles op een organische manier in elkaar vloeit, gleden de uren ongemerkt voorbij. Er werd gedronken en gelachen en een stijlvolle Duitse dame zei dat ze me herkende van twee jaar geleden toen ik op de dijk naar een optreden van Noodzakelijk Kwaad was komen kijken.

Het was een paradijselijke plek. Het was een avond waarvan ik op het moment zelf wist dat ik er later naar zou terugverlangen. 

Geplaatst in Uncategorized | 3 reacties

52 weken / 8: Weegschaal

Van het kunsttijdschrift Independent Art Magazine (I AM) kreeg ik de vraag of ik een kortverhaal van ongeveer 750 woorden voor hen wilde schrijven. Het verscheen in het juni-nummer. Eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat ik voor de gelegenheid een van mijn allereerste blogverhalen (uit 2011) helemaal herschreven heb. Ik schrapte ongeveer een kwart van de tekst en herschreef zo goed als elke zin. Maar de kern van het verhaal is gebleven.

In elke jeugd zit een scheut kinderverdriet verscholen. Hoewel ik werd geboren in het jaar dat Walt Disney stierf en mijn eerste levensjaren bepaald zorgeloos verliepen, werd ik al snel een fundamenteel gemis gewaar. Begin jaren zeventig verhuisden mijn ouders naar een modernistische villa in de parel der Voorkempen. Zo op het oog ontbrak het onze familie aan niets. Er stond een auto op de oprijlaan; de zwart-wit-tv ruimde al snel baan voor een kleurentelevisie; in de vijver krioelde het van de goudvissen; in het zwembad kregen we zwemles van een Hongaarse olympische kampioen; en in de tuin joegen onze bordeauxdoggen de kippen op.

Maar met het opgroeien kwamen ook de jaren des onderscheids. Zo viel het me op dat we thuis geen weegschaal hadden. Ik wist van het bestaan af, want als ik bij vrienden ging spelen, zag ik in elke badkamer een exemplaar staan. Ook mijn broer en zus waren allerminst gelukkig met deze situatie en geheel in overeenstemming met de tijdsgeest besloten we te revolteren. Van de Spaanse Burgeroorlog hadden we nog nooit gehoord, maar in de speelkamer ten huize Komkommer hing een revolutionaire sfeer. No pasarán! We waren jong en ongeduldig en wilden dit vlammend onrecht uit de wereld bannen. We kenden onze leeftijd en onze lengte. We wilden nu ook ons gewicht kennen.

Er ging geen dag voorbij zonder dat we hierover bij moeder gingen zeuren. Ze was die vreemde combinatie van een gulle en tegelijkertijd spaarzame vrouw. Zo viel het haar moeilijk om vervallen producten weg te gooien. Etenswaren die over tijd waren, bleven decennialang in onze ijskast schimmel verzamelen. Ongeacht het aantal liters soep dat ze klaarmaakte: nooit gooide ze meer dan één bouillonblokje in het kokend water. En als een vaatwasser eenmaal stuk was, werd vanaf die dag alles met de hand gewassen. Er werd niet eens overwogen om er een nieuwe te kopen. Ze had begrip voor onze eis, maar financieel kwam het nooit goed uit.

Vader was diegene die verantwoordelijk was voor de impulsaankopen. Het was misschien wel zijn grootste talent. Het was alsof hij kocht tegen de pijn van het zijn. Alleen stond zijn hoofd nooit naar praktische zaken. Het ging hem om het verdwijnen in een roes die hem hielp te ontsnappen aan de dagelijkse sleur. Met de esthetische gevoeligheid van een opstandige jongeling keek vader naar de wereld en hij weigerde zich neer te leggen bij het lot dat zoveel mannen van middelbare leeftijd tart: tijdens het weekend aan de kust wat rond paraderen met burberry-sjaaltjes. Op een dag gebeurde er echter een wonder. Bij het aansteken van zijn eerste sigaret kreeg vader een ingeving: ‘Laat ik vandaag eens een werk van Guillaume Bijl kopen!’

In zijn atelier voelde beeldend kunstenaar Guillaume Bijl zich geïnspireerd en besloot een kunstwerk te maken waarin een vooraanstaande rol voor een weegschaal was weggelegd. Zoals steeds bij Bijl was de Composition trouvée speels, bevreemdend, surrealistisch en humoristisch. Met zijn nuchtere Antwerpse Seefhoek-blik verstond hij de kunst om op zo’n manier naar de wereld te kijken dat je er als toeschouwer ongemakkelijk bij moest glimlachen.

