‘Snap je?’
‘Dat vraag je me nu altijd als je iets heel eenvoudigs hebt uitgelegd. Maar nooit nadat je iets complex hebt verteld, want dan snap je het zelf niet.’
Na drieëndertig jaar krijg je soms dit soort woordenwisselingen. Maar ondanks opflakkeringen van misnoegdheid die ons tijdens de reis, waarin we de hele tijd tot elkaars gezelschap veroordeeld waren, sporadisch overvielen waren we beiden weg van Engeland. Ik was al een anglofiel en Jolanda werd het, zeker toen een gids voor het begin van een stadstoer verkondigde: ’The beautiful people go with Owen and I’ll take this ugly bunch.’ Nadat we tien dagen lang de kustlijn hadden gevolgd, hielden we halt in Bristol en het is daar dat de zon besloot om voor het eerst door de wolken te breken. Bristol heeft alles: het ligt aan de brede rivier Avon (Keltisch voor rivier – dus aan de rivier rivier), overal reiken machtige heuvels hemelwaarts en die heuvels zijn volgebouwd met parken en statige herenhuizen, want eeuwenlang was het een welvarende handelsstad. Tegenwoordig is het een bruisende studentenstad met florerende techbedrijven en een artistieke ziel. Zo woonde en doceerde de geniale fotograaf Martin Parr er – heeft er iemand ooit een scherper oog gehad om de verknipte ziel van silly Englishness vast te leggen? -, en bracht het kunstenaars als Banksy, Massive Attack en Portishead voort.
Het zijn vaak kleine beslissingen die een reis onvergetelijk maken. De basisingrediënten moeten natuurlijk aanwezig zijn en die waren er. Het eten in Engeland was verbluffend lekker, de mensen voorkomend, de natuur, parken en kastelen indrukwekkend en de badplaatsen die we aandeden getuigden van een groots verleden en knipoogden, na jaren van inertie en verval, eindelijk opnieuw naar een om de hoek glorende toekomst waarin negentiende eeuwse grandeur en hedendaags anarchisme tot een onweerstaanbare cocktail zullen gebrouwen worden. Wandelend door Clifton Village, een residentiële wijk in Bristol, zag ik een aankondiging voor een improvisatieavond en ik overtuigde Jolanda om mee te gaan.
De gevel van het Bristol Improv Theatre zag er statig uit, maar het was in de kelder te doen en die leek op een vergeten bunker uit het voormalige Oostblok. De sfeer en de inrichting was studentikoos. Er waren niet eens slingers om op te hangen, mocht je al een feest willen organiseren. Een twintigtal jonge mensen, die elkaar overduidelijk kenden want er werd veel gezwaaid, zaten aan ronde tafels te drinken en te keuvelen. We kochten twee tickets, bestelden gin tonics en de gastvrouw die de avond in goede banen moest leiden vroeg met een namenlijst in de hand of we ook wilden meedoen. Dat wilden we niet. Maar voor de rest deed iedereen in het publiek mee.
Ik hoopte op een leuke avond, maar het werd iets veel beters. Het werd een avond die, net als de foto’s van Martin Parr, recht naar de Britse ziel ging. Want wat is het de Engelsen gegeven om met drie keer niks een voorstelling bij elkaar te fantaseren die kan wedijveren met de beste sketches van Monty Python. Het stramien was eenvoudig. De gastvrouw las een opdracht voor, riep in alfabetische volgorde mensen uit de zaal op het podium, vroeg aan de aanwezigen om wat kernwoorden te suggereren en vanaf dan gaf ze de vrije baan aan de verbeelding. Het was wonderlijk. Het was verbluffend hoe wild en toch beheerst de improvisatieacteurs hun weg in de algehele chaos vonden. Op elk kruispunt sloegen ze een andere zijweg in zonder ooit de eindbestemming uit het oog te verliezen. Hét hoogtepunt was de finale van het uitladen van de vaatwasser op de Olympische Spelen voor huishoudelijke taken tussen Ierland en de Verenigde Staten. Twee acteurs moesten in slow motion geconcentreerd uitbeelden dat ze zich van hun taak kweten en twee andere acteurs becommentarieerden ondertussen het spektakel. Die deden dat zo plechtig, vindingrijk en op de juiste momenten met overslaand enthousiasme dat het leek alsof we echt naar hoogst belangrijk sportevenement op de BBC aan het kijken waren.
Voor de avond begon kwam er een jonge vrouw met twee drankjes aan onze tafel zitten en daarom veronderstelde ik ze elk moment zou vervoegd worden door haar vriend. Maar nadat ze ook van het tweede glas was beginnen drinken besefte ik dat die vriend nooit zou komen. Ze was alleen. Ze was op een onopvallende manier aantrekkelijk en had een vinnige, intelligente uitstraling.
‘Ik kom uit Londen, maar woon sinds meer dan een jaar in Bristol waar ik in de sociale zorg werk. Het is de eerste keer sinds ik naar hier ben verhuisd dat ik ergens naartoe ga. Te lang ben ik in mijn comfortabele cocon van werken, eten en slapen blijven hangen. Want ik ben eenendertig en nog steeds singel en ik heb mezelf echt moed ingesproken en verplicht om meer naar buiten te gaan en mijn wereld te vergroten. Wat een toeval dat ik jullie hier tref, want ik kom net terug van een huwelijksfeest in België. In mijn sector werken bijna uitsluitend vrouwen en ik wil eindelijk de juiste man ontmoeten om een relatie mee te beginnen en samen een toekomst mee op te bouwen.’
‘Mijn vrouw was eenendertig toen ik haar leerde kennen.’
‘Echt? Dat doet deugd om te horen, want ik was bijna mijn geloof in de liefde verloren…’
Eenendertig jaar. Er zijn zoveel talentrijke en eenzame vrouwen van die leeftijd die net als de improvisatieacteurs op een kruispunt staan en soms zijwegen inslaan die naar niets leiden en soms een zijweg inslaan waardoor ze drieëndertig jaar later kunnen zeggen dat het onnodig is om na een glasheldere uitleg te vragen of ze snappen wat je net hebt verteld.
‘

























