(Dit stukje behoeft een inleiding. Fotograaf Tom Warmoes vroeg aan een twintigtal mensen – waaronder Spinvis, Joke Van Caesbroeck, Stef Selfslagh, Nele Van den Broeck e.a. – om teksten te schrijven geïnspireerd op zijn foto’s. Foto’s en verhalen zullen worden gebundeld in een boek. Dit is mijn bijdrage. De foto van hem die ik uitkoos is er eentje van een verlaten treinstation in de mist met een oudere man en een fiets. Voor alle duidelijkheid: de foto onderaan deze blogpost is een van mij en niet die bewuste van Tom.)
Een kwarteeuw geleden fietste ik op een zondagochtend naar mijn werk en zag bij een tramhalte in een verder lege straat een kennis staan. Geestdriftig zwaaiden we heen-en-weer en op mijn vraag waar hij dan wel heen ging, antwoordde hij: ‘Naar Rijsel!’ Zijn antwoord is me altijd bijgebleven want er klonk een enorme vrijheidsdrang in door. Het is niet omdat je op tram 7 naar Mortsel wacht, dat je niet verder kunt reizen en andere horizonten verkennen.
Sinds die ochtend symboliseren voor mij het openbaar vervoer en de fiets het ultieme vrijheidsgevoel. Ze symboliseren een gevoel van loslaten. Van zorgeloosheid zelfs. Als ik op een mistig perron in Berchem Station, samen met andere pendelaars, op een trein die nooit zal komen sta te wachten, denk ik aan alle bestemmingen waar mijn lotgenoten heen zouden kunnen reizen. De oudere dame die haar oogschaduw perfectioneert, vertrekt naar haar minnaar in Montevideo; de chique heer, die zelfbewust loopt te bellen, moet voor een zakendeal in Montepulciano zijn; de uitgelaten schoolkinderen gaan een dagje uitwaaien aan zee; de kortgeknipte fotograaf gaat in opdracht van het wielertijdschrift Bahamontes de Oezbeekse spurtbom Djamolidin Abdoezjaparov vereeuwigen; en die kale man met zijn Minerva-fiets reist naar Berlijn om een nieuwe tattoo van zijn favoriete hardrock groep uit de jaren zeventig te laten zetten. Het is alsof op perron 9 van Berchem Station de hartslag van de wereld klopt. Het is alsof het het beginpunt is van een weg die naar overal leidt.
Tot de stem van de omroepster me uit mijn dagdroom doet ontwaken: ‘De trein naar Brussel-Zuid komt zo dadelijk aan op perron 9 met een vertraging van 32 minuten.’
Van buitenaf gezien ziet mijn leven er prima uit. Geweldige vrouw, prachtige dochter, mooi huis, leuke baan, een hond die af en toe luistert, vrienden te over om tijdens ledige uren ongein mee uit te halen en een lichaam dat gebouwd is om nog vele winters mee te gaan. En ook van binnenuit voelt mijn leven vaak goed aan. Maar wat ik mis is het talent om alles te kunnen loslaten. Me niets meer aan te trekken van de administratieve rompslomp die zich al maanden aan het opstapelen is en alle mogelijke rampscenario’s die mijn inertie zouden kunnen veroorzaken. Kortom: het talent om de zeurende zorgen en futiele toekomstplannen een tijdlang verticaal te klasseren en het onbekende tegemoet te fietsen. Ook ik wil op een dag opstaan en de tram naar Rijsel nemen.
Een vriendin van mij reist overal met de fiets heen. Heeft ze een huwelijksfeest in Sydney, dan gaat ze natuurlijk met de fiets – dat ze in Heerenveen, tot nader orde geen buitenwijk van Sydney, woont is daarbij geen bezwaar. Zo fietste ze al dwars door Afrika, in het spoor van Ferdinand Magellaan rond de wereld, van het zuiden van Patagonië naar het noorden van Alaska. Ze beklom zelfs al de Koppenberg in de Vlaamse Ardennen! Ze voelt zich onbegrensd en ademt in al haar doen en laten een groot vrijheidsgevoel uit, net als haar vaste reisgezel Chepe die jaren geleden met twintig dollar in zijn achterzak uit El Salvador vertrok en nooit meer naar zijn moederland terugkeerde.
Met een groep vrienden maken we al meer dan twee decennia jaarlijks een fietsreis en tijdens die week wanen we ons opnieuw twintigers die dansend en onbekommerd in het leven staan. Maar in tegenstelling tot mijn Friese vriendin is bij ons alles al op voorhand zorgvuldig gepland – van de verdeling van de hotelkamers tot en met de cuissons van de steaks tijdens de maaltijden toe. Nooit slapen we op een grasveld onder de blote sterrenhemel omdat we ons door het noodlot hebben laten verrassen. Op die vlekkeloos verlopende dagen kan ik soms hunkeren naar momenten dat het toeval inbreekt en onze reis anders inkleurt.
Ik kijk naar de foto van de gezette man met een fiets op een bank in een mistig treinstation en ik verlang ineens enorm naar de dag dat ik met mijn fiets in de hand op perron 9 van Berchem Station zal staan en de omroepster hoor zeggen: ‘Reizigers opgelet! De trein naar Vladivostok komt zo dadelijk aan op perron 9.’

