Enkele dagen later onthulde vader, omringd door zijn familie, zijn nieuwste aankoop. Het kunstwerk was een samenraapsel van een alledaagse weegschaal van een merk dat ze in China nog liever in de magazijnen zouden laten verstoffen, een afzichtelijk blauw tapijtje, drie overbelichte foto’s van sportief ogende dames en een spiegel om bewonderend in te kijken. Traditiegetrouw steeg uit het kinderkoor hoongelach op en kreten als ‘Dat kunnen wij ook!’ waren wederom niet van de lucht. Zijn moeder en schoonmoeder reageerden onthutst en voelden zich gesterkt in hun overtuiging dat ‘die arme Jacky’ nu écht gek was geworden. Vader liet het allemaal van zich afglijden en bromde: ‘Als mijn moeder en schoonmoeder er niets aan vinden, dan zit ik goed!’

Wat de aanleiding ook geweest mag zijn: dankzij Guillaume Bijl hadden wij toch maar mooi een heuse weegschaal. Het is de enige die we ooit hebben gehad. 

Vader en Guillaume Bijl zijn ondertussen dood. En de vaatwasser is nog steeds niet vervangen. 

Telkens als ik mijn moeder bezoek en het ouderlijk huis betreed kan ik het niet nalaten om naar de weegschaal te kijken en bij mezelf te denken: ‘Wat een rijkdom! Wat een weelde!’ Stiekem ga ik er dan opstaan, benieuwd naar het resultaat. Al meer dan vijfendertig jaar geeft die onveranderlijk hetzelfde gewicht aan: 81,5 kilo. Dan word ik overvallen door een onverklaarbare weemoed en troost mezelf met de gedachte: 81,5  kilo voor 179 cm? Er zijn ongetwijfeld grotere tragedies in een mensenleven.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , | 2 reacties

52 weken / 7: Don Juan de ‘s-Gravenwezel

Een bibliotheekbezoekster is gezegend met zo’n innemende glimlach dat ze me – telkens als ze me groet – het gevoel geeft dat de zomervakantie is begonnen. Niet dat we elkaar ooit al hebben gesproken. Verder dan een herkenningsglimlach kwamen we vooralsnog niet. Ook buiten de bibliotheek kruis ik haar regelmatig in de straten van Mechelen. Zo zag ik haar op een dag zowel ’s morgens aan het treinstation als ’s avonds toen ik terug richting Nekkerspoel wandelde. Ik vergat dat ik een trein moest halen en opende het gesprek met de origineelste openingszin ooit:

‘Ik ken je van in de bibliotheek? Maar hoe heet je eigenlijk?’

Haar naam ben ik vergeten maar de rest van wat ze me vertelde niet. Een klein uur stonden we in de zon naast de Dijle, terwijl in de verte de ene na de andere trein naar Antwerpen voorbij denderde. 

Ze is een stijlvolle vrouw. Een jonge veertigster met donkere haren. Haar Nederlands is al even verzorgd als haar houding en kledij, maar toch vermoedde ik een vreemde origine. Nergens in haar tongval viel namelijk een spoor van die legendarische Mechelse ‘ij’-klank te bespeuren die het locale dialect de lichtheid van een opwaaiende zomerjurk schenkt. Een compliment over haar voortreffelijk Nederlands was dan ook op zijn plaats. 

‘Dank je. Ik woon ondertussen vijfentwintig al jaar in België, maar aan mijn uiterlijk kan je zien dat ik niet van hier ben.’

‘Nu moet ik je toch tegenspreken. Het is niet omdat je er exotisch uitziet dat je niet in België zou kunnen geboren zijn. We zijn de laatste halve eeuw een van de meest diverse landen ter wereld geworden. Met een Marokkaanse vriendin, die graag met culturele identiteiten speelt, keek ik laatst naar België-Egypte. Zij merkte besmuikt op, terwijl de camera tijdens de Brabançonne op onze spelers inzoomde: ‘Dat moet voor buitenlandse kijkers toch kei verwarrend zijn. Als ze Japan, Noorwegen, Ivoorkust of Algerije zien dan is het duidelijk welke landen er aan de aftrap staan. Maar bij onze vreemde mix moeten ze toch denken: “What is this shit?”’

De vrouw sprak sereen. Ingetogen. Om haar hals blonk een gouden kruisje.

‘Ik kom uit Iran.’

Telkens weer valt me op hoe beschaafd en intelligent Iraanse vrouwen zijn, wat het feit dat ze in hun land van herkomst gedegradeerd zijn tot derderangs burgers des te schrijnender maakt.

‘Ik ben opgegroeid in een Islamitisch gezin. Mijn ouders waren nu niet bepaald streng in de leer. Ze stonden eerder onverschillig tegenover religie, zoals de meeste families in Iran trouwens. Toen ik in België aankwam werd ik een overtuigde atheïste. De laatste tijd merk ik echter dat ik een dimensie in mijn leven mis en omdat voor mij dit bestaan om meer mag draaien dan enkel materieel gewin ben ik opzoek gegaan naar een vorm van spiritualiteit. Daarom heb ik een paar keer een kerkdienst bijgewoond. Wat ik daar hoorde beviel me en zo dat ik me tot het katholicisme heb bekeerd.’

Als Iran ter sprake komt, kan het regime en de recente oorlog niet onvermeld blijven.

‘Wat me diep heeft teleurgesteld is de reactie in Europa op de oorlog in Iran. We waren zo hoopvol dat het gruwelijk regime, dat al een halve eeuw het Iraanse volk terroriseert, eindelijk zou vallen. Want kan je je dat voorstellen? De religieuze tirannen blijven hun eigen bevolking maar doodschieten. Dagelijks zijn er executies. De afrekeningen gaan onverminderd door. Ik schat dat de machthebbers de steun van zo’n tien procent van de bevolking hebben, maar op een populatie van negentig miljoen is dat toch een groep van een kleine tien miljoen mensen. Die dan nog als enige tot de tanden bewapend zijn. Het regime is zo mensonterend. Maar wij krijgen geen enkele steunbetuiging. Voor Gaza regent het solidariteitsacties, maar voor Iran: niets dan apathie. En het doet me als Iraanse vrouw zoveel pijn om tijdens Gaza-betogingen symbolen van Hamas te zien opduiken. Beseffen die betogers wel waar dat regime voor staat?’

Het was tijd om afscheid te nemen. Achter een innemende glimlach ging een wijze vrouw verscholen en ik had zin om ons gesprek op een ander moment verder te zetten. Maar hoe dit aan te pakken? Na mijn briljante openingszin volgde een al even verbluffend slotbetoog.

‘Het klinkt misschien wat vreemd maar ik zou graag nog eens met je willen afspreken. Begrijp me niet verkeerd. Ik zeg dit zonder bijbedoelingen en ik wil je ook geen angst inboezemen. Gewoon ergens koffie gaan drinken en wat praten. Zie maar of je er ooit zin in hebt. Je weet waar ik werk. Ik ben trouwens al jarenlang getrouwd. Ik vraag dit gewoon omdat je een interessante vrouw bent die nadenkend in het leven staat.’

Voilà. Don Juan de ’s-Gravenwezel.

Geplaatst in Uncategorized | Plaats een reactie

52 weken / 6: Maximiliaan

Omdat de hittegolf nog even op zich liet wachten ging ik met de trein naar Mechelen en opnieuw viel het me op wat een mooie radiostemmen de conductrices tegenwoordig hebben. Perfecte dictie. Verzorgde taal. Worden ze daar vandaag de dag op geselecteerd? In hese altstemmen leggen ze uit waarom de trein achtentwintig minuten vertraging heeft en ik zou de rest van de dag in stilstaande treinen naar hun mededelingen kunnen luisteren. 

Als er één man de uitstraling heeft om – buiten op de Center Court van Wimbledon – volledig in het wit gekleed te gaan zonder zich belachelijk te maken dan is het dichter en radioman Pat Donnez. Met keizerlijke tred schrijdt hij door de kloostergangen van de bibliotheek en groet minzaam de aanwezige bezoekers en medewerkers alvorens zich in een lichtrijke plek met een dichtbundel terug te trekken. Op een dag moest ik wat administratieve taken voor hem regelen en zo ontdekte ik dat zijn officiële naam Patrick Maximiliaan Donnez is. Hoe konden zijn ouders al bij zijn geboorte bevroeden dat hun zoon gemaakt was om later als een Maximiliaan door het leven te flaneren? Niemand past die keizerlijke naam beter dan Pat. 

Even later stonden er aan de onthaalbalie twee zestienjarige jongens. Hoog opgeschoten en een beetje onwennig. Maar duidelijk vrienden die elkaar ondersteunden en elkaar lacherig moed inspraken. Ze kwamen graphic novels uitlenen en spraken bijna foutloos Nederlands. De ene jongen was in Armenië geboren en de andere in Syrië. 

‘De vrijheden die jullie hier hebben kunnen ooit zo weer verdwijnen. Zo is het in Iran gegaan. Niets is voor altijd verworven. Hier in België heeft iedereen rechten: katholieken, joden, homo’s, transgenders, vrouwen, atheïsten,.. In Iran hebben zelfs de meeste islamieten nauwelijks rechten. Alleen een klein sektarisch groepje dat de macht heeft gemonopoliseerd.’ Alzo sprak een Iraniër zijn medestudenten Nederlands voor anderstaligen toe. 

In de bibliotheek werd er een nieuwe tentoonstelling over wielrennen en literatuur geopend. Op de benedenverdieping staat een expokast die we gebruiken om onderbelichte delen van onze collectie te tonen. Wim H. – een historicus die al veertig jaar in de bibliotheek werkt – is gebeten door de wielermicrobe en kwam met het idee om samen deze expo in elkaar te zetten. Hij zocht in het depot naar boeken van vergeten sportjournalisten en ik zocht naar gepaste citaten en verzamelde beeldmateriaal uit de tijd dat wielrenners nog allemaal goden waren. Er werd weinig ruchtbaarheid aan gegeven, maar zelf waren Wim en ik heel tevreden met het resultaat. Bibliotheekbezoekers wandelden er echter straal aan voorbij. Zelfs Maximiliaan Donnez – de man die thuis 27.000 boeken heeft staan – viel het niet op. Zou dan niemand onze obsessie voor wielrenners uit de tijd van Fausto Coppi delen? 

Toch wel. Een Brits echtpaar in wielertenue bleef gebiologeerd kijken. Ze bezochten met de fiets alle Vlaamse kunststeden en vonden het een fascinerende tentoonstelling. ‘Is this a permanent exhibition? No? So we really lucked out.

Een man met een typisch ‘Ronde van Vlaanderen-gezicht’ nam van elk boek en van elk citaat een foto en liet de wijze woorden van Briek Schotte bezinken: ‘Ge moet zere riej’n ajje zere moe riej’n en nie zere riej’n ajje nie zere moe riej’n.’ Of in vertaling: ‘Je moet hard rijden als je hard moet rijden en niet hard rijden als je niet hard moet rijden.’

Een elegante vrouw leende het boek van Gabriel Garcia Márques De kampioen van Colombia over de Colombiaanse nationale wielerheld Ramón Hoyos uit en schoot in de lach bij de quote van countryzanger Willie Nelson: “I think it is just terrible and disgusting how everyone has treated Lance Armstrong, especially after what he achieved, winning seven Tour de France races while on drugs. When I was on drugs, I couldn’t even find my bike.”

Een citaat van de Britse sportjournalist Giles Smith vatte de essentie van het bestaan bondig samen:

Life is short and the Tour de France long.’

De dame in het geel die nooit de Tour de France won.

Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

52 weken / 5: Rensenbrink

Is de liefde voorbij?

Het wereldkampioenschap voetbal is al enkele dagen bezig en ik heb er nog steeds geen minuut van gezien. Natuurlijk vang ik hier en daar flarden van opgewonden sportjournalisten op die vanuit de Verenigde Staten het thuisfront op de hoogte houden van de blessures van midvoors die dit seizoen al 64 minuten voor hun werkgever in actie zijn getreden en waarom het goed is dat de laatste hoop van de natie naar huis vliegt om bij de geboorte van zijn kind aanwezig te zijn. Onverschilligheid is wat me tart als getalenteerde spitsen enkele meters terreinwinst boeken.

Terwijl de liefde ooit zo groot was.

Dat die liefde zo groot was kwam eigenlijk door één man: Robbie Rensenbrink. 

Nederlander. Amsterdammer. Slangenmens. Introverte spits. Vergeten icoon – behalve dan door iedereen die hem ooit zag spelen.

Hij was de sierlijke linksbuiten van het toen nog koninklijke R.S.C. Anderlecht en het is bijna niet te geloven dat zo’n uitzonderlijke speler wekelijks in de Belgische competitie te bewonderen viel, waar hij – ten teken van beroepsernst – op drassige velden van ploegen als Waregem, Cercle Brugge en Sporting Charleroi voetbal tot kunst verhief. 

Zijn loopdribbels waren zoals de penseelstreken van geniale schilders: elegant, doelgericht, ongrijpbaar en onverklaarbaar. Meer nog dan brandweerman wilde ik als kind later Robbie Rensenbrink worden en daarom oefende ik dagelijks mijn traptechniek tegen de witte muur in onze tuin in de hoop dat een talentscout van Anderlecht me zou opmerken en uit de bossen van de Voorkempen plukken. 

Wat stond Robbie met zijn gitzwarte golvende haren ook voortreffelijk met het felle oranje van het Nederlands elftal. En vooral: wat stond hij goed met het nummer elf. Telkens als de namen van de spelers van het elftal op het televisiescherm verschenen was die van Rensenbrink de allerlaatste en dan wist je dat het goed zou komen. Zijn familienaam was zoals zijn voetbaltalent: mysterieus en betrouwbaar.

De schetterende jaren tachtig begonnen en Rensenbrink hield het voor bekeken: hij hing zijn voetbalschoenen aan de haak en trok zich als een kluizenaar terug in zijn villa met tuin waar hij tot aan zijn dood op 72-jarige leeftijd zijn dagen al vissend en genietend van de warmte van zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen doorbracht.

Na Rensenbrink ben ik nog maar van drie spelers een onvoorwaardelijke fan geweest: Diego Armando Maradona, Michael Laudrup en Eden Hazard. Want samen met Rensenbrink verdween het dromerige een beetje uit het voetbalspel. Kenners mogen beweren wat ze willen en het talent van de hedendaagse spelers roemen en zelfs buitenaards noemen – en kenners hebben uiteraard gelijk – maar wat een lelijke voetbalstijl hebben de grote namen van de laatste twee decennia toch ontwikkeld. Willekeurig denk ik dan aan spelers als Ronaldo en Cristiano Ronaldo en zelfs Ronaldinho – en tal van anderen – die me telkens een doorn in het oog zijn. Zo druk, zo krachtig en zo ontdaan van elke zweem van elegantie. Als voornoemde heren dribbelen vind ik het bijna afstotend en kan ik niet geloven dat ze dezelfde kunstvorm beoefenen als Diego Maradona. Voetballen lijkt tegenwoordig meer op een heavy metal-concert dan op een zomerse melodie van Françoise Hardy. 

Het huidige wereldkampioenschap is het eerste waarin ik me niet druk kan maken over de prestaties van de Rode Duivels. Terwijl ze me in het verleden zoveel vreugde en verdriet hebben geschonken. De ‘Daar is’m! Daar is’m!’ van het spitsenduo Erwin Vandenbergh en Rik De Saedeleer. De floddergoal van Czerniatynski tegen Hongarije. De kopbal in de Kuip tegen Nederland van Georges Grün. De wonderbaarlijke wedstrijd tegen de Sovjet-Unie. De Pijn van Platt in de allerlaatste minuut van de allerlaatste verlenging tegen Engeland. De ‘Wanted Dead or Alive: Peter Prendergast’-posters die overal in het straatbeeld opdoken na het afgekeurde doelpunt van Wilmots tegen Brazilië. De wederopstanding tegen Japan van de gouden generatie die uiteindelijk slechts brons won op het WK in 2018. De roemloze missers van Lukaku tegen Kroatië;…

De liefde voor de allerlaagste regionen van de voetbalsport is echter wél gebleven. Als ik tieners op een plein of in een park zie spelen blijf ik gefascineerd staan kijken en zoek ik naar momenten van schoonheid. Als twee caféploegen op een regenachtige zondag tegen elkaar ten strijde trekken betrap ik mezelf erop dat ik hun gesteggel veel boeiender vind dan de zoveelste Champions League-wedstrijd tussen Real Madrid en Bayern München – een wedstrijd die ik uit pure verveling meestal al na enkele minuten uitzet. En als ik een stille jongen tegen een muur zijn traptechniek zie oefenen hoop ik zo dat hij de nieuwe Robbie Rensenbrink mag worden. 

Geplaatst in Uncategorized | Tags: | 5 reacties